Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Brief van de heer Voortman aan de minister van Justitie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Brief van de heer Voortman aan de minister van Justitie

6 minuten leestijd

Wij deelden reeds mede, dat de heer Voortman, landbouwer te Eefde, zich naar aanleiding van de antwoorden van de Minister van Justitie op de door Ir. van Dis gestelde vragen inzake Voortman's brochure, met een schrijven tot voornoemde minister heeft gewend. Voorts dat hij ons een afschrift van deze brief toezond en dat hieruit blijkt, dat hij met deze ant woorden onmogelijk akkoordkem gaan.

Allereerst houdt de heer Voortman staande, dat de directeur van de Provinciale Gezondheidsdienst voor dieren in Gelderland hem wel degelijk heeft toegevoegd, dat hij met Recht niets te maken had.

Voorts blijft de heer Voortman er bij, dat hij wel aangesloten was bij voornoemde Dienst, waarvoor als bewijs door hem werd aangevoerd, dat hij steeds vijf cent per 100 Kg geleverde melk aan deze Dienst bijdroeg. Zijn verzet sproot dan ook helemaal niet voort uit tegenstand tegen de gezondheidszorg voor het vee, daEU" hij één der eersten was, die zijn vee tegen veeziekten liet behandelen nog voordat de boeren daartoe verplicht werden. Hij komt er in zijn schrij-i^en aan de Minister van Justitie dan ook ten sterkste tegen op, dat door de advocaat van de Gezondheidsdienst blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Gerechtshof te Arnhem d.d. 21 juni 1957 werd verklaard, dat Voortman niets aan de Gezondheidsdienst had betagdd.

De Heer Voortman wijst dan op de zo even genoemde 5 cent per 100 kg geleverde melk, welke steeds van hem ten behoeve van de Gezondheidsdienst door de melkfabriek werd ingehouden.

Dan heeft de heer Voortman het in zijn schrijven over de Statuten, die eerst niet te verkrijgen waren, eindelijk te voorschijn kwamen, doch zonder de ministeriële goedkeuring, zoals volgens die Statuten werd vereist. In het afschrift van de brief staat dienaangaande h( L 'olgende:

, , 0p 12 april 1955 verklaarde de voorzitter van bedoelde Gezondheidsdienst, dat de Statuten op 19 juni 1951 nog niet ministerieel waren goedgekeurd.

Voorts verklaarde dezelfde voorzitter op 7 mei 1958 als getuige voor het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat de aanvrage voor goedkeuring van deze gewijzigde Statuten wel was ingediend bij de Minister, doch of de Minister die goedkeuring had verleend, was hem niet bekend. Op 27 oktober 1959 verklaarde voorts dezelfde voorzitter onder ede voor de Rechtbank teZutphen, dat hij er zich nimmer in had verdiept of 'die statuten geldig waren.

Intussen zijn er van de zijde van de Gezondheidsdienst pogingen aangewend om aan te tonen, dat die Statuten reeds in 1951 ministerieel zouden zijn goedgekeurd, hetgeen in strijd is met de verklaringen van de voorzitter, afgelegd op 12 april 1955. Er zijn zodoende reeds vier verschillende stukken in omloop, waardoor zacht uitgedrukt toch onmogelijk een wettig en overtuigend bewijs kan worden verkregen, ten aanzien van een beweerdelijke goedkeuring, die dan in 1951 zou zijn verleend".

Om even van het schrijven van de heer Voortman af te wijken, zij vermeld, dat als laatste zogenaamd „bewijsstuk" voor de ministeriële goedkeuring een stuk naar voren werd gebracht, dat een andere datum droeg dan de overige stukken. De datum van dit , , bewijsstuk" viel echter op een zondag! Dit is toch wel zeer verdacht, daar het niet aannemelijk is, dat de goedkeuringsbeschikking op een zondag zou zijn opgesteld.

In één der antwoorden van de A/Iinister op de hem gestelde vragen wordt de heer Voortman voorts verweten, dat hij heeft nagelaten op grondige wijze informaties in te winnen bij instanties, welke hem konden inlichten. Hij zou zich bijvoorbeeld niet ter zake tot het Ministerie van Landbouw hebben gericht.

Ook dit wordt door de heer Voortman pertinent tegengesproken. Woordelijk schreef hij aan de Minister ter zake het volgende:

, , Uit antwoord 6 aan de heer van Dis blijkt, dat U er niet in geslaagd bent, na te gaan of ik mij op het Ministerie van Landbouw, zou hebben vervoegd, om te weten te komen of de Minister de bedoelde Statuten zou hebben goedgekeurd. Op zaterdag 9 juni 1956 ben ik daarvoor op het Ministerie van Landbouw geweest, doch keerde onverrichterzEike terug, want de Algemeen Secretaris kon mij geen zekerheid verschaffen ten aanzien van de vraag of bedoelde Statuten ministerieel waren goedgekeurd".

Uit het schrijven van de heer Voortman blijkt dus, dat hij wel terdege op het Ministerie van Landbouw is geweest. Het was echter voor hem een vergeefse reis. De ambtenaar, die hem te woord stond, blijkbaar één der hogere ambtenaren, kon hem omtrent de zaak van de al of niet goedkeuring der Statuten geen zekerheid geven.

Is dit op zichzelf al hoogst onbevredigend, dit wordt nog te bedenkelijker als men weet, dat de heer Voortman per brief van 2 juni 1956 was uitgenodigd om op 9 juni 1956 op het Ministerie van Landbouw te komen, zoals de heer Voortman dit in zijn brief aan de Minister meedeelt.

Het is dan toch wel kras, dat de Minister van Justitie in zijn antwoord vermeldt, dat , , de heer Voortman zich, voor zover valt na te gaan, terzake nooit tot het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening heeft gewend". Dat deze zaak met de gestelde vragen en de daarop verkregen antwoorden nog niet van de baan is, kan blijken uit de mededeling van de heer Voortman, dat hij inmiddels zijn zaak aanhangig heeft gemaakt bij de vaste Kamercommissie voor de verzoekschriften.

Wij zuUen het hierbij laten en niet ingaan op een brief van één onzer partijgenoten de heer A. E. te K., die als landbouwer achter de heer Voortman staat en zijn mening gaf over de antwoorden van de Minister van Justitie, welke in De Banier van 3 september werden gepubliceerd.

Wij vonden het beter ons te bepalen tot wat de heer Voortman zelf over die beantwoording schreef.

Dit alleen wiUen wij wel even verklaren, dat wij het volkomen met de heer E. eens zijn, dat het wel zeer onrechtvaardig moet worden geacht om het vee van de broer en zuster van de heer Voortman in beslag te nemen. Dezen hadden aanvankelijk wel geweigerd zich schriftelijk bij de Gezondheidsdienst aan te melden, maar hadden dit daarna toch gedaan. Onrechtvaardig vooral ook omdat de raadsman van deheer Voortman, Mr. Van Es, nadrukkelijk aan het ge^ rechtsbof te Arnhem had verzocht om, indien tot verbeurdverklaring van het vee zou worden overgegaam, uitsluitend het vee van de heer VoortmEin daaronder te doen vallen. Ook was het Hof bekend welke runderen de heer Voortman toebehoorden, nl. 11 stuks vee met nummering er bij vermeld. Het is dan toch maar een zeer duistere zaak, wanneer men in het antwoord van de Minister leest, dat de heer Voortman niet had aangeduid welke runderen aan zijn broer en zuster toebehoorden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1964

De Banier | 8 Pagina's

Brief van de heer Voortman aan de minister van Justitie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1964

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken