Bekijk het origineel

Uit het Binnenland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit het Binnenland

6 minuten leestijd

Publikatie memorandum—v. d. Putten zonder medeweten raadsman. Deze blijft echter optreden. Grepen uit dit memorandum.

Tijdens de dlskussies in de Tweede Kamer over de zaak-Van der Putten, waarbij de minister om een nota werd gevraagd, bevonden de heer v. d. Putten en diens raads­ man, Mr. Geleijnse, zich op de publieke tribune. Zij hebben derhalve de rede van de minister van nabij kunnen volgen. Naar wij vernamen was de heer Van der Putten zeer ontstemd over die rede, omdat er volgens hem beslist onware voorstellingen in werden gegeven. Dit zal zeker wel mede de reden zijn geweest, dat de heer v. d. Putten zonder medeweten van zijn raadsman, het memorandum, dat hij In opdracht van de minister deze had doen toekomen, aan de pers voor publikatie heeft vrij gegeven. Met het gevolg, dat de pers er grote gedeelten uitgepublioeerd heeft. Volgens het „Algemeen Dagblad" van 12 december 1.1. heeft Mr. Geleijnse nadien verklaard, dat de heer v. d. Putten na de behandeling in de Kamer een volledige ineenstorting heeft doorgemaakt. Hij kwam, zo stond er letterlijk, als een gebroken man bij Mr. Geleijnse aan. Vooral de dreigende werkloosheid drukte hem zeer terneer. Hoewel hij het afkeurenswaardig vond, dat de heer V. d. Putten overhaast tot publikatie overging, was de vertrouwenskrisis tussen zijn cliënt en hem inmiddels opgelost. De heer v. d. Putten zag in, dat hij zijn eigen zaak onmogelijk kan behartigen, zodat Mr. Geleijnse voor hem blijft optreden, ook wanneer hij in beroep gaat bij het ambtenarengerecht, wat nog vóór Kerstmis zal plaats vinden. Vermoedelijk komt zijn zaak dan half februari bij dit gerecht in behandeling.

Daar het memorandum volledig in ons bezit is en wij dus niet op de pers behoeven af te gaan, zullen wij er enkele grepen uit doen met weglating van namen.

De heer Van der Putten vangt aan met de mededeling, dat hij In drieerlei onderscheiden kwaliteit in het voormalige Ned. Indië van o.m. door officieren gepleegde onregelmatigheden heeft kennis genomen, te weten:

a. vóór de oorlog als chef van de algemene werkplaats (speciaal machines) op de werkplaats L.T.D. 81 te Bandoeng.

b. als bestuurslid van de Bond van Burgerpersoneel In Militaire Inrichtingen (B.B.N.);

c. als hoofd mechanische afdeling van de centrale werkplaats, C.W. 90 van de L.T.D. te Bandoeng.

In opdracht van generaal Spoor, de toenmalige legerkommandant in Ned. Indië, waren de punten onder b en c onderzocht door een kommissie onder kolonel Huysmans. In het rapport dezer kommissie werd de juistheid van de ingediende klachten bevestigd. Hier volgen thans een paar feiten, welke onder a vallen en dus niet door de kommissie-Huysmans zijn onderzocht.

Eerste feit. Een kapitein had deel uitgemaakt van een kommissie tot aankoop in de Ver. Staten van onderdelen t.b.v. het tankkorps. Bij het uitbreken van de oorlog met Japan taleken op het kritieke moment alle onderdelen voor de taniks aanwezig te zijn, behalve de zo vitale verbindingspennen voor de tracks. Eigen werkkrachten hebben met grote moeite hierin kunnen voorzien. Deze werkkrachten hebben tegenover bedoelde kapitein hun ernstig misnoegen hierover geuit.

Tweede feit. In de werkplaats van L.T.D. 81 bevond zich als enig exemplaar in Z.O. Azië een speciale machinebatterij voor de seriefabrikage van pignon- en kroonwielen voor alle modellen voertuigen, welke zonder de bijbehorende dokumentatie en tabellarische gegevens praktisch niet bruikbaar was.

Deze dokumentatle en tabellarische gegevens heeft de heer v. d. Putten terstond na de kapitulatie veilig gesteld en verborgen om gebruik daarvan door de Japanners te voorkomen. Twee kapiteins bedreigden hem echter met aangifte bij de Kempeitai (dit was de Japanse Gestapo, red. De B.), waarop de heer v. d. Putten genoodzaakt was deze gegevens uit te leveren. Na de kapitulatie van Japan Is van dit feit door de heer Van der Putten bij de bevoegde autoriteiten aangifte gedaan, doch hierop is nooit meer iets gehoord.

Onder de feiten, behorend tot b., komen de volgende voor: 1. Personeel, dat gunstig bij stafofficieren aangeschreven stond, werd onverantwoord hoog ingepast, personeel dat de staf niet welgezind was, werd onverantwoord laag ingepast in de salarisschalen. In enkele gevallen werd gekonstateerd, dat vrouiwelljke personeelsleden dubbel salaris genoten, doordat zij bij bepaalde diensten tegelijk werden opgebracht. 2. Ernstige onregelmatigheden bij rijstverstrekking aan werknemers. Zo werd in enkele maanden tij ds 13000 kg rijst, welke aan werknemers was onthouden, op de zwarte markt verkocht.

3. Gouvemementsgelden, bestemd voor het oprichten van logeeroentra voor het burgerpersoneel e.d., werden door het dlrektoraat-generaal voor bouw en inrichting van partikuliere woningen besteed.

4. Gouvemementsgelden werden door het direktoraat-L.T.D. beschikbaar gesteld naar het heette om groente te kweken voor het personeel, dat echter geen groente er van zag, de gelden werden eveneens voor partikuliere doeleinden gebruikt;

5. Kasgelden van de L.T.D. werden voor partikuliere doeleinden gebruikt.

6. Grote hoeveelheden suiker, bestemd voor distributie onder de werknemers, werden op de zwarte markt verkocht.

Personen met een politiek besmette reputatie werden in voorname funkties bij de L.T.D. aangesteld. a. de heer X, zwager van kolonel IJ, was N.S.B.-er geweest en had zich tijdens de bezetting ernstig misdragen;

b. de heer Z, duidelijk blijk gevend van kommunlstische ssmipathieën;

c. de heer V, gehuwd met één der vooraanstaande vooroorlogse kommunisten;

d. De heer W, wegens kollaboratie met de Japanners gearresteerd en ontslagen bij de militaire luchtvaartdienst.

Het direktoraat L.T.D., op de hoogte van bovenvermelde feiten, volstond tot dan toe steeds met verwijdering van de klagers uit de dienst.

Na de oprichting van de B.B.N. keerde het direktoraat L.T.D. zich tegen het hoofdbestuur van de B.B.M., die was opgericht om het moreel te verhogen van het talrijke personeel, waaronder ontevredenheid en gegriefdheid heerste over handelingen, maatregelen en gedragingen van officieren en burger-funktionarissen van de L.T.D. en andere diensten. De heer Van der Putten, die aangesteld was bij de L.T.D., was derhalve als lid van voornoemd hoofdbestuur zeer kwetsbaar. Blijkbaar als voorbeeld van misnoegen onder het personeel wordt dan voorts in het memorandum het volgend geval vermeld: Een majoor, over wiens ontuchtig optreden bij herhaling door vrouwelijke personeelsleden was geklaagd, werd er op betrapt (niet nader te noemen verhouding, red. De B.) te hebben met een vrouwelijke inheemse werkkracht, werd voor enkele maanden met Europees verlof gezonden, om daarna in zijn vroegere funktie zijn werk te hervatten.

Na beklag over deze afwikkeling van zaken door de dienstleiding van hoger personeel en bestuur B.B.M. werd geantwoord met een sommatie tot zwijgen of andere maatregelen te riskeren.

Inmiddels bleek aan het hoofdbestuur B.B.M., dat generaal Spoor, kapitein Westerling in samenwerking met de justitiële afdeling M.P. met een onderzoek naar de onregelmatigheden en knoeierijen o.m. bij de L.T.D. had belast. Tevens, dat kapitein Westerling was belast met een onderzoek naar het onder verdachte omstandigheden overlijden van de inlichtingenofficier, vaandrig Aernout.

Hierbij zullen wij het laten om in een tweede en tegelijk laatste artikel nog enkele fragmenten uit het memorandum te vermelden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1961

De Banier | 8 Pagina's

Uit het Binnenland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken