Bekijk het origineel

De Mammoet-wet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Mammoet-wet

18 minuten leestijd

Rede van Ir. van Dis

n.

In het eerste gedeelte van de rede over de mammoetwet werd gewezen op de vele bezwaren, verbonden aan het onderbrengen van zo zeer verschillende vormen van onderwijs tn één wetsontwerp. Voorts werd aan de hand van uitspraken van onderwij sinstanties en onderwijsdeskundigen het onderbrengen 'bepleit in afzonderlijke wetsontwerpen. Gewezen wend voorts op de •allerbeste vemieuwing van het onderwijs, namelijk deze, dat heel het onderwijs gesteld wordt op de basis van Gods Woord, zoals het 'geval was in de tijd der Reformatie tot aan de Franse revolutie. Vervolgens werd stil gestaan bij de sohoolstrij'd uit de vorige eeuw, toen Mr. Groen van Prinsterer en de zijnen een zware strijd hebben gevoerd voor 'de vrij'heid van onderwijs, 'door deze staat^nan genoemd een recht, dat de overheid niet aan de 'bijzondere school mocht onthouden. Hoewel de grondwetsherziening van 1848 de vrijheid voor het oprichten van bijzondere scholen bracht, bleef de onbillijke toestand bestaan, dat de

ouders, die voor hun kinderen onderwijs begeerden, waarbij Gods Woord als richtsn'oer gold, moesten medehelpen het openbaar onderwijs te bekostigen, terwijl zij bovendien het 'bijzonder onderwijs zelf moesten betalen, wat tot gevolg had, 'dat er maar weinig bijzondere scholen werden opgericht. Dientengevolge werd de strijd voortgezet, welke in 1917 beslecht werd met de z.g. pacifikatie, waardoor de financiële gelijkstelling van het openbaar en het bijzonder onderwijs verkregen werd.

Hierna werd 'de Inhoud van de mammoetwet aan het pacififcatiebeglnsel getoetst, waarbij werd gekonstateerd, dat de vrijheid van onderwijs bij dit wetsontwerp wel zeer sterk in 'het gedrang komt, doordat de regelingen, welke door de overheid ten aanzien van het openbaar onderwijs worden 'gesteld 'in het mammoetontwerp, vrijwel alle 'Oök op het bijzonder on- 'derwijs van toepassing zijn. Het bijzonder onderwijs wordt zodoende voorwerp van regeling bij de wet. Daartegen rees in de kT'ingen van het bijzonder onderwijs sterk verzet, wat met voorbeelden werd toegelioht.

Vervolgens werd er op gewezen, dat in 'het wetsontwerp een streven naar dirigisme valt waar te nemen, tot uiting tomend in artikel 3 van het wetsontwerp, waarin het gaat over het Instellen van maatschappelijke organen. In arttkel 3 wordt aan deze orgaunen nog wel slechts een adviserende funfctie toegekend, maar van r.k. zijde heeft men zeer duidelijk te kennen 'gegeven, dat men aan deze organen verordenende bevoegdheid wenst verleend te zien, dus zoals dat bij de publiekrechterlijke bedrijfsorganisatie (P.B.O.) het geval is. Als dit verwezenlijkt zou worden, zouden deze organen ten aanzien van het onderwijs, ook van 'het bijzonder onderwijs, maatregelen kunnen nemien, die met de vrijheid van het bijzonder onderwijs in strijd zijn. De minister heeft wel verklaard, dat hij er niet aan denkt deze organen verordenende bevoegdheid te geven, en ze uitsluitend als adviserende instanties in zijn wetsontwerp heeft opgenomen, maar men gevoelt, dat als men een stap in deze rlohting gaat, het na verloop van tijd tot een volgende stap komt.

In verband met de zoeven genoemde kwestie kwam de vraag aan de orde of de minister zich bij de samenstelling van het mammoetontwerp wellicht heeft laten leiden door de rooms-kathoUeke staatsopvatting. Een vraag, die ook al door anderen was gesteld, en zodanig werd beantwoord, dat men wel tot de konklusie moet komen, dat het wetsontwerp maar al te zeer in het teken staat van de rooms-katholieke staatsleer. Ir, van Dis noemde in dit verband de namen van Mr. Oosterhof en de heer Van Enk te A, 5sen, beiden voorstanders van liet bijzonder onderwijs, alsmede van Dr. Huibregtse, voorstander van het openbaar onderwijs.

Nog een zeer gewichtig punt was de kwestie van de gelijksoortigheid van scholen. De minister Interumpeerde de heer Van Dis wel, zeggende, dat het niet reëel was te onderstellen, dat zou worden uitgegaan van de gedachte, dat alle protestants-christelijke scholen gelijksoortig zijn, en dat spreker met de werkelijkheid moest rekening houden, maar dit stelt ons allerminst gerust. In zijn minstens 6 uur dxirende rede ging de minister niet nader in, maar een duidelijke verklaring van zijn kant achten wij toch wel nodig. Bij de replieken zal hierop dan ook nog wel warden terug gekomen. Om thans echter niet verder op het tweede gedeelte der rede vooruit te lopen, zullen wij het bij deze inleiding laten en thans het vervolg der rede geven,

Ir. van Dis vervolgde zijn rede aldus:

Mijnheer de voorzitter.

Gezien de gehele opzet van het wetsontwerp, waarin duidelijk tot uitdrukking komt het streven naar een overheidsdirigisme, alsm.ede naar een dirigisme van overkoepelende organen met verordenende bevoegdheden, waarbij de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs van bovenaf volgens een vast plan in bepaalde banen wordt geleid, behoeft het niet te verwonderen, dat wij ons afvragen, of de minister zich in deze materie wellicht heeft laten leiden door de

rooms-katholieke staatsopvatting.

Volgens deze staatsopvatting toch is het te verklaren, dat de minister wel de vrijtieid van richting wil waarborgen, omdat hierbij de godsdienst, dus de kerk, betrokken is, maar voor het overige aan de staat een grotere macht ten aanzien van het onderwijs, ook al is dit bijzonder ondenvijs, wil toegekend zien. In hoofdstuk II van de memorie van toelichting komen namelijk passages voor, die 'Ook te vinden zijn in de encycliek „Divini Illius Magistri" van 1929, .

De heer Cals, minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen: Wilt u die precies aangeven? De heer Van Dis (S.G.P.): Ik zal dat bij de replieken doen.

De heer Cals, minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen: Ik had gaarne, dat u dat nu deed, dan zou ik u op dit punt kunnen antwoorden. De heer Van Dis (S.G.P.): Ik zal dat bij de replieken doen, en dan kunt u mij antwoorden. .. waarin paus Plus XI het heeft over de christelijke opvoeding der jeugd. Het was

Mr. Oosterhof,

die in 1960 in een artikel over de „Vrijheid van onderwijs in het wetsontwerp Voortgezet Onderwijs" hierop de aandacht vestigde en daarin o.m. als zijn mening uitsprak, dat men zich niet onttrekken kan aan de indruk, dat dit wetsontwerp zoal niet geheel dan toch in belangrijke mate naar zijn opzet en uitwerking onder de Invloed van de traditionele roomskatholieke staatsbeschouwlng heeft gestaan. Ook de heer

Van Enk

te Assen heeft over deze kant van de zaak in zijn aan de Ramer toegezonden brotóhure enige opmerkingen gemaakt, o.a. op blz. 13 deze, dat het rooms-katholieke beginsel van subsidiariteit een grotere invloed van de overheid op ons onderwijs toelaat dan in de grondwet is aangegeven, en voorts, dat dit beginsel afhankelijk is van de omstandigheden en uiteindelijk wordt bepaald door de belangen van de rooms-katholieke kerk. Wel werd hieraan door hem toegevoegd, 'dat van dit laatste in het wetsontwerp niets te vinden is en dat hij niet wil beweren, dat de minister zich door die belangen heeft laten leiden, maar wel, dat hij hiermede kort wilde aangeven tn welk gedachtenklimaat de memorie van toelichting is geboren. Ook

Dr. Huibregtse,

voorzitter van het Genootschap van Leraren aan Nederlandse gymnasia en lycea, dus een vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs, heeft in verband met wat in artikel 3 van het wetsontwerp inzake de maatschappelijke organen wordt bepaald, de aandacht gevestigd op het subsidiariteitsbeginsel, dat aan de rooms-katholieke staatsleer ten grondslag ligt. Hij wijst er daarbij op, dat de roomskatholieke politici het onderwijs tot een schap wülen maken, dat wil dus zeggen: tot een publiekrechtelijk orgaan, zoals wij die kennen bij de publiekrechtelijke" bedrijfsorganisatie. Hoewel Dr. Huibregtse, zoals werd opgemerkt, aan het openbaar onderwijs verbonden is, wordt door hem ten aanzien van een dergelijke ontwilkkeling verklaard, dat zij in genen dele tn overeenstemming is met de diepste overtuigingen, die ten aanzien van de grondvrijheden van gezin en school in de kringen van het protestants-dteistelijk onderwijs leven. Wat het openbaar onderwijs betreft, bleek Dr. Huibregtse hiervan overigens ook al een tegenstander te zijn, verklarende, dat de 'beheersvorm als geschetst in artikel 3 van het wetsontwerp het openbaar onderwijs als niet gecategoriseerde tak van onderwijs denatureert en voorts, dat deze beheersvorm in strijd is met het wezenlijke karakter van het openbaar onderwijs voor zover het de ouders betreft.

Mijnheer de voorzitter. Dat de minister met dit wetsontwerp is gekomen, moet voor de voorstanders van het bijzonder protestantsohristelijk onderwijs wel een grote

ontnuchtering

zijn geweest. Jaren achtereen tocli hebben zij, n.l. de anti-Tevolutionadren en de christelijk-flilstolrischen, in het verleden met de rooms-katholieken tegen de M'beralen en andere vrijzinnigen schouder aan schouder gestaan In de strijd voor de bijzondere school en thans is het een rooms^katholiek minister, die een wetsontwerp voorstelt, waarin de vrijheid van onderwijs in wezen wordt aangetast.

In meerdere publikaties is door voorstanders van het bijzonder christelijk onderwijs van deze teleurstelling blijk gegeven. Om slechts een enkel voorbeeld te noemen, zij gewezen op de artikelen van Dr. la Fleur in het dagblad „Trouw" van 10 en 15 maart, waarin hij opmerkt, dat het mammoetontwerp bij nader Inzien helaas onthult een scheiding der geesten onder hen, die in het verleden gezamenlijk hebben gestreden voor de vrijheid van het bijzonder onderwijs en voorts, dat met dit wetsontwerp en de toelichtingen daarop zowel van de minister als van andere rooms-katholieke zijde, n.l. de nieuwe direkteur van het rooms-katholiek centraal btireau voor onderwijs en opvoeding. Mr. Schelfhout, het bewijs Is geleverd van de stelling, dat wij van onze vroegere

roomse medestanders

in de strijd voor de vrijheid van onderwijs in de huidige strijd voor de handhaving van die vrijheid niets meer te verwachten hebben. Ter verklaring hiervan was Dr. la Fleur al evenzeer geneigd aan te nemen, dat hierbij sprake is, zoals hij dit woordelijk schreef, van een typisch beginsel van rooms-katho- Meke staatkunde.

Dat deze ontnuchtering, deze teleiirstelling op de een of andere tijd zou komen, verwondert ons in genen dele. Onzerzijds is hiervoor steeds gewaarschuwd, doch men wilde daaraan geen gehoor geven. De gevaren, die dit wetsontwerp voor het bijzonder onderwijs verbergt, zullen voorlopig nog geen voor het onderwijs nodige maatregelen tot gevolg hebben. Voordat het ontwerp — indien het door de beide Kamers der Staten-Generaal wordt aangenomen — 'rechtskracht verkrijgt, zal er eerst nog een wettelijke regeling van het overgangsrecht moeten komen, wat nog jaren kan duren, maar de gevaren voor de toekomst blijven bestaan. Mijnheer de voorzitter. Ik merkte reeds op, dat een der grote bezwaren tegen dit wetsontwerp voor ons is, dat er zoveel in wordt overgelaten aan nadere regeling bij algemene maatregel van 'bestuur of bij

Koninklijke besluiten,

die weer gevolgd kunnen worden door uitvoeringsbesluiten. Wel is in het gewijzigd ontwerp van wet de delegatie van bevoegdheden aan de 'kroon enigermate ingeperkt, maar wij achten dit nog onvoldoende. De minister beroept zich er op, dat ook in andere wetten delegaties voorkomen, maar wij menen, dat de minister 'hiermede niet sterk, ja zelfs zwak staat. Zien wij b.v. naar de nijverheidsonderwijswet, waarbij In omvangrijke mate van de delegatie gebruik wordt gemaakt, dan is bekend, dat juist deswege tegen deze wet zeer ernstige grieven bestaan. Ook de middelbaar- en hoger onderwijswetten bevatten vrij veel delegaties, maar dit zijn oude wetten, terwijl het bij het mammoetontwerp gaat om een nieuwe wet, waarin geheel nieuwe schooltypen, zoals 'het m.a.v.o. en het h.a.v.o. in het leven worden geroepen, zonder dat de wet duidelijk aangeeft hoe de aard en de inhoud ervan zal zijn.

De heer Cals, minister van onderwijs, kunsten en wetenBChai)pen: Dat was ook ^het geval toen de middelbaar onderwijswet tot stand kwam.

De heer Van Dis (S.G.P.): Ik vertrouw, dat de minister straks, wanneer hij spreekt, mij ook hierop wel nader zal antwoorden. Ook ten aanzien van het

beroepsonderwijs

laat het mammoetontwerp ons in volslagen duisternis, doordat slechts een opsomming wordt gegeven van de verschillende schooltypen. Er bestaan derhalve bij ons nog zeer ernstige bezwaren tegen de in 'het gewijzigde wetsontwerp voorkomende delegaties. Wij zijn van oordeel, dat hierdoor de rechtszekerheid in het gedrang komt en dat de deur voor partijdigheid wagenwijd wordt open gezet. Wij zijn van gevoelen, dat dit niet overeenkomt met de grondwet, alsmede tn strijd is met ons historisch gegroeide onderwijsbestel, terwijl er de mogelijMieid door woi-dt geopend, dat de overheid op het bijzonder onderwijs bijna even grote invloed verkrij'gt als op het openbaar onderwijs. Ook het ontbreken van het zoeven genoenade overgangsrecht is voor ons een groot bezwaar tegen het wetsontwerp.

In de memorie van antwoord heeft de mlniS'ter aangaande dit recht wel enige toezeggingen gedaan, o.m. dat 'het wetsontwerp pas van kracht wordt als het nog te ontwerpen overgangsrecht tot wet wordt, maar dit schenkt ons toch niet de nodige voldoening. Wij zijn dan ook van oordeel, dat eerst het overgangsrecht bekend moet zijn, voor en aleer over een wetsontwerp door de Kamer een beslissing kan worden genomen. Dit klemt in dit 'geval wel zeer sterk nu er ten aanzien van verscheidene schooltypen aoals h.b.s., u.l.o. en het beroepsonderwijs, zulke ingrijpende wijzigingen worden voorgesteld. Wat zal er b.v. met de 'bestaande

hogereburgerscholen

worden gediaan? Wordt elke h.b.s. een atheneum of een h.a.v.o.scihool of beide? Het antwoord op deze vraag tó van grote betekenis. Wanneer toch een h.b.s. in een bepaalde plaats moet omgevormd worden in een h.a.v.o.-school, dan kan dit ten gevolge hebben, dat In deze plaats de mogelijkheid voor het volgen van voorbereidend wetenschappeüik onderwijs verdwijnt; een nieuwe school om in die behoefte te voorzien zal dan de moeilijke weg van de planprocedure moeten volgen. Het wetsontwerp laat ons derhalve wegens het ontbreken van het overgangsrecht finaal in het duister. Ook met het oog op de bestaande scholen, die niet voldoen aan de door het wetsontwerp gestelde eisen, is het ontbreken van een overgangsregeling een ernstige leemte. Mijnheer de voorzitter. Zoeven werd door mij het u.l.o.

genoemd. Dit onderwijs voorziet in een grote behoefte, wat wel daaruit blijkt, dat er dit jaar ongeveer 250.000 kandidaten voor het u.l.o.examen zijn. Door dit schooltype onder het m.a.v.o. te brengen, vervalt het z.g. automatisme en daarmede het subsidie, tenzij de school aan de gestelde getalsnormen voldoet of in het driejarenplan is opgenomen, omdat zij aan een redelijke behoefte voldoet, ook al liggen de aantallen leerlingen beneden de gestelde getalsnormen. In het laatste geval echter hangt het bestaan der school geheel af van departementale beshssiin'gen, waarbij het gevaar van willekeur niiet is uitgesloten. Hiertegen bestaan bij ons zeer ernstige bezwaren. Wij zijn van mening, dat In de thans geldende regeling van oprichting van u.l.o.-scholen, aJsmede van v.g.l.o.-scholen, geen wijziging behoort te worden gebracht. Wat in het wetsontwerp wordt voorgesteld, druist in tegen de vrijheid van onderwijs, wat wel in het bijzonder nadelig is voor kleinere groepen van de bevolking. Voor deze groepen wordt de vrijheid van onderwijs tot een utopie gemaakt. Volgens artikel 63, lid 3, van het wetsontwerp mogen namelijk voor het stichten van scholen niet in aanmerking worden genomen de leerlingen, voor wie binnen redelijke afstand plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een

gelijksoortige school,

waar het verlangde onderwijs wordt gegeven. Ook wanneer het gaat over de opheffing van scholen, zal volgens het wetsontwerp de kwestie van gelijksoortigheid een rol spelen. Wanneer nu wordt uitgegaan van de gedachte, dat alle protestantsohristelij'ke scholen gelijksoortig zijn, dan moet hiertegen door ons zeer ernstig bezwaar worden ingebracht. De heer Cals, minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen: Dit is niet meer reëel, mijnheer de voorzitter. De heer Van Dis (S.G.P.): Wij 'betreuren het wel, mijnheer de voor­ zitter, dat dit niet 'het geval is, maar wij hebben met de werkelijkheid rekening te houden. De heer Cals, minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen: Doet u dit dan ook.

De heer Van Dis (S.G.P.): Aan ouders, die hun kinderen in zake de godsdienst wensen onderwezen te hebben overeenkomstig de gereformeerde belijdenis, behioort daartoe de gelegenheid te worden geboden. Men mag hen niet dwingen, hun kinderen te sturen naar een school, waar — om maar een zeer belangrijk punt van verschil te noemen — de jeugd wordt opgevoed in een leer, die gebaseerd Is op de

algemene verzoening,

een leer, die niet overeenkomt met de Heilige Schrift.

Met het oog op het gevaar, dat hier dreigt, gevoelen wij ons dan ook krachtens de door ons voorgestane beginselen verplicht, tegen de desbetreffende bepaling op te komen. Wij zouden het zeer op prijs stellen, indien de minister aan dit naar voren gebrachte bezwaar zijn volle aandacht zou willen geven en deze bepaling uit het ontwerp wilde terugnemen of anders ervoor wilde zorgen, dat er een interpretatie aan wordt gegeven, die zal verhinderen, dat aUe protestants-cliristelijke scholen onder één noemer worden gebracht.

Een volgend punt, mijnheer de voorzitter, betreft de bepaling, welke inhoudt, dat leerlingen, die in hun buurt geen openbare school kunnen bezoeken, omdat die daar niet aanwezig is, toegelaten moeten worden op een bijzondere gesubsidieerde school. Er zijn er, die hiertegen bezwaren hebben, van oordeel als zij zijn, dat deze bepaling i-n strijd is met de vrijheid der schoolbesturen. Gewichtiger achten wij echter de daaraan verbonden bepaling, dat deze leerlingen vrijstelling moet worden gegeven van het

godsdienstonderwijs

aan die school. Dit achten wij een verwerpelijke bepaling. Wie op een school komt, waar onderwijs wordt gegeven overeenkomstig de op Gods Woord gegronde belijdenis, behoort zich daarbij aan te passen. Het godsdienstonderwijs is toch maar niet een bijvak, dat desnoods gemist kan worden, maar vormt een integrerend deel van het onderwijs, dat op de christelijke school wordt gegeven. Thans, mijnheer de voorzitter, wens ik nog enkele opmerkingen te maken over het

brugjaar,

dat de horizontale doorstroming böwgt te bevorderen en tevens de verdere studierichttnig te beiKiIen. Dit brugjaar is volgens het wetsontwerp voor de openbare school verplicht en voor de bijzondere school feitelijk ook, want het behoort volgens het wetsontwerp tot de subsidievoorwaarden van deze school. Hierdoor wordt dus het invoeren van de brugklas tot een der deugdelij kheidselsen gemaaJkt, welke de overheid volgens de grondwet aan het onderwijs mag stellen.

Het opmerkelijke is echter, dat er over 'het brugjaar 'onder de onderwijsdeskundigen helemaal geen eenstemmigheid bestaat. De meningen lopen dienaan'gaande siterk uiteen, zodat het toch wel zeer bezwaarlijk is, het brugjaar als deugdelij kheidseis aan te merken. Bovendien zijn wij van 'oordeel, dat het invoeren van een verplichte brugklas voor de bijzondere school in strijd is met de vrijheid van onderwijs, omdat deze subsidievoorwaarde niet behoort tot de grondwettelijke eisen van deugdelijkheid.

Er bestaan tegen het brugjaar ook nog andere bezwaren. Onder meer dit, dat de oplossing, welke de minister aangeeft, in onderwijskringen niet praktisch wordt geacht. Ik zal hierop echter niet verder ingaan, daar door sprekers, die mij zijn vooraf gegaan, reeds genoegzaam de bezwaren tegen de brugklas zijn aangevoerd en Ik derhalve kan volstaan met mij daai4)ij aan te sluiten.

Tegen het voornemen van de minister, in het brugjaar voor het godsdienstonderwijs maximaal twee lesuren te reserveren, hebben wij voorts het bezwaar, dat wij hierin zien een overschrijding van de bevoegdheid van de minister. Ook wordt het in onderwij skrlngen als een achteruitgang aangemerkt, dat de minister m het brugjaar het

Frans

wil laten vervallen. Op didactische gronden toch wordt in een beginklas aan het Frans de voorkeur gegeven boven het Duits, vooral wat betreft het h.a.v.o. en het v.w.o. Wat het Latijn aangaat, is de minister op zijn aanvankelijke voornemen terug gekomen, en wordt het nu toegestaan deze taal in het brugjaar als leervak toe te voegen. Hiermede wordt echter de gedachte van de algemene brugklasse doorbroken, want de overgang van atheneimi-, h.a.v.o.- of m.a.v.o.brugklasse naar de tweede klasse gymna^um zal hierdoor onmogelijk worden. Ook het facultatief stellen van het

Grieks

in de B-afdeling van het gymnasium wordt in brede kringen ten zeerste betreurd, daar men dit aanmerkt 'als een degradering van de klassieke opleiding. Voorts wU ik nog een enkele opmerking maken over het voorstel tot het opnemen in deze wet van de formule

„christelijke en maatschappelijke deugden".

Deze formïile heeft de minister aangebracht ter tegemoetkonaing aan de voorstanders van het openbaar onderwijs, die in het wetsontwerp een formulering van de zedelijke 'basis van het openbaar on­ derwijs hadden gemist. Het is een reeds zeer oude formule, welke door Mr. van der Brugghen in de onderwijswet van 1857 werd opgenomen, doch waartegen Mr. Groen van Prtnsterer en de zijnen zich steeds ten sterkste hebben verzet en zelfs pogingen hebben gedaan om het woord „christelijke" uit de wet verwijderd te krijgen. Zij zagen er namelijk een leus, een onlaedelijk woordenspel, ja, misleiding en zelfs heiligschennis in, omdat de „opleiding tot christeiyke deugden", naar de verklaring van minister Van der Brugghen, betekende, dat aUes, wat tot het begrip van het christendom, van zijn waarheden, van zijn feiten, van zijn geschiedenis behoort, van de openbare school verwijderd moest blijven. Die betekenis heeft het thans nog en het behoeft wel geen nadere toelichting, wanneer wij verklaren, dat wij met Mr. Groen van Prinsterer bezwaren, zeer ernstige bezwaren tegen deze formule hebben. Dit geldt eveneens van nieuwere formuleringen, zoals die reeds in de discussies over dit wetsontwerp en ook uit de kringen van het onderwijs naar voren zijn gebracht, waarbij men het

humanistisch

vormingsonderwijs wettelijke sanctie wil verlenen. Wij kunnen daaraan krachtens beginsel geen medewerking verlenen. De overheid als dienaresse Gods, ma^ niet dulden, dat op de openbare school de jeugd wordt onderricht overeenkomstig de beginselen van het humanisme, waarbij de mens op de .troon wordt geplaatst en God ervan afgestoten en waarbij zelfs stelling kan worden genomen tegen de christelijke godsdienst, tegen het Godsbestaan, en waarbij de Bijbel als een boek van mythen en fabels aan de jeugd wordt voorgesteld.

Ofschoon er nog heel wat meer over dit wetsontwerp zou zijn te zeggen, zal ik het hierbij laten. Het zal de minister wel duidelijk genoeg zijn geworden, dat wij ons met het wetsontwerp niet kunnen verenigen. Nu zijn er op het wetsontwerp tal van amendementen ingediend, vooral ook van de zijde van de voorstanders van het bijzonder onderwijs, die deel uitmaken van de antirevolutionaire fraktie. Wij vragen ons echter af, of dit wetsontwerp wel door amendering zo is te wijzi'gen, dat het voor het bijzonder onderwijs aanvaardbaar wordt. Bij het doornemen van de lektuur over het wetsontwerp bleek mij, dat velen, die op onderwijsgebied als deskundig worden aangemerlct, van oordeel zijn, dat dit niet mogeUjk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962

De Banier | 8 Pagina's

De Mammoet-wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken