Bekijk het origineel

Uit het Binnenland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit het Binnenland

4 minuten leestijd

De zaak - van der Putten

Men zal zich nog herirmeren, dat in november van het vorige jaar de technisch hoofdambtenaar Ie klasse, de heer Van der Putten, op staande voet door de minister van defensie, de heer Ir. Visser, werd ontslagen. Aanleiding hiertoe was, dat 'de heer Van der Putten in opdracht van de minister een memorandum had ingediend, dat volgens de TninJster niet voldeed aan de gesteld opdracht, namelijk het noemen van de nam'cn van hoge officieren, die in Indonesië en na de oorlog hier te lande zich schuldig zouden hebben 'gemaakt aan strafbare handelüi'gen, en die nog steeds in actieve militaire dienst zouden zijn.

Over dit ontslag is heel wat te doen geweest. De pers heeft er uitvoerig over geschreven, terwijl er ook in de Tweede Kamer bij de behandeling van de defensiebegroting het nodige over is gezegd. Het resultaat der discussies was, dat de minister de toezegging deed, dat hij de Kamfer een nota zou doen toekomen, waarin nadere inlichtingen zouden worden gegeven. Deze nota is inmiddels verschenen, maar bracht niet, wat men had mogen verwachten. De min'ister toch had, voordat hij het ontslag gaf, op een persconferentie verklaard, dat de „onderste steen" door hem naar boven zou worden gebracht, maar in de nota was hiervan niets te bespetiren.

Inmiddels was de heer Von der Putten van zijn ontslag in beroep gegaan hij het ambtenarengerecht te Arnhem. Dit college nu heeft kort geleden de zaak behandeld, met het resultaat, dat het ontslag aan de heer Von der' Putten vernietigd werd.

Het ambtenarengerecht was van oordeel, dat het ontslag in strijd was met de rechtszekenheld, met het rechtsbeginsel en met het ambtenarenreglement.

De minister heeft derhalve het onderspit moeten deliven.

Voor 'de heer Van der Putten is deze uitspraak echter een schitterende overwinning. In zijn verweer voor het ambtenarengerecht op 23 maart IJ. verMaarde hij, dat hij nimmer had beweerd, dat de officieren, die hij van collaboratie met de Japanners en van knoelerijen had beschuldigd, thans nog dienende officieren waren. Dat hij dit wel had 'beweerd, was de minister medegedeeld door twee hoofdambtenaren, die in opdracht van de minfcter de. heer Van der pmtten om inlichtingen hadden moeten vragen, doch die hem wel drie uur lang aan de tand hadden gevoeld, en hem zelfs een verldiaring hadden willen laten tekenen, waarin. hij verklaarde wel de gewraakte uitlating over de , ythans nog dienende officieren" te 'hebben gedaan. De heer Van der Putten 'had echter geweigerd deze verklaring te tekenen. Wel was hij bereid geweest een verklaring te ondertekenen, waarin met geen woord over zijn bewering van „'thans nog die­ nende officieren" werd gerept. De desbetreffende hoofdamtatenaren brachten na het gesi> rek met de heer Van der Putten aan de mijiister een rapport uit, waarin met geen woord werd gerept over een door de heer Van der Putben gedane toewering betreffende thans nog dienende officieren, die züoh aan genoemde handelingen hadden schuldig gemaakt. Eerst in een aanvullende verklaring op het zo even genoemde rapport, verklaarden bedde hoofdambtenaren, dat de heer Van der Putten het wel had gezegd. Op deze aanvullende verklaring nu had minister Visser desitijds zijn opdracht aan de heer Van der Putten gebaseerd.

Wij zullen niet op de hele gang van zaken, aoals deze zich ter zitting van het ambtenarengerecht voordeed, ingaan. Slechts zij vermeld, dat de beide hoofdambtenaren verklaarden, dat de heer Van der Putten wel had gesproken van „thans nog dienende officieren", wat echter door laatstgenoemde met alle beslistheid evenals bij vorige gelegenheden, bestreden werd.

Mr. Geleynse, de verdediger van de heer Van der Putten, hield een lange rede, waarin hij de minister verweet, dat deze onbehoorlijke methoden had gebruikt om Van der Putten 'in de tang te nemen. Het ambtenarengerecht keurde het onder meer ten sterkste af, dat aan de heer Van der Putten door de beide hoofdambtenaren niet was toegestaan, dat Mr. Gelesmse tegenwoordig WEUS bij het drie uur durende gesprek met de heer Van der Putten. Wel was daartoe het verzoek gedaan, maar de hoofdambtenaren wezen dit af, zodat Mr. Geleynse onverrichteizake naar hais kon igaan.

De overweglnigen van het aanbtenarengerecht omvatten 12 p\inten, die stuk voor stuk in het voordeel van de heer Van der Puntten waren. Het verheugt ons ten zeerste, dat de heer Van der Putten in deze voor hem zo uiterst onaangename kwestie, waardoor hij op straat kwam te staan, recht is gedaan. Wat minister Visser nu zal doen, is, terwijl wij dit schrijven, nog niet (bekend, maar dat hij zich in een zeer netelige positie bevindt, is voor ieder duideUjk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962

De Banier | 8 Pagina's

Uit het Binnenland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken