Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

Simon Petrus dam antwoonddie Hean: Heere, tot Wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden dies eeuwigen levens. Joh. 6 : 68

I.

Het jaar spoedt ten einde. Met al het i'ief en leed, dat het toachit, zal het weldra met al de voorafgaainde jaren tot het verleden behoren. Het keert niiet 'tenug. De sciiuld en zonde heeft toet 'opgesbapeld. Met zijn heenvMegen brengt het ons nader aan die poortsen der eeuwigheid, waarin alle 'tijd eens verzfeiken zal. Zo toch luiidfdie Jhet woord van de engel, diie zwoer bij Dien, Die leef't in wliie eeuwigheid, dait er geen tijd meer 'zijn zal. Op onwedierstaanbaar aangrijpiende wijze wcrdt d'e eed des enge'ls en de zich snel herhalende jaarwisse- Mng over 'hst aardrijik. uitgeroepen. Wij snellen de eeu'wighedd tegemoet. Elk mens van nature vliegt met toeaiemende vaaart zijn eeuwig verderf 'tegean'oet, wamt hij is @evonnist met het 'Oordeel des doods. Daarentegen predikt de •vergam'kelijkheid des tijds de ras naderende eeuwige heerlijifcheid voor het volk van God. Van tweeën één, óf de jaarwisseldn'g plaatst ons voor het oer deel Go'd^, öf zij predikt ons de zalig'heiid, 'die geen oog 'ge'ziien heeft en geen oor geihoord, noch in het hart des mensen is opge'komen. Waarheen onze refe? Zie daar de gmte vraa'g, waarover wij bij vernieuwing aan de avond van 'het jaar geplaatot worden. Waarheen zal het j'aar, wat aani'aingt, otnze weg - voeren? Z^illen wij 'het jaar b'Sgïmi'en en eamdigen? Zal ramp en onh'eil 'oms worden gespaard, of zullen 'de fiolen van Gods gramsehap op aarde worden uiiügestort? Zal er vrede zijn of oorlog? Voorspoed 'Of aanhjou'dienSdje tegeniieden? En zuJlen wij ; in de naamilioze ellende, 'door de 'zonde veroorzaakt, een vecbeirgimig viinden?

Ons waarlijik heil voor tijd en eeuwigheiid 'han.gt af van de verhoudiii'g, waarin wij staan tot God. Het 'is onafsohsidelijk daairvan, dat wij 'deel aan Christus ihetoben. Buiten Hem zijn wij in Adam gerekend en dood en verderf omideirwarpen. Wat wij op. 'aarde 'Ook .gienieten, het v.'C': d; t 'ons uiit de linfeeirhand des Heeren toegem'Sben; buiten Zijn gunst. Chris'tiK 'dro©g 'de vloeik voor Zijn volk en bracht een 'eeuwige veirzaenm'g aam. In Zijn gemeenschap ; s het eeuwige leven, en verkrij­ gen Gods fcinderen het heil, 'dat al'le leed licht aoM, en het teruüs 'doet 'dragen achter de Heeaie aan. Hij is een toevlucht voor de Zijnen.

Met al 'hun zanden, lin al hun verdiru'kk'ingen, en voor de bangste toekomst verkrijgen zij bij Hem alleen verlossing, 'troost en rust. Dl't deed 'de 'diisoipelen vragen: „Tot W'ie zuilen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens". Velen zijn heen igegaan. Zij hebben Christus verlaten. Zij wandelden niet meer met Hem. Slechts een wijle waren zij gevolgd, omdat zij van 'de broden gegeten hadden. De wonderbare voeding vam vijfd'ulzend mannen zonder vrouwen en kinderen met vijf 'broden en twee visj'es had hem tot de erkentenis gebracht, dat Christus een profeet was. 'Maar hun blinde ogen waren niet verder geopenid dan voor de spijs. Zelfs in dit 'telken van 's Heeren alm'aeht was de Godh'e'id van Christus 'hun niet 'ontdekt. Zij 'kenden zichzelf niet, en zochten Jezus ni'et als Zaligmaker. Toen 'dian ook 'de Heere hen openlijk aanzegde, dat al hun ijver om Hem te zoeken niets anders was dan zelfbehagimg, en dat zij waarlij'k deel 'aam Hem verkrij'gen moesten, van toen af gingen velen 'Zijner discipelen terug, en wandeilden niet meer met 'Hem. En aan ideae discipelen gelijk zijn 'allen, 'die niet waarlij'k in Christ'us zijn imgeplainit. Vian 'hoevele 'duiizenden ke'rkgangers; belijders; ijveraars voor Jezus en voor Zijn zaak op eik levensterreiin, zo men 'het gaarne nioem.t, is 'te vrezen, dat zij terug keren zullen. Ja, 'al waren wy" aangedaan met on'druikken 'in de fconsclëntie en al schaarden wij 'oms bij toet voOk van God, buiten de zaligmakende vereniging mat Christus zoiKen wij 'terug keren en m'et Hem miet mieer wandelen. De scheiding zal eens 'komen. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. Hoe geheel anders was hiet igesteQd miet Petrus. Wie ook 'heen 'giingen, ioij ken van Christus niet 'af. Niet 'omdat Pötrus de Heere vast hiield, maar jufct 'andersom, wijl Ohnistus Zijn 'Volk behou'dt „en ni'em'amd", zo spi'^iekt 'Hij Zelf, „zal ze uit Mijn hian'd ru'kken". Indien het van 'het volk Gods aühing om te volh'arden op de weg des levens, voorwaar, 'het was verloren. Maar zij worden in de kracht Gods 'bewaard tot de zaligheii'd, die 'hum bereid is om geopenbaard te worden 'in de laatste tijd. Het levend gem'aakte volk kan vam Christus niet af, omdat in Hem al h, un heil en zaligheid is. Door de HeiU'ge Geest wordt dat volk gedreven 'om tot Christus te vluchten met ai h-un zonden.

Dat mocht oms deel zijn bij de wisseMnig 'des jaars. Een jaar wordt weder gesloten, vol van dagen, waairvan geschreven 'is, dat elke •da^ genoeg heeft aam zijns zelfs kwaad. Een j'aar 'is 'vol gemaakt van zonden en ongerechtigheden 'door mensen, kinderen Adams, die iarach'tens hun 'diepe val niet anders kunnen en niet anders willen dan tegen God zondigen. Hun heiligste verrichtingen zijn blimkende zonden voor God. Met gedachten, woorden en werken vertreden wij van ogenblik tot ogenblik 'alle Gods geboden. Schuld is met schuld ve'rmeerderd. De Heere zorgde en zegende, en wij vemederden ons niet; de Heere twistte en sloeg met Zijn oordelen en gerichten, en wij verhardden ons tegen 'de slagen. God riep door Zijn Woord. Hij deed leven en dood ons 'aankon'digen, en wij weigerden 'de 'kniie voor Hem te buigen. Ik heb op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst (zo 'klaagt de Heere). Ik heb klaagliederen gezongen, en gij hebt miiet 'geweend. Blikken wij in het jaar, dat schier achter 'ligt, in de ilaatste 'stan'den nog eens teru'g. Geldt ook voor ons miet wat God van Efraïm getuigt: „Efraïms ongerechbiigheid is samengebonden, zijn zonde is opgelegd". O, wie neemt het ter harte? Eens zal de afrekening komen. Eens zal God ons dagen voor Zijn rechterstoel, om le'kenschap te •geven. Zullen wij dan jaar op jaar in 'onze schulden en zonden blijven? Zal ook dit jaar met al zijn schuld einidSgen, zonder verzoening in het bloed des Lams? Zaü het •nieu'we jaar met ai die zonden weder worden aamgevamgen en straks ook weder warden beëindigd?

Gaat, waar gij wilt, moaar nergens zult gij verlossing bekomen kunnen, dan al'leen bij Hem, Die Zichzelf gegeven 'heeft tot een rantsoen voor velen. Gewogen en te licht bevonden is alles wajt buiten Christus is. Mijn medei^eizigeT naar de ontzaglijke eeuwigheid, moge de Heere uw ogen openen voor uw ontzaglij'ke ellendestaat. Hij doe u stil staam op uw levensweg; stil staan bij het wegvlieden van de tijd, eer ook voor u geen tijd meer zijn zal. Meni-geen 'beklaagt voor het tijdelijk leven de verwaarloosde 'tijd, doch 'hoeveel te schrikkelijfcer zal het ons zijn, als wij zullen zeggen aan het etode vam ons ïeven: „Had, o had ik toch 'aan God gedacht". Eer het te laat zijn zail, doe de Heeire ons voor Hem bul'gen en tot Hem vluchten. Daartoe wordt G-ods volk verwaardigd. Het 'aan zijn zonden ontdie'kte, to zichzelf gans verloren volk leert verstaan, dat bij niemand verlossing 'is. De on'gerec'ht'igheid is saamgebonden.

"Spijlen Ds. G. H. Kersten

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1962

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken