Bekijk het origineel

Uit de Staten van Zeeland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Staten van Zeeland

5 minuten leestijd

1

Bij de behandeling van de verschillende afdelingen der provinciale begroting voor Zeeland kwam ook de subsidieverlening ter sprake ten behoeve van kulturele instellingen. Ook hierbij voerde de heer Adelaar als waarnemend fractievoorzitter het woord.

Spreker begon met er op te wijzen, dat in de Statenvergadering al meer isg^ zegd — en spr. was het daarmee eens — dat de ontwikkeling van de provincie niet los moet worden gezien van de ontwikkeling van ons land en dat die ontwikkeling zelfs in internationaal verband moet worden beschouwd, dit laatste ook met het oog op de verkeersverbindingen. Hetzelfde geldt naar de mening van sprekers fractie ten aanzien van de beoefening van de kuituur. Er zijn toch verschijnselen in de uitingen van de westerse kuituur van de laatste jaren, die ons verontrusten, en die in ons land ook mensen van buiten onze groepering de handen ineen hebben doen slaan. Zij hebben zich met een adres gericht tot verscheidene vooraanstaande personen, om met elkander hiervoor een dam op te werpen. Spr. bedoelt met kulturele uitingen in dit verband datgene, wat via radio, televisie en bioskoop aan de Nederlandse bevolking wordt geboden. Ik laat het gaarne aan de andere statenleden over om de voorbeelden, die er m.i. te over zijn, naar voren te brengen.

Sprekers fractie staat daarom eigenlijk huiverig ten aanzien van de kuituur. Het is niet zo — zoals de heer Keuning dat bij de vorige algemene beschouwingen heeft gezegd — datwij evenals de door hem genoemde Duitser naar de revolver zouden grijpen, als wij het woord , , kuituur" hoorden. Mijn fractie staat echter op het standpunt, dat de overheid op dit terrein wel degelijk een taak heeft. Wij zien dit zo op grond van het Schriftwoord, dat wij vinden in Romeinen 13 : 3, dat nl. de overheid Gods dienaresse is, u ten goede. Warmeer wij de statenvertaling opslaan, dan lezen wij: Om u door dezelve — dat is de overheid — allerlei goeds toe te brengen en voor uw welvaren te zorgen".

Met deze enkele woorden wil ik in grote lijnen aantonen, dat wij ons wel degelijk ervan bewust zijn, dat de zorg van de overheid zich niet moet beperken tot het zakelijke en het economische, maar zich ook moet uitstrekken tot het welzijn van de burger. Wat is echter het welzijn van deburger? De Ehaitse wijsgeer Kant haalde in zijn grote werk , , Ten eeuwigen vrede" reeds aan, dat de overheid de plicht had iedere burger de gelukzaligheid te brengen, althans de gang daar naar toe te bevorderen. Nu ligt het grote verschil hierin: wat beschouwt men als het goede en als de gelukzaligheid? Wanneer wij dan, op grond van het zojuist door mij aangehaalde gedeelte .van Gods Woord verder in het Heilig Boek bladeren, dan komen wij tot de conclusie, dat de hedendaagse beoefening van de kuituur niet voert naar die gelukzaligheid, die volgens het heilig blad de Virare gelukzaligheid is, maar dat dit voert tot grootsheid des levens en begeerlijkheid des vleses, om de woorden van de apostel te gebruiken. Ik wil hierover verder niet veel zeggen. Ik houd er niet van, met Bijbelteksten te zwaaien, maar ik wilde, omdat in een vorige vergadering en ook in deze vergadering misschien misverstanden zijn ontstaan ten aanzien van ons standpunt, dit even breder bespreken.

Wij twijfelen niet aan de goede bedoelingen van het college, om de kuituur te verheffen, maar wanneer wij zien dat subsidie wordt gegeven voor kulturele uitingen, waarbij zeer krenkendingen voorkwamen en waarbij de centrale overheid als het ware de handen in onschuld waste door te zeggen: , , De verantwoordelijkheid voor hetgeen is uitgevoerd ligt niet bij ons", dan geloven wij niet dat wij de goede richting uitgaan, wanneer ookdeprovinde zich op het standpunt stelt: met de programmering bemoeien wij ons niet; die is voor verantwoordelijkheid van degenen, die het willen uitvoeren. Nogmaals, wij zien het zo — en wij staan daarin heus niet alleen — dat de hedendaagse beoefening van de kuituur in haar algemeenheid eerder voert tot verwording van de zeden dan tot verheffing van dezeden. Wanneer men daarop geen betere greep heeft — ik kom dan in de richting van ons geacht medelid de heer Hommes (A.R) — en wanneer er geen streng toezicht is op hetgeen wordt geboden, dan kunnen wij helaas onze stem niet geven aan voorstellen tot het verlenen van subsidie aan deze kultuurbeoefening.

Naast onze principiële bezwaren zijn er bij ons nog zakelijke bezwaren. De heer Kaland (C.H.) heeft gezegd — maar ik meen dat dit meer in verband met de financiële positie van de gemeenten was — dat ik bij de algemene beschouwingen zou hebben opgemerkt, dat er geen lijn zou zitten in het subsidiebeleid. Hij wilde met enkele voorbeelden aantonen, dat de lijn er wel was, omdat al enkele jaren achtereen voorstellen bij de staten zijn beland, die ertoe dienden om subsidies in te trekken. Zoals ik echter ook al bij de algemene beschouwingen heb gezegd, geloof ik dat wanneer het college verschillende subsidies afschuift naar de gemeenten en dit motiveert met de opmerking: , , Wij hebben daarbij in eerste instantie niet te letten op de financiële positie van de gemeenten", ditzelfde geldt ten aanzien van de partikulieren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965

De Banier | 8 Pagina's

Uit de Staten van Zeeland

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1965

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken