Bekijk het origineel

Begroting van Binnenlandse Zaken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Binnenlandse Zaken

21 minuten leestijd

Rede van de heer Kodde

Motie 1½ maal kiesdeler aangenomen

Bij de behandeling van de begroting van binnenlandse zaken kwamen een tweetal moties in behandeling en in stemming, welke beide als eerste ondertekenaar Mr. Beemink hadden. De eerste motie had betrekking op een kwestie, die reeds meerdere malen bij de Kamer in bespreking is geweest, namelijk hoeveel maal de kiesdeler een partij bij een Tweede Kamerverkiezing moet halen om voor de zetelverdeling in aanmerking te kunnen komen.

Reeds in 1933 kwam de antirevolutionaire minister De WUde met het voorstel om de eis te stellen van drie maal de kiesdeler. Een voorstel, dat kennelijk er op berekend was de S.O.P. uit de Kamer te voeren. Dit voorstel kon echter niet voldoende bijval in de Kamer vinden, zodat het werd terug genomen. In lange tijd werd er toen over deze kwestie in de Kamer niet gesproken, maar na de oorlog werd ze opnieuw ter tafel gebracht, en wel bij het voorstel tot uitbreiding van het aantal Kamerleden van 100 tot 150. Van de zijde der P.v.d.A. kwam toen het voorstel om, nu het aantal Kamerleden anderhalf maal zo groot werd, ook een aantal stemmen van anderhalf maal de kiesdeler, om bij de zetelverdeling te 'kunnen meedoen. Dit voors'tel werd toen echter verworpen. In 1958 bij de algemene beschouwingen over de rijksbegroting voor 1959 was 'het de heer Tilanus, die de onderhavige kwestie opnieuw ter sprake bracht. Wat hij voorstelde, was wel zeer ingrijpend. Hij wenste een nog forsere ingreep dan destijds minister De Wilde, door namelijk de eis te stellen dat een partij minstens 5 x de kiesdeler moest hebben om in de Tweede Kamer vertegenwoordig'cl te kunnen zijn. Dat hierbij de bedoeling was ook de S.G.P. te weren, behoeft niet betwijfeld te worden. Zijn voorstel vond echter niet voldoende steun. Nadien was het Mr. Beernink, die er steeds bij de regering op aan drong ten deze met een voorstel te komen. Minister Toxopeüs gaf echter verleden jaar reeds te kennen, dat hij voor zulk een maatregel niets gevoelde. Mr. Beernink verklaarde daarop, dat hij nader op de zaak zou terug komen, wat hij dan ook onlangs deed. Hij diende een motie 'in, waarin de regering werd verzocht de kieswet zodanig te wijzigen, dat daarin de bepaling van anderhalf maal de kiesdeler zou worden opgenomen. De minister ontraadde de aanvaarding dezer motie om verschillende redenen, onder meer omdat bij uitvoering er van de betreffende bepaling alleen zou gelden voor de Tweede Kamerverkiezing en niet voor die der andere kolleges. De motie werd echter gehandhaafd, zodat zij 'in stemming kwam. De uitslag was, dat de motie werd aangenomen met 102 tegen 29 stemmen. De S.G.P., de V.V.D., de P.S.P., 3 R.K. en 2 A.R. stemden tegen. De C.H. Kamerleden stemden allen voor, evenals het overgrote deel der R.K. en de P.v.d.A. Afgewacht moet nu worden of de minister deze motie zal uitvoeren of haar ter zijde zal leggen. De tweede motie van Mr. Beernink werd ingediend bij de behandeling van het tweede gedeelte dezer begroting, en had betrekking op de ambtenarensalarissen. Ook deze motie werd aangenomen, en wel met 72 tegen 59 stemmen. De K.V.P., de V.V.D. en twee C.H. stemden tegen, de overige frakties stemden alle voor. Na deze inleiding laten wij thans de rede volgen, welke door de heer Kodde namens de S.G.P.-fraktie bij het eerste gedeelte werd uitgesproken.

De heer Kodde sprak als volgt:

Mijnheer de voorzitter.

Zoeven is reeds gezegd, dat bij de behandeling van dit begrotingshoofdstuk verschUlende belangrijke onderwerpen aan de orde komen, en ik zal mij inderdaad moeten haasten om binnen de gestelde tijd door al die onderwerpen heen te komen. Bij de behandeling van de begroting van binnenlandse zaken voor het jaar 1961 heb ik reeds enige woorden gesproken over het decentralisatievraagstuk. Toen meende ik in hetgeen de minister in de memorie van antwoord mededeelde geen vooruitgang te zien op de weg naar de oplossing van dit probleem. Nu vangt de memorie van antwoord aan met de decentralisatie. Daaruit meen ik de konklusie te moeten trekken, dat er een ernstig streven is naar decentralisatie, alhoewel ik ook nu nog de mening heb, dat daaromtrent nog weinig vast staat. Immers, na de mededeling, dat het onderzoek tot de konklusie heeft geleid, dat in toet bijzonder de mogelijkheid van het afstoten van subsidietaken van het rijk naar provincies en gemeenten de aandacht verdient, volgt, afgezien van de weinige vastigheid, welke in die mededeling schuilt, de mededeling, dat de ministerraad zioh daaromtrent op korte termijn zal hebben te bera­ den. Vaststaand is er dus ook nu nog niets.

Omdat mijn tijd kort is, wil ik niet te lang bij dit vraagstuk stU staan, maar ik meen toch te moeten opmerken, dat het mij nog niet duidelijk is hoe het afstoten van subsidietaken zal kunnen leiden tot deoentralisatie, omdat" toöh niet mag worden verwacht, dat provincies en gemeenten met de tegenwoordige middelen veel van die taken kunnen overnemen en dat, als dan toch het rijk weer bijdragen zal moeten geven, het niet mogelijk lijkt dit te doen zonder bemoeiingen met het beleid inzake de subsidies.

Het spijt mij wel, dit te moeten stellen, want ook wij zullen gaarne zien, dat de meer lokale taken ook door de besturen van die gebieden zullen kunnen worden geregeld. Maar al te veel is er door de omstandigheden na de oorlog — en niet door die omstandigheden alleen, doch ook wel door het streven alles gelijk te doen zijn of te doen worden — veel van bovenaf geregeld, hetgeen niet alleen hogere kosten medebrengt, maar ook nog wel tot gevolg heeft, dat de regelingen stroef zijn en de belangen van hen, die daarbij zijn betrokken,

minder goed

zijn behandeld dan wanneer meer aan de lagere besturen was overgelaten, die dat wel niet beter kunnen, omdat zij meer bekwaamheden hebben, maar die dit beter doen, omdat zij de zaken van nabij zien en daardoor een beter inzicht hebben in het antwoord op de vraag, hoe het moet. Omdat bij de behandeling van een wijziging van de gemeentewet wel over het streven naar decentralisatie met betrekking tot het toezicht op de gemeentebesturen zal kunnen worden gesproken, wU ik nu volstaan met op te merken, dat naar mijn mening de decentralisatie niet is voortgesproten xiit het toezicht, zoals dit in de gem.eentewet is geregeld, maar dat het veel meer voorkomt uit het feit, dat er op schier alle terreinen rijksbemoeiingen zijn gekomen, met het gevolg, dat er diensten en andere organen in het leven zijn geroepen, welke menen alle handelingen te moeten nagaan en aan alle handelingen richting te moeten geven. Mijn mening is dan ook nu nog, dat er naar gestreefd zal moeten worden, dat het regelen aan de lagere besturen wordt overgelaten, en dat geen taken meer door de rijksoverheid worden uitgevoerd, welke door de provincies en de gemeenten verricht kunnen worden. Het op blz. 3 van de memorie van antwoord gestelde inzake het kamperen kan enige hoop geven. Gaarne hopen wij, dat het streven mag lelden tot meer vrijheid voor de lagere besturen en tot minder inmenging van bovenaf, zodat een gemeentebestuiu" zich niet steeds moet gaan teweer stellen tegen allerlei inmenging, die het beleid van een gemeentebestuur niet alleen wil doorkruisen, maar dit veelal geheel wil bepalen; andere instanties willen nu op de stoel van de gemeentebestuurders gaan zitten. Met de minister meen ik, dat het maken van bovengemeentelijke regelen niet iets algemeens kan zijn, maar dat geval voor geval dient te worden bezien. Daaraan wil Ik vastknopen, dat dan ook verwacht mag worden, dat de gevallen, waar­ in regeling ndoig is, inderdaad zullen worden bezien. Bijzonder aangenaam zal ons dat zijn, indien, zoals de minister schrijft:

„zich bepaalde gevallen kunnen voordoen, waarin andere maatregelen dan grenswijziging dit middel kunnen voorkomen en tot een effektievere oplossing zullen kunnen leiden".

Wij hopen, dat het resultaat daarvan er toe zal mogen leiden, dat er voor ons minder aanleiding zal zijn onze bezwaren tegen samenvoegingen van gemeenten naar voren te brengen, omdat er dan minder voorstellen zullen komen.

Omdat er bij eventuele voorstellen meestal wel gelegenheid is om onze mening kenbaar te maken, zal ik nu niet te lang bij het wijzigen van gemeentegrenzen en het samenvoegen van gemeenten stil staan. Wel wil ik er op aandringen, dat de voorstellen niet zo lang aanhangig blijven als nu wel het geval is, opdat er rust zij. Het zo lang aanhangig zijn is niet in het belang van de Ingezetenen en de besturen van de gemeenten. Met de minister kan ik instemmen, dat het niet juist is om bij wijze van amendement ingrijpende wijzigingen in een voorstel aan te brengen. Nadrukkelijk stel ik

„ingrijpende wijzigingen",

en daarbij doel ik op voorstellen, die er toe zouden leiden, dat grote delen van gemeenten bij andere zouden worden gevoegd, maar niet op een 'kleine verschuiving van een voorgestelde grens. Indien belangrijke wijzigingen worden nodig geacht, zal de gestelde procedure moeten worden gevolgd, ook al zal dat weer vertraging geven.

In verband hiermede wil ik gaarne de aandacht van de minister vragen voor een geval, dat nuj in de praktijk, bij het bezoeken van gemeenten, bij voorstellen tot grenswijziging betrokken, gebleken is, een geval, dat ik, nadat het verslag was uitgebracht, nog aan de minister heb gemeld. Bij het bezoek aan de gemeenten in het Land van Maas en Waal, in het bijzonder Dreumel en Appeltern, bleek mij, dat door het leggen — overigens op een m.i. niet onjuiste plaats — van een wetering de landmeter van het kadaster, belast met de verkavelingswerken, feitelijk bepaald had waar de gemeentegrens zou komen. Welke waarborgen hebben de gemeentebesturen dan? Het zal moeilijk zijn de gewone procedure te volgen, want er is geen ontwerp of voorstel. Het gaat ook uit van een orgaan, dat niet genoemd is. Toch heeft een dergelijke handeling invloed, misschien zelfs een beslissende invloed.

Nu kan worden gesteld, dat de minister en Gedeputeerde Staten zeker niet daaraan gebonden zijn, maar er kunnen toch wel feiten zijn, die ook moeilijk te negeren vallen. Te meer werd ik opmerkzaam op die zaak, omdat de landmeter zeide, dat die wetering in dat geval ook wel op een andere plaats had kunnen worden gelegd. Daardoor kunnen enige honderden hektaren gebied van een gemeente naar een andere overgaan. Het gaat mij om de naleving van de procedure, om het recht, dat aan de gemeentebesturen is verleend om van hun mening te doen blijken.

Nogmaals, in het onderhavige geval meen ik niet, dat de grens op een verkeerde plaats is gekomen, en bovendien waren er geen inwoners bij betrokken, maar het had ook anders kunnen uitvallen, ik vestig de aandacht van de minister •hierop en ik geloof, dat ik dit niet tevergeefs doe, want hij heeft meermalen gezegd, dat hij voor de belangen van de gemeentebesturen zou waken. In feite wordt in het door mij genoemde geval toch de grenswijziging niet door de daartoe aangewezenen bewerkt, althans beïnvloed, maar door anderen. Reeds hieruit blijkt, dat wij niet iedere grenswijziging afkeuren, zoals ook wel uit de feiten is gebleken. Ik wil echter nogmaals nadrukkelijk zeggen, dat ik een oplossing, die niet tot samenvoeging leidt, verkies boven een samenvoeging.

Omdat met samenvoeging dikwijls lange tijd gemoeid is en omdat deze samenvoeging gevolgen heeft, die moeilijk meer ongedaan zijn te maken, wil ik niet alleen de minister, maar ook de Kamer toeroepen: Bezint eer gij begint.

In dit verband wil ik nogmaals wijzen op de bezwaren, die er 'kunnen zijn, wanneer in gemeenten met het oog op een voorgenomen samenvoeging, waarnemende burgemeesters worden benoemd, vooral als daarmede 'als het ware wordt vooruit gelopen op die samenvoeging. Zo blij'kt uit het antwoord op vraag 15, dat er al een waarneming is gedurende 15 jaren. Juist in de gevallen, waarin samenvoeging in het vooruitzicht is gesteld, acht ik het van groot belang, dat een gemeente een eigen biirgemeester heeft. In dat geval zie ik liever een

waarnemer

uit de eigen gemeente benoemd, dan dat een burgemeester van een gemeente, welke met de andere zal worden samengevoegd — of waartoe dat voornemen bestaat — wordt aangewezen.

Reeds eerder heb ik er op gewezen, dat naar mijn mening een persoon, die burgemeester is van twee of meer gemeenten, in strijd kan komen met 'de door hem afgelegde eed of belofte, als de belangen van die 'gemeenten 'tegen elkaar botsen. Doch ook als er geen veranderingen worden overwogen, acht ik het niet van belang van de 'gemeenten, dat een persoon in meer dan één gemeente burgemeester is. Ook dan kan er strijd zijn, maar dat niet alleen. Ik meen, dat het gewenst is, dat de burgemeester niet alleen in de gemeente woont, maar dat hij daarin medeleeft om de behoeften te kennen. Zeker sta Ik niet voor, dat een biu-gemeester bij alle mogelijke of ook wel onmogelijke gevallen representatief optreedt, want dat gaat tegenwoordig wel zover, dat het ambt van de overheid daardoor in verachting komt, en zeker dat daardoor de overheid niet gezien wordt als Gods dienaresse.

Wel acht ik het gewenst, dat de burgemeester, 'door zelf als het ware in de samenleving te zijn opgenomen, de behoeften beter aanvoelt.

Met Instemming hebben wij kennis genomen van het antwoord van de minister op blz. 2 en 3 van de memorie van antwoord inzake een

wijziging van de kieswet

tot wering van vertegenwoordigers van kleine politieke groeperingen. Waarom, zo vragen wij ons af, mag de stem van een kleine groep buiten het partij verband van een grote groep niet tot uiting komen? Moet dan die mening maar niet tot uiting komen of wordt gemeend, dat die mening tot uiting kan komen doordat men zich dan maar aansluit bij een grote partij, die werkgemeenschappen toelaat? Is er dan voldoende vrijheid? Is het mogelijk dat te doen, als het beginsel, dat de veelheid voorstaat, door die kleine groep niet wordt gedeeld? In hoeverre kan dan nog van een homogene groep worden gesproken? Het lijkt mij een vreemde gedachte, als er anderzijds zo hoog van de demokratie wordt opgegeven.

Het antwoord op vragen inzake de basis van het financieel beleid op blz. 6 heeft toch wel een bedenkelijke zijde. Immers, er wordt gesteld, dat de aanwijzingen per cirkulaire zijn verstrekt. Het is beter, dat er aanwijzingen zijn verstrekt dan dat niets was gedaan, maar het is bedenkelijk, dat het op die wijze moest worden gedaan. Dat maakt de gemeentebesturen maar weer afhankelijk. Het lijkt mij niet bevorderlijk voor de zelfstandigheid en ook wel centraliserend te werken.

De intrekking van de provinciale subsidies in de kosten van de verpleging van geesteszieken is een gevolg van de regeling financiële ver*houding tussen rijk en gemeenten, omdat de provinciale besturen menen, dat zij, door de subsidie te geven, niet meer de gemeenten, maar het rijk subsidiëren. Het is begrijpelijk, dat de minister er niet voor voelt kompensatie te geven, maar de vraag is wel, of dan weer geen andere belangen in het gedrang komen. Wat de openbare orde betreft, wil ik eerst aandacht vragen voor de

politiedienst.

Op blz. 7 erkent de minister, dat er in het zomerseizoen moeilijkheden zijn. De minister wijst ook naar een middel om die moeilijkheden te verminderen. Het kan zeker onze instemming hebben dat er naar gestreefd wordt de festiviteiten te beperken, niet alleen in het zomerseizoen, maar ook in andere tijden. Wij vrezen echter, dat de goede raad van de minister weinig zal uitwerken, want het streven is er toch bij velen om juist tijdens het zomerseizoen door allerlei festiviteiten publiek te lokken. De een wil daarbij voor de ander niet onderdoen. Indien autoriteiten geen medewerking willen verlenen, worden zij bestempeld als mensen, die geen oog hebben voor belangen van het vreemdelingenverkeer, voor de noodzaak dat er toch wat vertier is, en voor de inkomsten, welke de ne-' ringdoenden daaruit verkrijgen. Vooral festiviteiten op de dag des Heeren trekken veel publiek en eisen veel toezicht van de politie. Om die reden willen wij de minister verzoeken, met alle hem ten dienste staande middelen het houden van festiviteiten op zondagen tegen te gaan. Daardoor zou het Goddelijk gebod meer worden nageleefd en zou er minder werk voor de politie zijn. Naar mijn mening is door het genoemde wel een van de oorzaken gemeld, maar acht ik toch niet alle en zeker niet de grondoorzaken van het tekort aan politiepersoneel aangegeven.

Eén der oorzaken, zo niet dè oorzaak, acht ik te zijn, dat de politiedienst te veel van bovenaf geregeld wordt. Laat men ook hier decentraliseren.

De politieman op de kleine plaatsen is te veel aan een schema van dienst doen onderworpen, terwijl het in die plaatsen er op aankomt, dat hij kan en moet zijn waar het nodig is. De vraag is: laat het hem opgelegde schema dat wel toe? In sprekende gevallen zal hij zeker kunnen en moeten afwijken van een schema, maar is hij bevoegd zulks te doen, als hij door zijn waarnemingen vermoedt, dat er dingen zullen gebeuren, welke af te keuren zijn, doch die juist door zijn tegenwoordigheid te juister tijd en plaatse niet tot uiting komen? Dan heeft hij geen bewijs waarom hij afwijken moest, want er gebeurde niets. Maar als de taak wordt gezien als een voorkomen van overtreding of misdaad, dan meen ik, dat een politieman, die, laat ik maar stellen door zijn goed speurdersoog of - gevoel, meent te moeten afwijken en daardoor onjuistheden voorkomt, zeer goed werkt en er ook aan medewerkt, dat met minder personeel meer bereikt wordt. Het kan ook de politiedienst meer aantrekkelijk maken, als er meer eigen initiatief kan worden ontwikkeld.

Om die reden kan ik het standpunt van de minister niet delen, dat een gelijk optreden van gemeente- en rijkspolitie in één gemeente niet praktisch zou zijn. In vroegere jaren ging dat wel. En zal er weleens iets geweest zijn, dat de verhoudingen minder goed maakte •— daarvoor zijn het mensen en ook maar mensen — toch kan ik mij niet herinneren er in de praktijk van mijn leven op te zijn gestuit. Integendeel, de een vulde de ander aan. Er was overleg, maar primair bleef de verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid bij het hoofd van de plaatselijke politie, die, des nodig, wel een beroep deed op de medewerking van rijkspolitie en ook wel van de marechaussee. Er is wel veel veranderd, maar ik kan niet inzien, dat er ook nu als het ware een konflikstof zou zijn, waardoor het samen toezicht houden niet mogelijk zal zijn en niet tot verbetering zal aanleiding geven.

Er werd in vroegere tijden wel eens gesproken over een nummertjesjagerij, maar ik meen dat wij nu moeten klagen, dat er zoveel plaats heeft, dat niet mag en waarop geen bekeuring volgt, omdat er niet voldoende politiemannen zijn. Tegen een aanvulling van het korps met personen, die pas 18 jaar oud zijn, staan wij wel zeer gereserveerd. Het is toch niet alleen het aantal, maar ook wel het overwicht in optreden, dat van belang kan zijn, en het is toch wel te vrezen, dat slechts enkelen dat op jongere leeftijd hebben. Wij hebben meer verwachting van een aantrekkelijker maken van de dienst door meer gelegenheid te geven tot eigen initiatief en ook door de politie niet af te remmen in de uitoefening van haar taak door het steunen van de kritiek, die zij ondervindt, als er eens een tik wordt gegeven, die wat aankomt. Mijnheer de voorzitter. De

verhouding

tussen de burgemeester als hoofd van de plaatselijke politie en de kommandanten van de rijkspolitie is nog niet ieder duidelijk, zoals In de praktijk wel blijkt. In de memorie van antwoord op dit begrotingshoofdstuk verwijst de minister naar het antwoord op een vraag In stuk 5939 (wijziging politiewet) en in de memorie van antwoord daarop wordt gesteld, dat de vragen daaromtrent bulten het wetsontwerp staan.

Het antwoord in stuk 5939, nr. 5, heeft niet beantwoord de vraag, die bij mij is gerezen. Organisatorisch is het wel duidelijk, dat de leiding van het personeel bij de kommandant van de rijkspolitie berust. Maar — en dat is de vraag — staat de kommandant van de rijkspolitie in de uitoefening van de taak van politietoezicht onder de burgemeester als hoofd van de plaatselijke politie, ja dan neen? Wie is er verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid? Is dat de burgemeester? Of is dat de kommandant van de rijkspolitie? Het gaat dus niet om de organisatorische, maar om de gezagsverhouding. Op dit gebied is er, naar ik meen, wel twijfel. Wat de bescherming bevolking betreft, achten wij, dat nog veel gedaan moet worden. Onze bevolking is zodanig voorgelicht door verschillende bladen, dat er ne-iging is te gaan menen, dat toch niets helpt. En inderdaad, als de vreselijke wapens, welke er zijn, worden gebruikt, dan lijkt het wel, dat er niets kan helpen. Toch achten wij die instelling onjuist.

Wij keuren het geven van richtlijnen niet af, maar hadden het beter geacht, dat niet alleen was gewezen op wat nodig is te doen, maar ook op de noodzaak om af te laten van de zonden en in verootmoediging tot God de toevlucht te nemen. Immers, die God bewaart is weltaewaard en heeft geen smart te vrezen. Indien er dan niet sprake mocht zijn van een paniekstemming — de minister spreekt dat tegen — dan zou het beter geweest zijn, als ons volk eens in vreze geraakt, omdat Nederland God verlaten heeft en daarom smart op smart heeft te vrezen. In het houden van Gods geboden is grote loon, zowel voor een persoon als voor een land en volk.

Wij keuren niet af, dat wordt opgewekt om in eigen woning een schuilplaats te maken, maar vragen ons wel af, of dat bij de tegenwoordige inrichting van de woningen wel goed mogelijk is. Vooral bij de flats zal dat toch wel grote moeilijkheden medebrengen. Nu mag de minister op blz. 8 onderaan en 9 bovenaan er op wijzen, dat bij de bouw van openbare schuilgelegenheden er een grote kans is, dat achter de feiten wordt aangelopen, maar dan rijst de vraag: geldt dat dan ook niet voor een partikulier? Hoe staat het met de opslag van voorraden, indien gebieden zodanig worden getroffen, dat de levensmiddelen daardoor onbruikbaar zullen zijn? Er zal dan toch van overheidswege wat gedaan moeten worden. Het vertrouwen, dat de minister in ons volk heeft betreffende de geestelijke weerstand, kunnen wij niet delen. Ook wij willen geen voedsel geven aan defaitisme, maar wij willen er wel op wijzen, dat, als het er werkelijk op aankomt, er meer nodig is dan een door verstandelijk overleg gevormde mening, dat het nog wel zal meevallen. Dan steunt de mens op een mens, die gering is van vermogen en die geen kracht heeft om te helpen. Geestelijke weerstand zal alleen verkregen worden door af te zien van zichzelf en van de mens en door

in grenade het oog: op God

gericht te hebben. Die in nood en dood uitkomst geven kan. Inzake de verspreide onderwerpen moet ik om des tij ds wille kort zijn. Met de minister zijn wij van mening, dat verschrijvingen ernstig zijn, niet alleen in de gevolgen, maar ook in de daad. Wel vrezen wij, dat er overheidsmaatregelen zijn, die verschrijvingen meer in de hand werken dan tegengaan. Daarbij doel ik er op, dat te weinig mogelijkheid wordt gelaten om, indien handelingen nodig blijken, die te kunnen doen binnen het raam van het toegelatene. Schier voor alles is vergunning nodig. Het wordt soms wel zo eng, dat om het leven doorgang te laten vinden helaas bulten het raam van de bepalingen moet worden gehandeld. Dit is een feit, dat bij het denken aan decentralisatie zeker de aandacht eist.

Inzake het antwoord op vraag 65 moet ik mededelen de mening van de minister niet te kunnen delen. In de aankondigingen zit reeds een prikkel om zaken te gaan bezien, die de mens zeker niet brengen tot God, maar hem van God afleiden. Ik doel hier op de aankondigingen van de bioskopen. Wilde taferelen worden aangekondigd, zoals ik wel zie, als ik mij door deze stad begeef.

Nu meldt de minister wel, dat er verschillend kan worden geoordeeld over de vraag of daarvan in toenemende mate een verderfelijke invloed uitgaat, maar ik wil er toch wel met nadruk op wijzen, dat wij niet verantwoord zijn met te wijzen op wat door verschil van mening zo ongeveer het gemiddelde van die meningen is, maar dat wij verantwoordelijk zijn voor onze daden tegenover God. De baldadigheid, om maar van geen erger dingen te spreken, neemt gestaag toe.

Rekening houdende met wat de mens is geworden in de zondeval, is er voor de overheid een taak om beteugelend op te treden. God stelde na de zondeval de burgerlijke overheid in, en dat om te waken tegen het kwade. Naar onze opvatting, die geheel overeenkomstig Gods Woord is, heeft de overheid een roeping om ook het kwaad, dat de bioskoopvoorstellingen veroorzaken, tegen te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Binnenlandse Zaken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken