Bekijk het origineel

Wetsontwerp premieverstrekking kerkenbouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsontwerp premieverstrekking kerkenbouw

13 minuten leestijd

Rede van ds. Mieras

Bovengenoemd wetsontwerp, dat op 15 februari 1961 bij de Tweede Kamer werd Ingediend, kwam de vorige week in openbare behandeling. In 't kort zij vermeld, dat dit wetsontwerp beoogt het geven van uitkeringen van een eenmalige rijksbijdrage van 25% ter grootte van de stichtingskosten van een kerkgebouw. Bovendien wordt subsidiëring van de bouw van bezinningscentra van niet-kerkelljke genootschappen er in mogelijk gemaakt, dus bijvoorbeeld oorden, uitgaande van het humanistisch verbond. Van de zijde van de P.v.d.A. werd ten aanzien hiervan zelfs een amendement ingediend om het subsidiëren van de bouw van laatstgenoemde bezinningscentra in de wet te regelen in plaats van bij algemene maatregel van bestuur. Doordat de roomskatholieken hierin de P.v.d.A. steunden, werd dit amendement door de grote meerderheid der Kamer aanvaard.

De r.k. kregen ook een amendement aangenomen. Het beoogde de rijksbijdrage te verhogen van 25 tot 30%. Vóór stemden de K.V.P., de C.H.U., de meeste A.R., enkele socialisten en één liberaal. De S.G.P. stemde tegen. Het wetsontwerp zelf werd tenslotte aangenomen met 89 tegen 47 stemmen. Tegen stemden de S.G.P., de A.R., de meeste C.H. en liberalen, enkele socialisten en de heer Lankhorst (P.S.P.). Van de C.H. stemden er vier voor. Dat de A.R. en de meeste C.H. tegen stemden, vond zijn oorzaak in het aangenomen amendement betreffende de niet-kerkelijke genootschappen. Het wetsontwerp bepaalt, dat de wet tot 1971 van kracht zal zijn. Na deze inleiding laten wij de rede volgen, welke door Ds. Mieras namens de S.G.P.-fraktie werd gehouden. Daar de rede duidelijk genoeg voor zichzelf spreekt, kan nadere toelichting overbodig worden geacht.

Ds. Mieras sprak als volgt:

Mijnheer de voorzitter.

Naar aanleiding van het wetsontwerp premie kerkenbouw wens ik namens mijn fraktie vanuit het door ons voorgestane beginsel hierop iets breder in te gaan.

In de memorie van antwoord lees ik, dat 't de regering teleurstelt, dat er enkele leden zijn, die tegen het ontwerp onoverkomenlijke bezwaren koesteren, omdat het voor die steun niet als voorwaarde stelt, dat de evangelieverkondiging geheel in overeenstemming zij met de Heilige Schrift.

Mijnheer de voorzitter. Het stelt ons teleur, dat de regering daartegenover stelt de vraag, welke instantie zou moeten beoordelen of de evangelieverkondiging geheel in overeenstemming is met de Heilige Schrift. Ons lijkt dat niet zo moeilijk, daar de duidelijke lijnen van de zuivere evangelieverkondiging op de Nationale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk, gehouden in de jaren 1618 en 1619 te Dordrecht, genoegzaam getrokken zijn en de evangelieverkondiging derhalve geschieden moet overeenkomstig de onverkorte drie

Formulieren van Enigheid.

Voorts meent de regering, dat het stellen 'van de door deze leden genoemde voorwaarden niet in overeenstemming is met het beginsel van godsdienstvrijheid, hetwelk in de grondwet verankerd is. Mijnheer de voorzitter. Wij wensen hiertegen op te merken, dat, al staat de grondwet godsdienstvrijheid voor, dit ons niet kan en ook niet behoeft te beletten het door ons voorgestane beginsel te belijden en te bepleiten.

Volgens dit beginsel staan wij de rechte bediening van Gods Woord voor. Wanneer dit inderdaad plaats heeft, bestaat bij ons tegen het financieel steunen van kerkbouw geen bezwaar. Nochtans zijn er voor ons onoverkomelijke bezwaren tegen het onderhavige wetsontwerp premie kerkenbouw; in de eerste plaats, omdat via deze wet een weg gebaand wordt, waardoor ook voorstanders van nietkerkelijke genootschappen, zoals de

humanisten

en anderen, de gelegenheid geboden wordt met premie van het rijk hun bezinningsoorden te bouwen. Hieraan kunnen wij onze stem geenszins geven. De hier in het geding zijnde stromingen toch stellen de rede van de mens in de plaats van, ja boven het Woord van God.

Want wat is de mens volgens Gods Woord? Niets anders dan een made, die de adem in de neus draagt, totdat God hem afsnijdt en de rede van de mens te niet gedaan wordt. Doch het Woord onzes Gods bestaat tot in eeuwigheid.

Door de loop der eeuwen zijn er grote rijken gekomen en gegaan, machjtigen zijn van de troon gestoten. Ik wil er maar enkele noemen, zoals het Romeinse rijk. Napoleon en Hitler. Zij zijn verdwenen, mijnheer de voorzitter, maar het Woord van God is gebleven en zal blijven tot het einde der dagen toe. Vandaar dat wij zozeer een prediking voorstaan, waarin Gods rechten verheerlijkt worden en aan de gans verloren zondaar de weg der zaligheid verkondigd wordt. Onze bezwaren tegen dit wetsontwerp blijven, omdat we de taak der overheid geheel anders zien dan ons door de regering in de memorie van antwoord wordt voorgesteld, Gods Woord zegt ons: Die de oude wijn beproefd heeft, begeert niet terstond de nieuwe, en inderdaad, mijnheer de voorzitter, daarom is het ook, dat wij de belijdenis vai. onze

gereformeerde vaderen

wensen vast te houden met hand en tand onder biddend opzien tot God de Almachtige.

Daarom kunnen we niet meegaan met de A.R.P., welke beginselen voorsbaat, die vierkant in strijd zijn met artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, maar wensen wij geheel in de voetsporen te blijven van onze vaderen, die in het

onverkorte artikel 36

naar voren gebracht hebben de taak van de overheid overeenkomstig het Woord van God, n.l. onder meer om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist ten gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde/gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt. Ik twijfel er niet aan, mijnheer de voorzitter, dat er velen, ja zeer velen zullen zijn, die naar voren zullen brengen: Is dit in het jaar 1962 nog te handhaven?

Maar dan zou ik de vraag willen stellen: Is God veranderd of zijn wij veranderd? Inderdaad moeten wij konstateren, dat golven van ongeloof en bijgeloof over ons land heen spoelen, en dat onder de toelating Gods de zonden in Nederland zich opstapelen tot bergen hoog. Evenwel ontslaat dat de overheid niet van de eis. Ja, het zal in de

grote dag der dagen

van de overheid geëist worden. Daarom betreurt de Staatkundig Gereformeerde Partij het ten zeerste, dat in deze wet de deur zo zeer wordt open gezet voor ongeloof en bijgeloof. Niet alleen, mijnheer de voorzitter, zien we in dit wetsontwerp premie kerkenbouw, dat beginselen, waarin de rede op de troon zit, zozeer bevoordeeld worden, maar .ook moeten we konstateren, dat zoveel leringen, die niet naar den Woorde Gods zijn gelegenheid geboden wordt bevoordeeld te worden.

Hoe zouden wij als staatkundig-gereformeerden hand- en spandiensten kunnen verlenen voor de leer der algemene verzoening, waarbij des mensen vrije wil bevorderd wordt, doch waarin geloochend wordt de eenzij dige genade Gods in en door Jezus Christus. Dan getuigt de apostel Paulus toch: Al ware het een engel uit de hemel, die een andere leer leerde, dan die gij van ons geleerd hebt, die zij vervloekt.

Daarom, mijnheer de voorzitter, kan onze fraktie, die een volksdeel vertegenwoordigt, dat geheel naar het Woord Gods - wenst te leven, niet voor dit wetsontwerp zijn. Wij kunnen in deze wet niet anders zien, dan dat vooral de

roomse kerk

daar zeer bijzonder van profiteren zal. Zeker, mijnheer de voorzitter, ten onrechte worden de staatkundig-gereformeerden menigmaal uitgekreten voor antipapisten. Wij worden echter niet gedreven door haat tegen personen, daar Gods Wüord ons leert, dat we allen gezondigd hebben, zonder onderscheid. Dat neemt evenwel niet weg, dat we evenals onze gereformeerde vaderen zeer tegen de leerstellingen van de roomse kerk zijn. Wij bestrijden niet de personen, maar de leer, die indirekt door dit wetsontwerp zozeer bevorderd wordt en menen in de voetsporen van onze gereformeerde vaderen ons daartegen te moeten stellen. Het leerboek van de kerken der Reformatie, n.l. de Heidelbergse Katechismus, leert ons het onderscheid tussen het Avondmaal des Heeren en de

Paapse Mis

in zondag 30, vraag 80. Het Avondmaal des Heeren betuigt ons, dat we volkomen vergeving der zonden hebben door de enige offerande van Jezus Christus, Die Hij Zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft. Maar de mis leert, dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij Christus nog dagelijks voor hen van de mispriesters geofferd wordt. Derhalve besluit het leerboek onzer kerk, dat de Paapse mis niet anders is dan een vervloekte afgoderij, daar Christus een volkomen Zaligmaker is. Daarom kunnen de staatkundiggereformeerden het niet eens zijn met hetgeen in zijn tijd wijlen Dr. Kuyper en zijn volgelingen getuigden, namelijk, dat ze met Rome stoelen op dezelfde wortel des geloofs. Voorzeker, mijnheer de voorzitter, we zouden ophouden staatkundig-gereformeerd te zijn, als we principieel voor het wetsontwerp premie kerkenbouw zouden zijn. Wij kunnen niet en wij mogen niet, om des beginsels wil, al blij. ven wij ook in dezen een stem des roependen in de woestijn. We hebben geen eigengemaakt beginsel, maar met onze gereformeerde vaderen een beginsel, dat geheel en al op Gods Woord is gegrond en deswege ons lief is. De Heere zegt in Zijn Woord:

Tot de wet en tot de getuigenis,

wat niet is naar dit Woord, het zal geen dageraad hebben. Voorts, mijnheer de voorzitter, wü ik enkele opmerkingen maken in het algemeen. Het lijkt mij en mijn geestverwanten toe, dat, zo de regering het roer omwendde, er geen sprake behoefde te zijn van premie kerkenbouw. Er zou een meer konstruktief streven moeten zijn om de zo hoog opgeschroefde belastingen te verlagen, die in brede kringen als een loodzware last ervaren worden, waardoor het kerkgaande publiek zodanig afgeroomd wordt, dat de lasten die de bouw van kerken mede brengt, niet of nauwelijks te dragen zijn. Er was ons inziens dan geen wet premie kerkenbouw nodig, daar ieder, die tot een kerk behoort, terdege ook zijn verantwoordelijkheid in deze zal gevoelen.

Voorts blijkt in de meeste plaatsen de

grondprijs

zo schrikbarend hoog te zijn, terwijl ook de eisen Inzake de oppervlakte, welke gekocht moet worden, zo hoog zijn, dat door een kerk reeds een hoog bedrag besteed moet worden om grond beschikbaar te krijgen.

Terecht is opgemerkt in de memorie van antwoord, dat voorheen veel grond van paxtikulieren gratis of voor een zeer laag- her) rag overgedragen werd aan de kerk, zodat ze op zeer voordelige wijze de beschikking kreeg over grond voor kerkbouw.

Doch, daar nu praktisch alle grond, die in aanmerking komt voor kerkbouw, in handen is van de gemeenten, moeten nu prijzen betaald worden, die voor vele kerkbesturen fnuikend zijn. Daarom zouden wij er sterk op willen aandringen, dat er middelen werden gevonden, waardoor de grondprijs voor kerkbouw drastisch verlaagd kon worden. Dit zou dan een geweldige besparing zijn bij eventuele nieuwbouw van kerken. Voorts zij ook opgemerkt, mijnheer de voorzitter, dat de

schoonheidskommissies

eisen stellen, die bijna ondraaglijk zijn. Mij zijn voorbeelden bekend, dat kerken hun plannen indienden bij de schoonheidskommissie. Het waren plannen, die voldeden aan de bestaande behoefte. Zo Is mij bekend, dat er een plan was, waarvan de kosten op een totaal bedrag van ƒ 300.000, — kwamen. Dit bedrag werd door de vele veranderingen, die aangebracht moesten worden door de eisen van de schoonheidskommissie, verdubbeld. Zodoende werd het oorspronkelijke bedrag met 100 pet. overschreden. Mij dunkt, mijnheer de voorzitter, er zal met een draaglijke grondverwerving en een meer op de praktijk afgestemde schoonheidskommissie voor de kerkbesturen meer te bereiken zijn dan met een premie op de kerkenbouw. Dan zou er inderdaad werkelijk sprake zijn van het bieden van de helpende hand. Naar onze mening worden door de stedebouwkundige diensten te

hoge eisen

gesteld. Mijnheer de voorzitter. Wij staan niet voor, dat een ieder maar naar eigen goeddunken lukraak kan bouwen. Dit neemt evenwel niet weg, dat wij bezwaren hebben tegen een menigmaal naar ons oordeel onnodig opdrijven van de bouwkosten. Vaak lijkt het, alsof de kerk meer moet dienen als voorwerp van stedebouwkundige schoonheid dan als een plaats van samenkomst voor de gemeente om daarin Gods Naam aan te roepen. De kerken worden hierdoor genoodzaakt,

schier ondraaglijke

financiële lasten op zich te nemen, waarvan wij de noodzaak niet kunnen inzien. Anderzijds, mijnheer de voorzitter, kunnen wij het verstaan, dat sommigen van oordeel zijn, dat in de datum van 1 maart 1961 een onbillijkheid schuilt. Er zijn toch verschillende kerken in aanbouw, die vóór die datum zijn aanbesteed, maar nog niet zijn opgeleverd. Zij achten het niet meer dan billijk, dat ook die kerken mede in deze wet worden begrepen. Voorts, mijnheer de voorzitter, aan het einde van mijn betoog komend, mag ik niet nalaten, vanuit het door ons beleden beginsel ons land en volk op te roepen tot

waarachtige bekering.

Mocht ons volk het heilloze pad der zonde maar verlaten en staa.n naar zulk een verkondiging van Gods Woord in Nederlands kerk, waarin God op het hoogst verheerlijkt, de zondaar op het diepst vernederd en Zijn volk op de juiste wijze vertroost wordt. Daarbij alleen zou ons volk wèl varen en de kerken zouden dan nog mogen zijn als een stad op een berg en als een licht op een kandelaar.

Na Ds. Mieras kwam de heer Aantjes (A.R.) aan het woord. Tegen alle verwachtingen in richtte hij zich tegen wat door Ds. Mieras was opgemerkt inzake de A.R.P. met betrekking tot het onverkorte artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dat was als Kamerlid zijn goed recht, maar dan mag toch worden geëist, dat juist wordt weergegeven wat door Ds. Mieras dienaangaande was gezegd. In zijn rede toch had Ds. Mieras opgemerkt, dat de A.R.P. beginselen voorstaat, die vierkant In strijd zijn met het oude, onverminkte artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis. De heer Aantjes stelde het echter in zijn rede voor, alsof Ds. Mieras zou gezegd hebben, dat de A.R.P. het oude artikel 36 heeft verkort, wat natuurlijk onjuist zou geweest zijn, daar dit niet door de A.R.P., maar door de Gereformeerde Kerken is gedaan en wel door de Synode dezer kerken, gehouden in 1905.

Gezien de geheel onjuiste voorstelling door de heer Aantjes gegeven, kon dit niet zonder weerlegging blijven. Doordat Ds. Mieras echter verhinderd was de vergadering, waarin de replieken plaats vonden, wegens ambtsbezigheden bij te wonen, werd op zijn verzoek door Ir. van Dis gerepliceerd. Daar het ons voornemen is later op de rede van de heer Aantjes nog eens nader terug te komen, wanneer wij namelijk de beschikking hebben over de Handelingen, waarin zijn rede voorkomt, zullen wij er thans niet verder op ingaan.

Alleen zij nog vermeld, dat Ir. van Dis in zijn repliekrede er aan de hand van artikel 36 en ook van uitspraken van onze gereformeerde vaderen, waarvan er één, n.l. Voetius, door hem werd genoemd, nog eens op wees, dat er geen bezwaar tegen behoeft te bestaan, wanneer de overheid in bijzondere omstandigheden voor het bouwen van kerken subsidie verleent, wanneer In die kerken Gods Woord overeenkomstig de oude, onverkorte formulieren van enigheid maar recht wordt gesneden. Zelfs een heidense koning, namelijk Kores, werd door God verwekt om de middelen te verkrijgen voor het herbouwen van de tempel te Jeruzalem, zodat de onkosten hiervan voor Perzische rekening kwamen. Wij zullen het echter hierbij laten en thans de

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Banier | 8 Pagina's

Wetsontwerp premieverstrekking kerkenbouw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken