Bekijk het origineel

Het Processieverbod gehandhaafd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het Processieverbod gehandhaafd

9 minuten leestijd

Belangrijk arrest van de Hoge Raad

Volgens een bepaling der grondwet is het houden van processies buiten de gebouwen en besloten plaatsen alleen geoorloofd in die gemeenten, waar dit vóór 1848 was toegelaten. In alle andere gemeenten was het derhalve na 1848 verboden om aldaar processies te doen plaats vinden. Vandaar dat Rome boven de Moerdijk slechts hier en daar processies kan houden, zoals te Laren, waar jaarlijks de z.g. St. Jansprocessie werd en nog steeds wordt gehouden.

Het is te begrijpen, dat deze grondwettelijke bepaling, of anders gezegd; dit processieverbod een doom in het oog van Rome is. Van roomskatholieke zijde is er dan ook al

heel wat in het werk gesteld om dit verbod uit de grondwet gelicht te krijgen. Omstreeks 1921 werd dit gedaan toen er onder de toenmalige koalitieregering voorstellen tot wijziging der grondwet werden ingediend, waarin de regering onder een r.k. minister-president ook deze kwestie betrok. Er rees toen echter in het land een krachtige oppositie tegen het voorstel, dat opheffing van het processieverbod inhield. Openbare vergaderingen werden er belegd, brochures werden uitgegeven o.a. door Dr. P. J. Kromsigt, hervormd predikant te Amsterdam en door Prof. G. Wisse. Zo schreef Dr. Kromsigt o.m.: „Waarlijk, hetiSTeëOS erg genoêgT" dat zulk een voorstel thans van regeringswege is ingediend. Van een roomse premier als minister Ruys de Beerenbrouck kon men zo iets verwachten, maar dat onze protestantse ministers, zowel chrisbelijk-historischen als antirevolutionairen en daaronder zelfs een oud-predikant, daarin hebben toegestemd, dat is ten zeerste te betreuren, en dit dient ook onomwonden uitgesproken te worden".

En wat Prof. Wisse betreft, deze wees er onder meer op, dat Rome's streven naar opheffing van het processieverbod een schakel is in de grote keten, welke Rome wil smeden om koninkrijken en volken, ook om ons volk. En voorts merkte hij ook nog op, dat die opheffing in het wezen der zaak het protestants karakter onzer natie zou te niet doen.

De opheffing van het processieverbod kwam in diezelfde tijd ook in de Tweede Kamer ter sprake, en daarbij bleek, dat men van antirevolutionaire zijde voor die opheffing was. De voorzitter der A.R. Tweede Kamer-fraktie, Mr. Rutgers, liet toierover in zijn rede geen twijfel bestaan, waarin maar weer duidelijk uitkwam, waartoe men komt als men beginselen voorstaat, welke in flagrante strijd zijn met het onverkorte artikel 36 der Nederlandse gereformeerde geloofsbelijdenis. Het desbetreffende voorstel der regering is echter ingetrokken, zodat het processieverbod bleef bestaan.

Na de oorlog werd van rooms-katholieke zijde echter wederom voortdurend op opheffing van dit verbod aangedrongen. Zelfs lazen wij eens in het r.k. weekblad „De Linie" een artikel over dit onderwerp, dat zuiver revolutionair was, doordat er in werd aangezet om het processieverbod te doorbreken en vrijelijk processies te doen houden in plaatsen waar dit tot dan toe niet geoorloofd was. Inderdaad werden in verscheidene plaatsen processies gehouden, waar deze vóór 1848 niet voorkwamen. Werd hiervan dan proces-verbaal opgemaakt, dan liep dit op vrijspraak uit, op grond hiervan, dat het bewijs niet kon geleverd worden, dat aldaar vóór 1848 geen processies plaats hadden.

Daarna werd een nieuw motief aangevoerd om het processieverbod krachteloos te ma/ken. Dit geschiedde naar aanleiding van een processie, welke in 1957 te Gteertruidenberg plaats vond. Hiervan werd proces-verbaal opgemaakt en op 13 februari 1958 heeft - deze zaak gediend voor de civiele kamer van de rechtbank te Breda tegen een drietal geestelijken, omdat zij het processie-verbod overtreden hadden. De rechtbank sprak hen echter vrij, evenals in hoger beroep, het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Hierna kwam de zaak in kassatie voor de Hoge Raad, die geen zuivere vrijspraak aanwezig achtte, en de zaak naar het hof te Arnhem verwees. Dit reohtskollege ontsloeg de drie geestelijken echter van rechtsvervolging, omdat het het desbetreffende artikel van de grondwet, na de inwerkingtreding van het verdrag van Rome, niet meer van kracht achtte. Dit ver-

ag^Devat namelijk een bepaling betreffende de bescherming van de rechten en de fundamentele vrijheden van de mens. De prokureur-generaal van het hof te Arnhem is echter van dit arrest in kassatie gegaan, zodat de Hoge Raad over deze zaak een uitspraak moest doen. De advokaat der r.k. priesters bracht daarbij naar voren, dat na de wijziging der grondwet in 1953 nadrukkelijk vast staat, dat nationale wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, wanneer zij ni«t verenigbaar zijn met alle verbindende bepalingen van een internationale overeenkomst, wat volgens hem ook geldt, wanneer dat nationale wettelijke voorschrift een grondwetsbepaling is.

Het was deiftialve van uitermate groot gewicht welke uitspraak de Hoge Raad zou doen. Met spanning werd er door velen naar uitgezien. Zou toch door deze uitspraak de advokaat der drie priesters in het gelijk gesteld worden, dan zou Rome triomferen. Dan zou voor haar de weg zijn gebaand om in heel Nederland beslag te leggen op het openbare leven, en daar gaan invoeren wat naar Gods Woord niet anders kan en mag worden genoemd dan afgoderij. In de processie toch wordt het misoffer ter aanbidding rond gedragen. Het is een wandelende mis. De ouwel, die naar Rome's leer veranderd zou zijn in Christus' lichaam, moet volgens haar op de straten openlijk aangebeden worden. Daar is het Rome om te doen. In 1921 schreef volgens het geschrift van Prof. Wisse, het r.k. dagblad , ., De Tijd", zinspelend op Amsterdam, het volgende:

„Het verlangen wordt algemeen, dat de ganse stad zich weer eerbiedig scharen gaat om het „wairdige sacrament".... dat rondgedragen wordt door de oude veste".

Hier wordt dus niet slechts gesproken van de rooms-katholieken, maar van de ganse stad. Wel wordt hier een verlangen uitgesproken, maar men kan er van op aan, dat wanneer de processies door de straten onzer steden en dorpen gaan, ook van de protestanten, belijdend of niet-belijdend, verlangd wordt, dat ze op zijn minst hun hoofddeksel afnemen als de processie hen voorbij trekt. De processie, aldus schreef Prof. Wisse, vraagt aandacht en.... eerbied, ja aanbidding. Wordt die niet gegeven, dan kunt ge iets beleven. Daarvan kan men getuige zijn ter plaatse of in landen waar processies zijn. Ontmoet ge als protestant zulk een processie, en ge zult, wat uw dure roeping voor God is, weigeren eerbewijzing te geven aan die „afgoderij", tien tegen één of de „verdraagzaamheid" leert ge kennen: men voegt u onaangename woorden toe of erger nog, men slaat u (voorbeelden kan ik ten bewijze brengen) de hoed soms over de oren.

Dit had dus kunnen gebeuren, wanneer de Hoge Raad zich had aangesloten bij het oordeel van het hof te Arnhem en derhalve het grondwettelijk processieverbod in strijd had verklaard met de ook door Nederland geratificeerde Europese konventie inzake de rechten van de mens. Een ogenblik leek

het alsof de Hoge Raad die kant zou uitgaan. Naar wij menen, wa< s het omstreeks midden november 1961, dat wij van Prof. Mr. Langemeijer, prokureiur-generaal bij de Hoge Raad, een betoog lazen, dat ons het ergste deed vrezen. Zulks temeer, omdat liberale persorganen, zoals b.v. de Nieuwe Rotterdamse Courant, zich met de uitspraak van het hof te Arnhem hadden verenigd, en zich voor de opheffing van het prooessievertood hadden uitgesproken, evenals Prof. Oud van de liberale V.V.D. zich enkele jaren geleden reeds als een voorstander van de opheffing van het processieverbod had doen kennen.

De Hoge Raad heeft onze vrees echter beschaamd, en tot grote verheugenis van alle rechtgeaarde protestanten het arrest van het gerechtshof te Arnhem vernietigd, alsmede ten aanzien van de eerste verdachte verklaard, dat deze in strijd met de wet heeft gehandeld wegens het leiden van de processie te Geertruidenberg.

De Hoge Raad overwoog in zijn kort geleden gewezen arrest, dat de rechter bevoegd is maatregelen van de nationale wetgever aan verdragen te toetsen, voor zover vrees voor onredelijkheid of maohtsmiisbruik kan bestaan. De vraag of beperking, neergelegd in artikel 184 van de grondwet, en die berust op de wil tot handhaving van de openbare orde, ten tijde van het tot stand komen van het artikel onredelijk is te achten, werd door de Hoge Raad ontkennend beantwoord. Eveneens werd ontkennend beantwoord de vraag of, thans, na ongeveer honderd jaar, handhaving van het artikel onredelijk zou zijn. De beperking heeft, aldus de Hoge Raad, Immers uitsluitend betrekking op handhaving van de openbare orde. De grondwetgever heeft al het mogelijke gedaan om het wekken van spanningen te vermij den, spanningen, die tot onregelmatigheden zouden kunnen leiden.

In een land als Nederland, aldus wordt in het arrest van de Hoge Raad voorts opgemerkt, met zijn zo zeer gemengde godsdienstige bevolking, kan de wetgever een maatregel, als vervat in artikel 184 van de grondwet, treffen tot handhaving van de openbare orde. Dit be­

hoeft niet onredelijk te worden geacht. De vrijheid van godsdienst, aldus de Hoge Raad, wordt hiermede niet aangetast, want er wordt geen godsdienst verboden, noch wordt een bepaalde bevolkingsgroep naar een schuilkerk of iets dergelijks verwezen.

Afweging van de belangen heeft derhalve geleid tot het treffen van een regeling, die uitsluitend beoogt de openbare orde te handhaven. De Hoge Raad heeft mitsdien het vonnis van het hof vernietigd en de verdachte uit de eerste van de drie zaken schuldig verklaard aan het begaan van een strafbaar feit.

De Hoge Raad heeft zich aizo uitsluitend gebaseerd bp de openbare orde, wat van hem ook wel niet anders kon worden verwacht. Het door ons voorgestane beginsel wordt door de Hoge Raad niet gedeeld, terwijl ook onze wetgeving niet van dat beginsel uitgaat en aan die wetgeving heeft de Hoge Raad zich te houden. Desniettemin is zijn uitspraak van grote waarde. Het is toch zeker niet denkbeeldig, dat er bij opheffing van het processieverbod hier en daar in ons land ernstige verstoring van de openbare orde zou kunnen optreden. Ja, het is zelfs zeer wel mogelijk, dat in gemeenten, waar processies tot nu toe totaal onbekend zijn, bij niet weinigen het oude geuzenbloed zo snel zou gaan stromen, dat tot geuzendaden werd overgegaan, wanneer aldaar een processie werd gehouden. In ieder geval is de kans zeer groot, dat, wanneer in zo'n plaats zich zou voordoen wat zo even uit het geschrift van Prof. Wisse werd vermeld, dat 'men namelijk van roomskatholieke zijde Iemand, die weigert eer te bewijzen aan wat onze vaderen de „broodgod" noemden, onaangename woorden zou toevoegen of hem de hoed over de oren zou slaan, er dan handgemeen en vechtpartijen zouden ontstaan, waardoor de openbare orde zou worden verstoord. Ook denken wij hierbij aan wat Prof. Dr. Miskotte, hoogleraar te Leiden vanwege de Ned. Herv. Kerk, omstreeks 1948 in verband met een eventuele opheffing van het processieverbod schreef, namelijk dit: „Hiertegen past slechts of emigreren of verzet tot het uiterste". Het arrest van de Hoge Raad stemt dan ook tot grote voldoening.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962

De Banier | 8 Pagina's

Het Processieverbod gehandhaafd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken