Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Beantwoording der vragen n.a.v. de brochure - Voortman

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Beantwoording der vragen n.a.v. de brochure - Voortman

6 minuten leestijd

Op 4 juni 11. werden door Ir. van Dis de navolgende vragen gesteld aan de Ministers van Justitie, Mr. Scholten, en van Landbouw, Mr. Biesheuvel, zulks naar aanleiding van de door de heer Voortman uitgegeven brochure: , , De Nederlandse rechtsstaat in verval"

1. Heeft de Minister kennis genomen van de brochure , , De Nederlandse rechtsstaat in verval", geschreven door de heer G. W. Voortman, landbouwer te Eefde?

2. Is het waar, dat de Hoge Raad heeft beslist, dat de statuten van de Provinciale Gezondheidsdiensteii voor dieren, die toch in feite voor veehouders kracht van wet hadden, niet gepubliceerd behoefden te worden? Indien deze vraag bevestigend beantwoord moet worden, acht de Minister dan een dergelijke beslissing niet ongewenst en is hij bereid na te gaan op welke wijze zulks in de toekomst voorkomen kan worden?

3. Is het waar, dat het Hof te Arnhem op 3 november 1955, rol nr. E 365, heeft besloten tot verbeurdverklaring van vee van de broer en zuster van de heer G. W. Voortman, ofschoon vaststond, dat deze broer en zuster voor hun • vee aan aUe verlangde formaliteiten hadden voldaan en dus geen partij waren in dit strafgeding en derhalve niet hebben kunnen opkomen tegen deze verbeurdverklaring, die hun vee aanging? Zo ja, is de Minister dan bereid voorstellen te doen om door wetswijziging zodanig uitspraken in de toekomst te voorkomen?

4. Is het waar, dat het hoofd van de Gezondheidsdienst voor dieren in de provincie Gelderland heeft opgemerkt, dat hij met het recht niets te maken had?

5. Acht de Minister het niet een zeer ongewenste en laakbare toestand, dat de heer G. W. Voortman op geen enkele wijze inzage kon verkrijgen van de statuten van voornoemde gezondheidsdienst, niettegenstaande vele pogingen daartoe door hem werden gedaan?

6. Acht de Minister het ook niet zeer te laken, dat door de heer.G. W. Voortman op geea enkele wijze zekerheid was te verkrijgen omtrent de vraag of de goedkeuring van de Minister wel of niet op deze statuten verkregen was?

7. Is het waar, dat bij een andere landbouwer vee werd w^gehaald zonder dat een rechterlijke beslissing daartoe gegeven was en dat tot nu toe hierover nog niets is beslist?

Bovenvermelde vragen werden op 3 augustus 11. door de vorengenoemde ministers beantwoord. De antwoorden op het 7-tal vragen luiden als volgt:

1. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord.

2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 december 1958 overwogen dat het namens G. W. Voortman voorgestelde middel van cassatie, betrekking hebbende op het niet bekendmaken van de ministeriële goedkeuringsbeschikking op de statuten van de Provinciale Gezondheidsdienst voor dieren in Gel-, derland, faalde omdat uit geen enkel wettelijk voorschrift volgde dat deze beschikking slechts zou gelden na te zijn gepubliceerd. Wat de publicatie van de statuten zelf betreft, welke in het genoemde arrest van de Hoge Raad niet ter sprake komt, moge worden verwezen naar het op 13 mei 1959 door de toenmalige JVlinister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening a.i. ingezonden antwoord op vragen, door het lid der Tweede Kamer, de heer Van Dis, op 22 april 1959 gesteld. In dit antwoord is duidelijk gemaakt dat publicatie van de statuten niet behoefde te geschieden. Wat de toekomst aangaat, zij erop gewezen, dat er door de intrekking van de Wet bestrijding tuberculose onder het rundvee met ingang van 1 mei 1964 in elk geval geen'aanleiding meer bestaat voor publicatie van de statuten der provinciale gezondheidsdiensten voor dieren, omdat de aansluitingsplicht bij en de interne regelgeving door die diensten sedertdien zijn vervallen en zij nog uitsluitend belast zijn met de uitvoering van de desbetreffende publiekrechtelijke voorschriften, door het Landbouwschap vastgesteld.

3. Het Gerechtshof te Arnhem heeft op 3 november 1955 de verbeurdverklaring uitgesproken van al het vee aangetroffen op het bedrijf van de broeders en zuster Voortman, daarbij overwegende dat G. W. Voortman niet had aangeduid welke runderen aan zijn broeder en zuster toebehoorden. Uit de tekst van artikel 7, sub e, van de Wet economische delicten vloeide toentertijd voort, dat roerende lichamelijke zaken, behorende tot de onderneming van de veroordeelde, waarin het economisch delict is begaan, ongeacht of deze zaken de veroordeelde toebehoren, verbeurd konden worden verklaard. Bij wet van 22 mei 1958 (Stb. 296) is genoemd artikel gewijzigd. De thans geldende regeling komt de ondergetekende niet onbevredigend voor.

4. De betrokkene ontkent ten stelligste een opmerking als in deze vraag bedoeld, te hebben gemaakt.

5. Het is niet waarschijnlijk dat de heer Voortman op geen enkele wijze inzage kon verkrijgen van de statuten van de provinciale gezondheidsdienst voor dieren in Gelderland. Deze' zijn nl. zowel in 1947 als in 1951 in druk verschenen. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft dan ook blijkens zijn arrest van 21 mei 1958, vermeld in het ónder 2 aangehaalde arrest van de Hoge Raad, niet aannemelijk geacht, dat de heer Voortman de statuten niet machtig heeft kunnen worden. De Hoge Raad overwoog dienaangaande dat , , in.'s-Hofs overweging kennelijk ligt opgesloten de feitelijke vaststelling, dat requirant naliet op grondige wijze informaties in te wirmen bij instanties, welke hem konden inlichten, en het Hof dit na­ laten aan requirant als schuld kon verwijten". De heer Voortman heeft zich bij voorbeeld niet ter zake tot het Ministerie van Landbouw gericht.

6. Het is niet juist, dat de heer Voortman op geen enkele wijze zekerheid kon verkrijgen omtrent de vraag of de IVIinister de statuten, onder 5 bedoeld, had goedgekeurd. De heer Voortman heeft zich, voor zover valt na te gaan, ter zake nooit tot het IVIinisterie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening gewend. Ten overvloede zij dan nog herinnerd aan de beantwoording van de vragen van de heer Van Dis, hierboven onder 2 bedoeld, waarbij eveneens van de bedoelde goedkeuring mededeling is gedaan.

7. Voor het antwoord op deze vraag moge worden verwezen naar de beantwoording van de vragen van de leden der Tweede Kamer, de heren Egas en Franssen, over hetzelfde onderwerp (zie Aanhangsel tot het verslag van de Handelingen der Tweede Kamer nr. 376).

Wij hebben deze antwoorden aan de heer Voortman toegestuurd. Deze heeft zich daarop met een schrijven tot de Ministers gewend. Op dit schrijven, waarvan ons een afschrift werd gezonden, is het ons voornemen nader terug te komen, zó mogelijk de volgende week. Het zal dan blijken, dat de beantwoording doordeheerVoortman zeer onbevredigend wordt geacht. Zo wordt door hem bijv. met alle nadruk verklaard, dat de directeur van de Prov. Gezondheidsdienst in Gelderland wel degelijk heeft gezegd, dat hij met recht niets te maken had.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1964

De Banier | 8 Pagina's

Beantwoording der vragen n.a.v. de brochure - Voortman

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1964

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken