Bekijk het origineel

Begroting van Volkshuisvesting enz.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Volkshuisvesting enz.

11 minuten leestijd

Repliekrede van de heer Kodde

Nadat minister Van Aartsen de sprekers, die aan de discussie over bovengenoemd begrotingshoofdstuk hadden deelgenomen, beantwoord 'had, hadden de repUeken plaats. Ooik door de heer Kodde werd hieraan deelgenomen, waarbij hij de navolgende repliekrede uitsprak:

Mijnheer de voorzitter.

Ook ik wil beginnen met mijn dank uit te spreken voor het uitvoerige antwoord van de minister, al heeft hij niet punt voor punt elke spreker geantwoord. Ik meen, dat door de beantwoording duidelijk is 'gebleken, welk beleid de minister voor ogen staat. Het is mijn bedoeling slechts op enkele punten in te gaan. Ik zou eerst even wlUen stilstaan bij het in'griji)en in de vrije sektor. De minister zegt, dat hij alleen heeft ingegrepen om de dure en veel materiaal vragende bouw af te remmen. Verder zei de minister de rijksgoedkeuringen wel te willen verlenen, wanneer de spanningen weer voorbij zijn. Ik betwijfel toch of door een zo diep ingrijpen, als nu heeft plaats gevonden, het doel, dat de minister zich voor ogen stelde, is beröikt. Ik. meen, dat het

ingrijpen

veel verder is gegaan en dat het ingrijpen bijna daartoe heeft geleid, dat het praktisch bijna onmogelijk is een woning te bouwen, tenzij er nog speciale njksgoedkeuring door de H.I.D. of mogelijk door de minister wordt verleend. Daardoor is er in de vrije sektor veel afgeremd. Ik behoef niet nog eens te verklaren, hoe ik persoonlijk tegenover de vrije sektor sta, want ik meen, dat wel gebleken is, dat door de bouw in de vrije seiktor zodanig is gewerkt, dat dit ook ten goede is gekomen aan degenen, die misschien niet in staat zijn (hogere huren te betalen. De verschuivingen in de woningen zijn daardoor meer in de hand gewerkt. Ik moet daarom betreuren, dat dit ingrijpen is geschied.

Ik zou nu wel kunnen spreken over de vraag waarom er nog zoveel lag. Ik meen uit de praktijk van mijn leven te weten, dat de gemeentebesturen de bouwvergunningen niet laten liggen. Ik vermoed, dat aannemers een fijne neus hebben gehad en bouwvergunningen hebben gevraagd, alvorens zij de bouw dadelijk konden uitvoeren. Ik denk, dat zij nog wel wat in portefeuille hebben gehad. Daaruit moeten wij verfelaren, dat er nog zoveel bouw is geweest in de vrije sektor, nadat de bouwstop was ingetreden.

Wat de beoordeling van de

bouwkapaciteit

betreft, meen ik wel, dat er nog enige moeilijkheden zijn. De minister heeft gezegd, dat hij de bouwkapaciteit meer wil hoordelen naar de beschikbaarheid van bouwvakarbeiders dan naar de mogelijkheden van de aannemers. Nu verwacht ik niet, dat dit werkelijk zo eenzijdig zal worden bekeken, dat men het een los van het ander zal beschouwen, maar anderzijds meen Ik, dat het noodzakelijk is beide aspekten tegelijk te bekijken, saxders vrees ik dat de binding tussen de aannemers en de bouwvakarbeiders verloren zal gaan, en dat he't wel zeer moeilijk zal zijn om aan te tonen, dat er plaatselijk geen spanningen zijn. Tocih m.een ik er voor te moeten pleiten, dat meer rekening wordt gehouden met plaatselijke toestanden en met de mogelijkheden van de aannemers, ook de kleine, in een bepaalde plaats. Misschien mag ïk de minister in dit verband (herinneren aan het gezegde: die het kleine niet eert, is het grote niet weerd. Zo moet men ook bij de woningbouw aan de kleine aannemer denlken, want elke woning, die wordt gebouwd, brengt de oplossing van het vraagstuk van het woningtekort nader. Ik zou 'het dan ook zeer op prijs stellen, wanneer de minister aandacht aan deze zaak ging schenken en er naar streefde ook kleine, plaatselijke aannemers in gelegenheid te stellen woningen te bouwen. In eerste instantie heb ilk reeds voor een

ruimer goedkeuringsbeleid

gepleit, want naar mijn mening maakt het stellen van een grens van ƒ 10.000, — het bouwen praktisch onm.ogelijk. Ik zou het maximum, waar beneden men geen rijiksgoedkeuring nodig heeft, graag iets hoger gesteld willen zien. Ik heb in dit verband een bedrag van ƒ 17.000, — genoemd. Ik weet niet, of dit bedrag juist is; het zal misschien niet voor elke plaats een juist maximum zijn. Wanneer men echter een woning kan bouwen, die niet meer dan ƒ 17.000, — kost, kan men naar mijn mening toch niet van luxe spreken, en waarom zouden wij de bouw van Woningen, die niet meer dan ƒ 17.000, — kosten, in de vrije sektor eigenlijk niet toestaan, wanneer niet voor overspanning van de bouwmarkt ter plaatse beihoeft te wonden 'gevreesd? Ik wil die mogelijkheid van het optreden van overspanning niet bulten beschouwing laten en ik wil ook wel erkennen, dat het voor mij moeilijk is, die te beoordelen, maar ik vraag mij toch wel eens af, of het eigenlijk wel mogelij'k is ten opzichte van deze zaken een juiste maatstaf aan te leggen. Wat betreft de verschuiving van de

premiewoningen

naar de woningwetwoningen — de 'geachte afgevaardigde de heer Van Eitoergen heeft hierover ook reeds 'gesproken — kan ik ook geen ander woord gebruiken dan dat ik 'het niet gelukkig vind. Het is toch zeker wel een bewijs, dat hetgeen de geachte afgevaardigde de heer Van Eibergen aan de minister heeft gevraagd hiermede toch eigenlijk reeds is beantwoord, want daaruit biykt m.l. een zekere soepelheid, een tegemoetkoming aan de wensen, die in de Kamer leven. Niette- 'genstaande dat, mijnheer de voorzitter, wil ik mij toch wel uitdrukkelijk van die wensen los maiken, want bij mij leven zij niet. Mijn wensen "gaan juist in een andere richting. In eerste termijn heb ik reeds gezegd, dat, wanneer men premiewoningen wil bouwen, men dan vooral premiewoningen dient te bouwen.

In eerste termijn heb ik , J> e Bouwondernemer" aangeihaald, maar zelfs in de staat, voorkomende op blz. 20 van de memorie van antwoord, is uitdrukkelijk vermeld, dat in de 'klassen 4 en 5 de huren van de woningen, die met premie zijn gebouwd, lager zijn dan die van de

woningwetwoningen.

Ik meen, mijnheer de voorzitter, dat 'dit een uitstekend bewijs is, dat juist aan de gemeenten, die in de vierde en vijfde klasse zijn ingedeeld, meer ruimte moet worden gegeven, ook in de vrije sektor. Het schijnt, dat het wèl In deze gemeenten en misschien niet in andere gemeenten mogelijk is. Vervolgens nog een enkele opmerking over de kerkenbouw. Een konkreet antwoord op de vraag, die ik 'heb gesteld, ten opzichte van de maatstaven, die zouden worden aangelegd, heb ik niet gekregen. De minister heeft gezegd, dat bijna in alle 'gevaUen vlug goedkeuring wordt verleend. Nu is „vlug" inderdaad 'geen begrip, dat vast staat. Maar er was een gemeente, die een

kerk

wilde doen bouwen, een gemeente, die langer dan een jaar daarop heeft moeten wachten. Nu kan men zeggen dat dit vlug is, maar ik vind het inderdaad niet vlug. Om die reden heb ik dit voorbeeld nog eens naar voren gebraöht. Het ging er om, of het gebouw voor die gemeente nog dienstig was of niet. De kerkeraad zelf was van mening, dat het gebouw niet meer dienstig was, terwijl een ander zeide dat (het wel dienstig was. Daarom moest worden gewacht. Ik wil deze zaak 'hier nog iets nadrukkelijker naar voren brengen in de hoop, dat 'hieraan door de minister in andere gevallen — het onderhavige geval is nu opgelost; het behoeft dus ook niet meer te worden bezien — meer aandacht wordt besteed. Mijnheer de voorzitter. Er is blijkbaar een klein misverstand gerezen ten opzichte van mijn uitlating, n.l. om de toepassing van de uitbreidingsplannen niet al te strak te nemen. Ik heb juist gezegd: regel is regel en orde is orde en ik meen, dat, wanneer men ongeveer 38 jaar gezagsdrager is geweest, men dan niet zo 'gauw de neiging heeft, daarvan af te wijken. Ook hiervan is mij een praktisdh voorbeeld bekend, dat mij er toe noopt enige verduidelij'king te geven. Het gaat hierbij n.l. om het volgende. Iemand, die in de agrarische sektor woont, waar zeer waarschijnlijk niet anders dan

agrarische bouw

mag worden gepleegd, met andere woorden: op een zeker aantal 'hektaren mag een tweede woning worden gebouwd, valt nu juist daaronder, omdat zijn hoofdbedrij f misschien geen agrarisch bedrijf mieer is, hoewel hij toch in 'de agrarische sektor werkt, omdat hij in veevoeder handelt. Daarvoor heeft hij auto's en een opslagruimte nc^g. Gaat zijn zoon trouwen, dan wordt tegen hem gezegd: U moet uw bedrijf maar verplaatsen naar een kom, waar Industrie kan worden gevestigd. De betrokkene weet in de eerste plaats niet, hoe hij het moet betalen, en in de tweede plaats zal in een dergelijke kom verwarring worden gesticht, omdat er 's nachts met stro beladen wagens zouden worden geparkeerd. Dit geval had ik voor ogen toen ik zelde: er moet toch enige soepelheid worden betracht, opdat de praktische gang van zaken niet wordt belemimerd.

Nogmaals, mijniheer de voorzitter, het is zeker niet mijn bedoeling een spe'kulant in de 'hand te werken, want ik heb in de praktijk van mijn leven ten o'pzlcihte van deze mensen wel geleerd, dat men „neen" moet kunnen zeggen, en dat het dan later 'geen „ja" moet worden.

Nadat de replieken teneinde waren, kwam de minister weer aan het woord. De heer Kodde kreeg een uitvoerig antwoord van hem, dat wij tiier woordelijk laten volgen. Minister Van Aartsen zei het volgende:

De geachte afgevaardigde de heer Kodde vindt het afremmen van de bouw in de vrije sektor bepaald niet aantrekkelijk; daar heeft hij nogal wat bezwaren tegen. Ik kan zijn 'betoog wel volgen, maar wij m'oeten tooh wel Inzien, dat in de gegeven omstandiglieden een zekere maatregel met 'de ongesubsidieerde bouw niet was te ontgaan en op het 'ogenblik nog niet is te ontgaan.

Wat betreft de rijksgoedkeuringen, 'heeft de heer Kodde gezegd, dat het toch niet geheel juist is, te wachten totdat de spanning op de bouwmarkt geheel verdwenen is. Nu heb ik het zo ook niet gezegd. Naar mijn mening kunnen wij niet stellen, dat wij met die rijksgoedkeuringen voor de vrije sektorwoningen eerst kunnen gaan opereren wanneer de spanning geheel is beëindigd; ik zou liever met de rijksgoedkeuringen voor de ongesubsidieerde bouw daar wUlen beginnen, waar ik meen, dat die spanning niet het grootste is, waar de spanning b.v. minder is dan in het westen van het land.

Wanneer de lieer Kodde zegt,

dat er vermoedelijk ook n'og wel wat aannemers zijn geweest, die nogal wat bouwvergunningen in portefeuille 'hadden, die afgegeven waren vóór 18 juli, dan zou ik dat niet direkt willen ontkennen; die mogelijkheid acht ik ook stellig aanwezig.

Dan heeft de geachte afgevaardigde gevraagd voor de ongesubsidieerde bouw aan de gemeenten de bevoc'gdheid te 'geven rijksgoedkeuringen te verstrekken voor woningbouw beneden ƒ 17.000, —. Die mogelijkheid is thans reeds aanwezig voor woningen beneden ƒ 10.000, —; beneden ƒ 10.000, komt dat natuurlij'k eigenlijk niet aan de orde. De geachte afgevaardigde heeft nu gevraagd dat te 'doen voor woningen beneden ƒ 17.000, —. Waar ik de Kamer heb toe'gezegd, dit jaar de vrije sektor te beperken tot 25.000 woningen, kan Ik aiiteraard niet zeggen aan de gemeenten: Gij krijgt de bevoegdheid om rijksgoedkeuringen te geven voor woningen beneden ƒ 17.000, — want ik ben overtuigd, dat, als wij dat doen, die woningen er stellig komen. Die overtuiging heb ik met de heer Kodde zeer bepaald, maar dan zou ik in een soortgelijke situatie komen als verleden jaar, toen wij ook in april bepaalde sbichtingsfcostengrenzen hebben gesteld, wel wat hoger dan die ƒ 17.000, —; toen is wel gebleken, dat men rustig is voortgegaan bouwvergunningen aan te vragen voor woningen beneden die stichtingskostengrenzen. Op die suggestie van de geachte afgevaardigde de heer Kodde kan ik dus bepaald niet Ingaan.

Het verheugt mij, dat de geachte afgevaardigde de (heer Kodde heeft gezegd, dat hij ten aanzien van de uitbreidingsplannen ook een zeer duidelijk standpunt wil irmemen. Hij zeide: Orde is orde en regel is regel, daaraan moeten wij ons stellig 'houden. Hij heeft alleen een voorbeeld genoemd van iemand, die kennelijk een woning wilde bouwen of een woning wilde handhaven dan wel een bedrijf wilde uitoefenen op een plaats, waar het volgens het uitbreidingsplan toch eigenlijk niet mogelijk - was. Ik kan dat uit de aard van de zaak niet beoordelen. Daarvoor zou ik het geval moeten kennen, maar ik zou alleen willen konsitateren, dat ook de geachte afgevaardigde de heer Kodde van mening is, dat de uitbreidingsplannen zoveel mogelijk moeten worden gehandhaafd.

Naar aanleiding van toet door de geachte afgevaardi'gde genoemde voorbeeld, dat men voor een kerk een jaar lang op de rijksgo'edkeurinig heeft moeten wachten, zeg ik: ik 'ken het geval niet, ik ga er ook niet meer achterheen, want de geachte afgevaardigde toeeft gezegd, dat dit punt is opgelost — 'wij beihoeven er dus verder geen aandacht aan te besteden — maar ik vind een jaar wachten op de goedkeuring voor een kerk wel lang; dit naar aanleldin'g van de opmerking van de geachte afgevaardigde: Het is allemaal zo 'betrekkelijk, vlug of niet vlug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1962

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Volkshuisvesting enz.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken