Bekijk het origineel

Wetsontwerp Huurverhoging

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsontwerp Huurverhoging

18 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van der heer Kodde

Door de regering was een wetsontwerp ingediend, waarin wordt bepaald, dat de huren der woningen al naar igelang van de gemeenteklasse met 10 tot 12 procent zullen worden verhoogd. Nadat de schrifteiyke voorbereiding had plaats gehad, kv/am dit wetsontwerp in openbare beihandeling. Veel later

echter dan de regering had verwacht en gewenst, daar het aanvankeiy ke voornemen was de huurverhoging te doen ingaan op 1 juli 1962. Gezien echter het late tydstip, waarop de Tweede Kamer het ontwerp tn behandeling nam, en het ook de Eerste Kamer nog moet passeren voor en aleer het tot wet kan worden verheven, achtte de minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid het noodzakelijk de ingangsdatum van de huurverhoging te verschuiven naar 1 september a.s.

Dat het onderhavige wetsontwerp zo laat bij de Tweede Kamer in behandeling kwam, is aan verschillende oorzaken toegeschreven. Als schuldige werd aangewezen de Stichting van de Arbeid, die eerst op 4 mei 1.1. advies uitbracht OVCT de loonkompensatie in verband met de huiurverhoging, en voorts ook de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, die er bij betsrokken werd om zijn oordeel te geven over de gevolgen van de voorgenomen huurverhoging voor de sociale verzekeringsuitkeringen.

Anderen waren echter van gevoelen dat het eerstgenoemde advies voldoende tijdig was uitgebracht voor een behandeling van het wetsontwerp op zulk een tijdstip, dat 'de huurverhoging nog zeer wel per 1 juli had kunnen ingaan. En wat het tweede, zoeven genoemde advies, nl. van de minister van Sociale Zaken betreft, waren de hier bedoelden al evenzeer van gevoelen, dat het wel zeer aanvechtbaar is de oorzaak der verschuiving van de ingangsdatum daarmede in verbamd te brengen. Veeleer zag men de ware oorzaak dezer verschuiving in het optreden van bepaalde Kamergroeperinigen, die de beOaandeling van het wetsontwerp vertraagden.

Hoe 'dit'moge zijn, feit is dat de Tweede Kamer het huu^rverhogingsvoorstel met 72 tegen 46 stemmen heeft aanvaard. Alleen de P.v.d.A., üe P.S.P., de kommunisten en een drietal leden der K.V.P. stemden tegen. Een amendement van de heer Bommer (P.v.d.A.), dat beoogde te voorkomen dat alle in de laatste jaren gebouwde woningwetwoningen de volle huurverhoging van 10 tot 12 procent zouden moeten opbrengen, kon geen meerderheid verkrijgen. De minister ontraadde de aanvaarding ten sterkste, omdat dit in strijd zou zijn met de hele opzet van het wetsontwerp, waarbij in overeenstemming met het S.E.R.-rapport alle woningen in huur moeten worden verhoogd, met uitzondering van onder meer de na-oorlogse woningwetwoningen, waarvan de huren buitengewoon hoog te noemen zijn. Het amendement Bommer werd bij zitten en opstaan verworpen, waarbij alleen de P.v.d.A., de P.S.P. en de C.P.N, vóór bleken te zijn.

Ook een motie van de heer Bommer, betrekking hebbend op de huren van na 1961 gereedkomende woningwet- en premiewoningen, werd verworpen en wel met 73 tegen 44 stemmen. De minister had haar ten sterkste ontraden, omdat de regering bij uitvoering er van tot in lengte van dagen er aan gebonden zou zijn. Dit achtte hij onverantwoord met het oog op zijn opvolgers, die hij niet mocht binden.

Verscheidene sprekers, ook de heer Kodde, die namens de S.G.P. bij dit wetsontwerp het woord voerde, drongen bij de minister sterk aan op het omlaag brengen der bouwkosten. De minister zeide van de noodzaak hiervan tenvolle overtuigd te zijn en daarom alles in het werk te zullen stellen om, voor zover hem dit mogelijk is, het daarheen te leiden.

Met deze huurverhoging Is dan andermaal een stap gezet op de weg, die ons moet brengen naar een evenwicihtstoestand op de woningmarkt en naar geleidelijke afschaffing van de woningbouwsubsidies. Een gunstig verloop hiervan zal sterk afhangen van de bouwkosten. D^ uitwerking van de reeds plaats gehad hebbende huurverhogingen is airede niet zo gunstig geweest als men had verwacht. Dit was een gevolg van de stijging der bouwkosten. Of het de minister zal gelukken die stijging te remmen en de bouwkosten zo mogelijk te doen dalen, idient te worden afgewacht. Met deze inleiding menen wij te kunnen volstaan en zullen thans de rede laten volgen, welke door de heer Kodde werd uitgesproken.

Mijnheer de Voorzitter! Het streven naar een herstel van een evenwichtige woningmarkt en om te komen tot meer normale omstandigheden op het gebied van de wbningvoorziening heeft, zoals meermalen door ons is verklaard, onze instemming. In de

ongewone omstandigheden,

zoals na de bevrijding, waren bijzondere maatregelen nodig, maar wij vrezen wel, dat die bijzondere maatregelen ons volk hebben geleid tot de mening, dat de overheid alles moet doen en ook alles kan doen, als die overheid maar wil. Het blijkt steeds zeer moeilijk, als bijzondere maatregelen inhouden het geven van tegemioetkomingen of het kimstmatig drukken van gewone uitgaven, daaraan een eind te maken, vooral als die bijzondere maatregelen lange tijd werkeA, waardoor het onderscheid tussen gewoon en ongewoon, tussen de verantwoordelijkheid van leder persoonlijk en die van de overheid niet meer duidelijk is. Het is toch niet gewoon, dat de overheid de gemeenschap moet helpen door bijdragen 'om In de primaire levensbehoeften te voorzien. De vorige spreker, de heer Lankhorst, kan nu wel wijzen op uitgaven voor onderwijs en andere dingen, maar ik zou ook kunnen wijzen op uitgaven voor wegen en dergelijke zaken. Naar mijn mening ligt dat echter meer m het algemene vlak, terwijl toch de woning meer een persoonlijke behoefte is. Indien het kunstmatige moet verdwijnen, hetgeen de regering voorstaat en ook wij willen, zal er meer vrijheid van handelen moeten komen. Of is ons volk reeds zodanig beïnvloed, dat het niet meer in staat is in vrijheid te handelen, en alles van bovenaf moet worden geregeld? Ik stel maar de vraag.

Hoe het ook ztj, wij menen dat het nodig zal zijn, ons volk voor te houden dat de overheid niet alles kan en dat er een

persoonlijke verantwoordelijkheid

op ieder rust, en dat er, wil er van de vrijheid kunnen worden genoten, een noodzaak is om de verantwoordelijkheid voor die vrijheid te willen en te durven dragen.

Ook achten wij het niet juist, al weten wij dat een beperkt loon beperkte mogelijkheden met zich brengt, d.at de huren worden gekoppeld aan het loon. Niet het loon geeft aan welke woning nodig is. Niet het loon geeft aan voor welk doel dat moet worden besteed. Niet de hoogte van het loon geeft aan wat er mede gedaan kan worden. Immers, de ene huisvrouw kan met veel minder volstaan dan een andere. De ene kan met weinig iets goeds maken, terwijl een ander met veel er minder van terecht brengt. Daarbij doel ik er niet op, dat de ene vrouw een andere woning zal eisen dan de andere, maar dat de ene vrouw haar gezin, in alles, met een kleiner bedrag kan verzorgen dan de andere, terwijl niet gesteld kan worden dat zulk een gezin tekort zou hebben. Het is, integendeel, wel mogelijk dat de verzorging beter is, terwijl toch minder geld wordt 'gebruikt. Een verstandig beleid van de vrouw, door God gezegend, kan van grote Invloed zijn. Wordt er wel eens mede gerekend in ons land, vraag ik mij weleens af, dat aan

Gods zegen

alles is gelegen en dat zonder die niets zal gedijen?

Het is echter niet onze bedoeling, dat wij maar alles aan het lot moeten overlaten en dat wij kunnen volstaan met te zeggen: Ga heen en word warm. Maar het is ook niet onze bedoeling, dat de uitgaven voor prim.aire levensbehoeften — en de uitgaven voor een woning in Nederland zijn dat — blijvend door de gemeenschap worden gedragen in de vorm van allerhande bijdragen, en dat ons volk uitgaven doet voor zaken, die van God en Zijn Woord afleiden, dus tot verderf zijn. Het is ook niet onze bedoeling ons volk voor te houden dat de overheid alles kan, als ztj maar wil, dat de gemeenschap maar geroepen is alles te dragen. H-et is niet nodig daarop nu verder in te gaan, want dat heb ik bij de behanfcleling van de begroting voor 1962 reeds gedaan.

Dat de woningnood nog niet is opgelost, is een feit. Ook zijn de sociaal zwakkeren door de genomen maatregelen nog niet geholpen. En niet alleen de sociaal zwakkeren zijn nog niet geholpen, de grote, zelfs de grotere gezinnen zijn door de maatregelen, welke zijn getroffen, eigenlijk meer in de knel gekomen. De grotere gezinnen zijn niet geholpen door het kunstmatig laag houden van de huren. Ze hebben ruimte nodig; ze zouden meer gebaat zijn bij een lagere kostprijs voor het bouwen, want dan zouden gemakkelijk grotere woningen gebouwd kunnen worden. De grotere gezinnen zouden beter kimnen worden geholpen als er meer vrijheid was om te bouwen. Voor een groot gezin is de knellende vraag hoe in de woning kan worden geleefd. Wordt weleens gedacht aan de moeite en de zorgen, die de moeders van de

grotere gezinnen

hebben? Ik noem maar de grotere gezinnen, want voor deze is er eigenlijk in de nieuwgebouwde woningen geen plaats meer. Ze zijn aangewezen op de oudere, grotere woningen, ook al bieden ze minder gerief. Het is echter de vraag of deze te verkrijgen zijn.

Er zijn dus onderscheidene gevallen, waarin wel bijzondere hulp nodig is, niet alleen voor hen, die als sociaal zwakkeren kunnen worden aangemerkt, omdat zij een laag, te laag inkomen hebben, maar ook voor hen, die geen ruimte kunnen vinden in de tegenwoordig meest uniform gebouwde woningen.

De maatregelen ten aanzien van bouw en huurbeheersing hebben voor die gevallen geen oplossing gebracht. Men zal in plaats van algemene maatregelen te treffen de mensen meer individueel moeten helpen; er zal meer vrijheid moeten komen. Er zal meer vrijheid moeten zijn. Voor het verlenen van persoonlijke hulp mist de overheid in het algemeen, althans naar mijn mening, het apparaat. De pogingen, die worden gedaan, willen wij niet misprijzen, maar wy menen er op te moeten wijzen, dat één en ander niet mogelijk ds en dat er naar onze mening anders dient te worden gehandeld.

Mijnheer de Voorzitter! Ik wil thans even de aandacht vragen voor het vraagstuk van de

loon- en andere kompensaties,

die bij de invoering van deze huurverhoging zullen worden gegeven. De vraag rijst of die kompensaties genoegzaam zijn. Zullen er ook huurders zijn, die daarvan niet fcunnen profiteren, omdat ztj, hetzij geen loontrekkende zijn, hetzij op een andere wijze dan waarin bij het verlenen van de kompensatde is voorzien, uitkeringen ontvangen? Hoe is het gesteld met de kleine zelfstandigen en met de kleine ondernemers, die wellicht wel personen in loondienst hebben en derhalve wel een bedrag aan loonkompensatie zouden moeten betalen, doch zelf geen mogelijkheid zouden hebben om deze hogere loonkosten te verhalen? Zij moeten wellicht als ondernemer aan en voor anderen meer gaan betalen en moeten tevens zelf ook hogere huurkosten gaan opbrengen.

Door ons wordt in twijfel getrokken of de noodzaak tot het geven van minder bijdragen ten behoeve van de woningbouw anderzijds niet zal leiden tot het doen van andere overheidsuitgaven. De minister heeft geantwoord op vraag 5 bij het 'mondelinge overleg, dat een belangrijke stroom van de hogere inkomsten in verband met de kompensaties zal worden afgetapt in de richting van de schatkist via de belastingen en het toekennen van lagere subsidies. Verder heeft de minister gezegd, dat dit niet tot hogere bestedingen bij de overheid leidt. Geheel gerust zijn wij daarop echter niet. Het voornemen, het beleid op een dergelijke wijze te voeren, zal zeker wel aanwezig zijn. Daaraan twijfelen wij niet. De praktijk is echter weleens anders dan de theorie. Met het oog op de

niet-loontrekkenden

ware het wenselijk, dat de beiastlnigen nog sterker werden verlaagd 'dan nu in het vooruitzicht is gesteld. De vrees, dat daardoor overbesteding zal ontstaan, achten wij niet gegrond. Reeds nu blijkt dat er moeilijkheden zijn öm tot de aanschaffing van goederen, die noodzakelijk zijn om in de eerste levensbehoeften te voorzien, over te gaan. Ik wil een voorbeeld noemen. Ik wijs op het duurder worden van •aardappelen en groente. Hoe is het daarmede gesteld? Wij verlangen niet dat de regering ook met het oog hierop subsidie zal gaan geven. Wel verlangen wij, dat door verlaging van belasting de mogelijkheid wordt geopend de kosten, die verbonden zijn aan het duurder worden van de aardappe- len en groente, te dragen. Nu gaat het om deze dure aardappelen en groente, maar over een paaa: maanden zullen er welliclit andere artikelen zijn, die duur zyn. Ons volk zal zelf moeten leren zijn inkomen te besteden, maar vnj zullen het dan ook iets van dat inkomen moeten laten.- Verder wil ik er op wijzen, dat uit het nu zo

schaars

zijn van deze produkten en de daardoor ontstane duurte wel blijkt, dat niet alles is te regelen. Er blijkt gelukkig uit, dat er nog een God is. Die bestuurt, al aou de mens het soms graag anders hebben, omdat het hem niet altijd meevalt. Op bladzijde 2 van de memorie van antwoord zegt de minijster, dat er wel enig gunstig effekt is van een huurverhoging en dat dit niet (geheel wordt weggewerkt door de stijging van de bouwkosten. Zo heel gerust zijn wij ook daarop niet. Evenmin zijn wij er gerust op, dat het mogelijk zal zijn en zal blijven — want daar gaat het toch ten slotte om — de loonkompensatie uit de ondememingswinsten te betalen en daardoor de kostenstijging tegen te houden.

Ik meen dat ook één van de mij voorafgaande sprekers er op heeft gewezen, dat het wel zo kan worden voorgesteld, maar dat, als wij zo doorgaan, wij moeilijk meer kunnen bepalen waar wij in de praktijk zullen uitkomen. Ik vrees dat wij dan weer langs precies hetzelfde lijntje zuUen gaan 'als voorheen het 'geval was.

Is er, indien er nog ruimte is voor loonkompensaties, ook nog geen mogelijkheid dat de algemene kosten voor ilevensonderhoud dalen? Zullen die kosten 'dalen, als er ruimte wordt weggenomen door het betalen van een loonkompensatie voor de verhoging van de huren? Het is toch de bedoeling, dat er een evenwicht komt, zodat de bouwkosten en het

onderhoud

van de woningen kunnen worden gedekt iiit de huren. Mogen wij verwachten, dat de betaling van de loonkompensatie uit de ondememingswlnsten daartoe zal leiden? Wordt de produktivlteitsruimte igetorulkt om de lonen te verhogen, dan zal dit op alles van 'invloed moeten zijn en dan zullen de kosten van het verdere levensonderhoud niet kunnen dalen. Om die reden vragen wij ons af of het streven van de regerin'g werkelijk tot het beoogde doel zal leiden en of toch weer niet uiteindelijk alle kosten, ook die van de bouw van woningen, zullen stijgen. Indien dat het geval is, komen wij er nooit uit. Dan zal het een achternalopen worden en dan zullen de 'gestegen Qauren niet voldoende zijn om de bouwkosten te betalen. Ook zien wij een grote moeilijkheid voor hen, die als kleine zelfstandige geen loontrekkende zijn. Of acht de regering, 'dat 'die ook nog zoveel produktiviteitsruimte hebben, dat zij die kosten zelf daaruit kiinnen betalen? Het lijkt ons, dat te eenzijdig aan de loontrekkende is 'gedacht. Wij wensen ons niet tegen de verhoging te stellen, maar wel wensen wij dat aandacht zal worden 'gegeven aan de gevolgen voor allen en 'dat wordt aangetoond dat er werkelijk nog zoveel produktiviteitsru'imte is, dat op 'goede 'gron­ den mag worden verwacht, dat daaruit de kosten door allen kunnen worden gedekt.

Wij blijven bij alles echter vooropsteQlen, dat het nodig is, dat ons volk wordt geleerd, dat niet de overheid primair de verzorgster zal moeten zij'n, ma'ar dat ieder persoonlijk een verantwoordelijkheid heeft, 'dienende op andere wijze hulp te worden verleend aan hen, die door bijzondere omstandigheden in moeilijkheden zijn geraakt. Dus wel hulp aan hen, die

hulp behoeven,

maar op andere wijze dan nu. Een hulp, die de persoonlijke verantwoordelijkheid voorop Mij ft stellen, niet van de stellin'g uitgaan de: „Ga heen en word warm", maar ook niet van de stelling, ervan uitgaande 'dat alles maar door anderen moet worden gedaan; de persoonlijke verantwoordelijkheid brengt mede wel te overwegen waarvoor het inkomen besteed wordt. Om tot de gewone verhoudingen te komen, zal niet alleen aan de belangen van de huurders, maar ook aan die van de verhuurders gedacht moeten worden.

Uit Rotterdam is mij een voorbeeld gemeld van een eigenaar van een benedenwoning, die in 1960 tot een rendement kwam van 1, 16 pot. en in 1961 van 1, 48 pot.

Er mag nu worden gemeend, dat er toch een streven zal zijn om geld te beleggen in onroerende zaken, in woningen, - maar er zal toch wel een grens zijn, waarbij zulks niet meer gedaan wordt, nl. als de opbrengst zodanig laag ds, dat er van rendement 'geen sprake meer is. Er zijn ook wel beleggers, die rekening moeten houden met wat zij nodig hebben om rond 'te komen.

Er zijn ook klacfhten van huurders, en het is niet uitgesloten dat er eigenaars zij'n, die trachten d.e huurder uit te bulten — dat zal wel altijd het geval blijven — maar er zijn ook verhuurders, "die Magen. Zo zal het één wel tegenover het ander staan, maar het Is te vrezen, dat als een woning weinig of geen rendement geeft, er van verbetering en een •goed onderhoud geen sprake kan zijn. Daardoor zal ons algemeen woningbezit achteruitgaan en daarmede is niemand gediend. De verhuurder niet en de huurder niet. De gehele samenleving niet.

In het genoemde geval kl'aagde de eigenaar ook over de ongelijke waardering van de

huuradvieskommissie.

Volgens hem werd in een ander geval, waarin er ook sprake was van een vochtoptrekkende muur en waarin geen terreinafscheiding aanwezig was, wel huxirverhoging toegestaan; in het geval van het lage rendement wegens de zeer lage huur werd verhoging echter niet toegestaan, om'dat er een vochtoptrekkende muur was en de terreinafscheiding, alhoewel aanwezig, in minder goede staat was. Dat geval noemen wij alleen om aan te tonen dat andere maatstaven nodig zijn voor de toeoordeling, want zo gaat het niet goed. Er zou aan gedacht kunnen worden de eisen van 'de bouwverordeningen als maatstaf te nemen.

De Woni-ngwet eist, dat de bouwverordeningen 'bepalingen bevatten inzake de bewoonbaarheid. Zijn die niet voldoende, 'dan zal er aanleidiing zijn te bevorderen, dat die voorschriften worden verbeterd. Door die eisen in de bouwverordening als maatstaf te stellen, komt men tegemoet aan het streven naar decentralisatie en kan het gemeentebestuur de eisen richten naar de Iflaatselijke behoeften. Dat achten wij te verkiezen boven een centrale instantie, 'die meer gelijkheid in de beoordeling zou moeten brengen. Het is niet mijn voornemen mij te mengen in berekeningen inzake de mogelijkheden. Naar mijn mening is het niet mogelijk een steeds sluitende rekening op te stellen. Er zijn in het leven te veel

ongewisse faktoren

en er wordt daarbij te weinig of geheel geen rekening gehouden met de 'leidingen Gods in ons leven en 'dat aan Gods zegen alles is geleigen en In het houden van Zijn geboden grote loon is.

Het verkrijgen en onderhouden van wonin'gen zal betaald moeten worden op de één of andere wijze. Onze volksgemeenschap al geheel zal 'dat moeten opbrengen, ook op de één of andere wijze. Onze voltegemeenschap zal dat moeten kunnen dragen. Br zal moeten worden gestreefd naar maatregelen, die ons niet in een ongimstlger positie plaatsen, ook tegenover het buitenland. Gerust zijn wij er niet op, dat de voorgenomen kompensaties daartoe zullen lelden. Ook zijn wij er niet gerust op, dat de bepalingen inzake de huur tot het gewenste 'doel zullen lelden. Er zijn blijkbaar veel wegen, die mogelijkheden openen voor hen, die het met de moraal niet te nauw nemen. Getuige de vragen van ons geacht me- 'delid d: e heer Andriessen, igenimimerd 3049, blz. 3083 van het aanihangsea tot het verslag. Bepalingen zijn toch alleen nodig om de niet goedwiUenden in hun streven te beteugelen en het heeft er wel de schijn vaai of de huurregelhigen In

Nadat de minister de sprekers uiltvoerig had beantwoord, vonden de rep^lieken plaats. i menig opzicht de goedwillenden 1 treffen en niet de kwaadwilligen. ] Nu wil ik nog aandacht schenken i aan de uitbreidin'g, die aan artikel : 3a in het nieuwe vijfde lid is gegeven. Enerzijds achten wij het billijk, 'dat een huurder niet moet i gaan betalen voor wat hij op eigen ] kosten deed verbeteren, maar_an- < derzijds vrezen wij, dat die bepa­ 1 ling er niet toe zal lelden, dat er tussen 'huurder en verhuurder vol­ i doende overleg zal zijn. Wordt de huurder diaardoor weer niet te

machtig

tegenover de verhuurder? Wat is „kennelijk"? Is het niet nodig te bepalen, dat die 'bepaling slechts geldt indien de verhuurder niet bereid is de gewenste en noodzakelijke verbeteringen aan te brengen? De gedachte, dat het vergunnrngsbeleid van de gemeentebesturen tot een doorstroming zal leiden, waardoor de woningen zullen warden bewoond door hen, die een inkomen hebben, passende bij die woning, achten wij nog niet verwezenlijkt.

Alles bijeen menen wij, 'dat aan een aanpassing van de huren niet Is te ontkomen. Alleen wanneer er van wordt uitgegaan, dat dit alles door de overheid moet worden geregeld, zal 'dit mogelijk zijn. Wel rijst bij ' ons de vraag of de maatregel tot het gewenste doel zal leiden. Wij i menen echter dat het dioel zeker niet zal worden bereikt als er niets gedaan wordt. In de normale gevallen zal de bewoner de kostprijshuur moeten opbrengen. Voor ons staat wel vast, dat, hoe men het ook stelt, de volksgemeenschap de kosten van het wonen zal moeten opbrengen. Die kosten ziülen, zoals men wel zegt, uit de lengte of uit de breedte moeten komen, met andere woorden, zij zullen moeten worden 'betaald en die betaling zal naar onze mening invloed op het geheel hebben, hoe wij het mis. stellen.

De heer Kodde hield (daarby de navolgende

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962

De Banier | 8 Pagina's

Wetsontwerp Huurverhoging

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken