Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

En David zeide tot hem: Vrees niet, want Ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Toen hoog hij zich en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben? 2 Samuel 9 : 7—*

IV.

De grond is onbeweeglijk, en het gebouw zal blijven staan tot in en over de dood heen. En brengen wij dat nu eens over op dat volk, dat weer met God hersteld is in een onverbrekelijke gemeenschap uit kracht van een onveranderlijk verbond. Die hier in beginsel en straks in volkomenheid 'zullen genieten van des konings spijs aan des koningstafel voor des konings aangezicht. Dit is de rijkdom van het volk Gods, dat zij weer thuis komen. Hoever het geloof in de oefeningen ook moge achterblijven, en hoe zeer de ziel dit vaak te groot zal achten, Christus voert Zijn bruidsgemeente terug tot aan het liefdehart des Vaders.

Hoe menigmaal ook de vijand zijn boze plannen smede, om dit heil te niet te doen, gelijk Ziba Mefiboseth aanklaagde bij David, toch zal God Zijn volk nooit meer verstoten. Dat volk is gekocht, niet met goud of zilver, maar met de dure prijs van Christus' dierbaar bloed. Dat volk is in Zijn handpalmen gegraveerd. Niemand zal ze rukken uit de hand des Vaders. Gevoelen zij zich vaak ver van huis, ver van God en Zijn gemeenschap, eens komen ze daar, waar zij ten volle zullen genieten de diepe troost van de zalige gemeenschap met God. En als ze hier op aarde reeds door het geloof dit alles mogen aanschouwen, hoe breekt dan alle droefheid en bedruktheid af, en hoe zal dan slechts zalige verwondering en aanbidding overschieten.

Hoe zal dat volk de Heere ooit genoeg kunnen danken voor zulk een onuitsprekelijke genade. Hoe zullen zij woorden kunnen vinden om Hem te erkennen? Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? Wat diepe ootmoed vervult het hart van Gods kind bij zulke heilsweldaden. Dat zien wij afgebeeld in de houding van Mefiboseth, want zo lezen wij in het achtste vers: „Toen boog hij zich en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond als ik ben? "

Hierin zien wij een diep vernederd mens, die vol aanbidding van Gods goedheid voor David zich buigt. Hier zijn alle hoge bergen gedaald, en hier is alle ingebeelde eigenwaarde ten onder gebracht. Hier ligt een mens, die de dood verdiend had, en die het leven ontvangen heeft. Welk een lieflijke zaak. De mens, van prinselijke bloede en van koninklijke afkomst, zo diep vernederd, zo bukkend en buigend. Welk een heilige vermaking moet dat voor David geweest zijn. Welk een overwinning op het huis van Saul, dieper en breder dan het doden van velen.

Maar ook voor Mefiboseth strekt het tot eer, hij bewijst daardoor, dat hij zijn voorgaand gevaar gekend heeft, en dat hij gevoel heeft van de grootheid der zaak, die hem ten deel viel. Hij buigt niet uit bange vrees, maar uit dankbaarheid in diepe ootmoed, zich neder. Wij zien in hem een sobere oprechte belijder, die niet met woorden komt van menselijke wijsheid. Velen zijn zo omslachtig, zo optochtelij k, hier is eenvoud en soberheid. Slechts enkele woorden spreekt hij, maar ze zijn zeer diep van inhoud. Wat is uw knecht? Hij wil knecht zijn, en dat voor altijd. O, hij wil alles wat David wil, zijn eigen wil is verslonden. Hij heeft niets meer te willen, en hier is een trek, die al Gods volk kenmerkt.

Zij komen eens te staan gelijk Saulus op de weg naar Damaskus: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? " Hun trots is en wordt steeds meer en meer gebroken. Zij hebben een eerlijke, oprechte verwondering over het feit, dat God voor zulke diep ellendige zondaren zo goed, zo genadig wil wezen om Christus' wil. Dat gij hebt omgezien naar zulk een dode hond als ik ben. Ben hond was in Israël een onrein dier, een zwervend dier, dat leefde van hetgeen hem toegeworpen werd.

Nog werd onder Israël een heiden en een tollenaar een hond genoemd, gelijk de Kananese vrouw zichzelf bij een hondeke vergelijkt, die eet van de kruimels, die vallen van de tafel huns heren. Maar nog dieper hoort gij hem zijn geringheid belijden. Hij is in eigen ogen slechts een dode hond. Zo diep buigt zich de hooggeboren prins van koninklijk bloed. En toch, geen lieflijker beeld van de ware begenadigde is denkbaar.

Geen eerbied genoeg kunnen wij hebben voor zulk een vernederd schepsel. Aangenaam is zulk een in de ogen van God en mensen. God ziet in zo een Zijn eigen werk. Zijn almachtige genade. Aangenaam is zo iemand in de ogen van de Middelaar Jezus Christus, Die in diepe vernedering is voorgegaan, ten goede van de Zijnen, die er ook ervaring van hebben, wat het is om vernederd te worden. Ja zelfs voor de natuurlijke mens, want Gods werk is zo duidelijk waar te nemen in zulk een vernederd mens, het geeft een diepe afdruk in de ziel des mensen. En nu nog slechts een enkele vraag. Is ook ons leven in deze Mefiboseth getekend? Zijn wij van al onze natuurlijke hoogten afgebracht? Zijn wij ooit recht voor de Heere vernederd geworden? Want daar komt het op aan. God wederstaat de hovaardige, maar de nederige geeft Hij genade. En het vernederen is van God, zowel als het verhogen.

Van nature zijn wij hoogmoedige, rechthebbende schepselen. Maar genade maakt klein. Indien het maar echte, ware genade mag zijn. Velen kunnen wel denken vernederd te zijn, en praten er wel over, en stellen zich wel nederig aan, en toch straalt de zelfvoldaanheid in al hun redeneren door. Ware vernedering is wat anders. Dan heeft men geen stroom van woorden, o neen, slechts enkele, doch dan komen ze uit het hart, en dan geven zij het innerlijk getuigenis des Heiligen Geestes af. En van die ware vernedering is Gods volk geen vreemdeling. Er is in hun leven wat gebeurd, er is was gevoeld van de kracht der waarheid, die vernedering werkt. En dat niet eenmaal, maax telkens weer.

Maar altijd volgt op de vernedering het ontvangen van Gods weldadigheid. Want dat volk heeft een God, Die armen opricht uit het stof. En eenmaal mogen zij voor goed aanzitten aan des Konings tafel, en altijd zien het aangezicht huns Heeren. O, volk van God, bezie uw voorrecht. Onverdiende weldadigheid Gods is u ten deel gevallen. De wereld kent u niet, omdat gij van de wereld niet zijt, maar de Heere kent u, en zal Zich uwer niet schamen, al zijt gij In uzelf aangemerkt niet meer dan een dode hond.

Maar diep ongelukkig is elk, die daar gans buiten staat, zonder dat het recht beseft en ingezien wordt. De enige veilige weg voor dezulken zou zijn, dat de mens leerde roepen uit de diepte, vanwege diepe armoede in geestelijk opzicht, en dat men zich voor God neerwierp in het stof. De enige weg om Gods weldadigheid te ontvangen is de ware verootmoediging. Daartoe is Christus op aarde gekomen om in een weg van de diepste vernedering te voldoen aan Gods recht en genade te verwerven voor al Zijn volk. Dat leder vrage om ontdekkend licht, om een vernederd hart, voordat de tijd daar is, dat God de hovaardige zal wederstaan ten verderve. Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden door Gods Woord en Geest.

Rotterdam Ds. Chr. V. Dam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1962

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken