Bekijk het origineel

Wijziging van de Wet op de lijkbezorging

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wijziging van de Wet op de lijkbezorging

16 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Verslag en rede van Ds. Abma

Bovengenoemd wetsontwerp staat in zeer nauw verband met de door de heer Scheps in 1965 ingediende motie,

v\ aarin de Regering werd verzocht algehele gelijkstelling van het begraven en het verbranden van lijken te willen bevorderen. Ja, in dit wetsontwerp wordt de motie-Scheps tot uitvoering gebracht, zodat, wanneer het na aanneming door de Eerste Kamer tot wet zal zijn verheven, de voorstanders van lijkverbranding zonder enige formaliteit zoals dit voorheen verplichtwas gesteld, hun stoffelijk overschot kunnen laten kremeren.

Voordat de behandeling begon werd eerst door de heer Fievez, lid van de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken, verslag uitgebracht over de ingekomen stukken. Er was er slechts één, maar van onverkwikkelijke aard. Het betrof namelijk een verzoekschrift van het bestuur van de Belangenvereniging Amsterdam-Noord , , BAN", te Amsterdam, waarin werd verzocht te bevorderen, dat aan het legen van de urnen, afkomstig van hetkrematorium te Driehuis-Westerveld, in het Buiten IJ en/of het IJssekneer een einde wordt gemaakt en dat zodanig legen voortaan zal geschieden buiten de Nederlandse Noordzeekust. Tijdens de besprekingen over het wetsontwerp deed de Staatssekretaris van Volksgezondheid, Dr. Kruisinga, de toezegging dat hij naar deze zaak eennader onderzoek zal laten instellen.

Deze behandeling, namelijk het uitstrooien van de as op het water doet ons denken aan de tijd der Inquisitie toen bevolen werd, dat de as van de lichamen van de op de brandstapels omgekomen martelaren op het water moest worden uitgestrooid, opdat er van deze dusgenaamde „vermaledijde ketters" geen memorie meer zou zijn. De nagedachtenis aan hen moest van de aarde totaal worden uitgeroeid.

Thans gaan we over tot het geven van een kort verslag van hetgeen door de Kamerleden, die bij dit wetsontwerp het woord voerden, werd opgemerkt. De eerste spreker was een socialist namelijk de heer Westerhout, die in het Kabinet-Cals nog enige tijd Staatssekretaris van Binnenlandse Zaken is geweest. Dat deze een voorstander van het wetsontwerp was, behoeft geen nader betoog. Vrijwel zijn eerste woord was dan ook: Eindelijk. Het had hem dus blijkbaar al veel te lang geduurd voordat de Regering aan de motie-Scheps uitvoering gaf. Voorts werd het werk van de kommissie-Kan door hem hogelijk geprezen, daar deze het onderhorige wetsontwerp had voorbereid en meer dan eenmaal over deze volgens hem moeilijke en gevoelige materie had gerapporteerd. Ook zijn partijgenoot de heer Scheps werd door hem met bloemkransen omhangen vanwege zijn zo herhaaldelijk aan de orde stellen van deze materie op de van hem bekende en meeslepende en bloemrijke wijze.

Opmerkelijk was wel wat deze spreker zei, namelijk dat het wetsontwerp alleen nog maar een voorlopige regeling betrof. Het ging hierbij om een aanpassing aan de bestaande wetgeving teneinde de formele gelijkstelling van kremeren en begravenmogelijktemaken. Dit wijst er op, dat er na verloop van tijd een geheel nieuwe wet op de lijkbezorging komt.

In de Memorie van Antwoord was dit dan ook reeds meegedeeld. Minister Polak (V.V.D.) van Justitie werkt daar zelfs al met voortvarendheid aan. De kwestie van de lijkverbranding is met dit wetsontwerp dus nog niet tot een eind gekomen.

De heer Westerhout hield zich vervolgens bezig met het oprichten van Krematoria. De kommissie-Kan had voorgesteld naast de gemeentelijke en bijzondere krematoria ook de mogelijkheid te openen voor de oprichting van provinciale krematoria, maar in het wetsontwerp was over het laatsgenoemde niets bepaald.

Ook door andere sprekers werd het oprichten van provinciale krematoria bepleit, o. a. door de heer Geertsema (V.V.D.). Deze diende zelfs amendementen aangaande deze kwestie in, welke door de heer Westerhout mede waren ondertekend. Deze amendementen werden daarna tot één amendement teruggebracht en toen mede-ondertekend door de heer Boot.

Als woordvoerder der K.V.P.-fraktie stemde laatstgenoemde volkomen in met het wetsontwerp. Dit behoeft niet te verwonderen, daar Rome lang niet meer afwijzend tegenover de lijkverbranding staat. Enkele jaren geleden werd zelfs door de paus voor roomskatholieken de krematie geoorloofd verklaard. De heer Boot zag in het wetsontwerp uitdrukking van de emancipatie van de verdraagzaamheid in Nederland.

De volgende passage uit de rede van de heer Boot is wel veelzeggend. Hij zei namelijk: , , 0ok al staat de Regering kennelijk niet te popelen om zich uit te spreken over een voorkeurvoor begrafenis boven krematie of omgekeerd, zij zal er op den duur, evenmin als bij vraagstukken omtrent de geboorteregeling, niet aan kunnen ontkomen, zich direkt of indirekt uit te spreken over het pro en contra met betrekking tot de wijze van lijkbezorging".

Kennelijk had de heer Boot hierbij het oog op de ruimte die door de kerkhoven in beslag wordt genomen in verband met de sterke groei der bevolking. Dit blijkt wel uit het vervolg van zijn rede, waarin hij citeerde uit een rapport van het, , Pastoraal Instituut van de Nederlandse kerkprovincie". In dit citaat wordt namelijk ook gewezen op het ruimtegebrek. Wijzen deze uitlatingen reeds op de mogelijkheid dat na verloop van tijd krematie regel en begraven uitzondering zal worden?

Dr. Kuyper heeft daarover omstreeks 1878 reeds zijn verontrusting uitgesproken. Ds. Abma deed dit in 1965 bij de behandeling van de motie-Scheps ook, evenals dit ook nu weer door hem werd gedaan.

Dat het daartoe zal komen is zeker niet uitgesloten. De ontkerstening toch gaat met reuzen schreden voorwaarts. Gods Woord wordt door steeds meer als een boek vol mythen aangemerkt. Zelfs „hooggeleerden" van gereformeerde richting sluiten zich daarbij al min of meer aan. Het ligt dan ook in de lijn van de tijdgeest om na verloop van tijd de krematie te stellen boven de begraving. De heer Boot zei reeds dat de Regering er op den duur niet aan zal kunnen ontkomen zich direkt of indirekt over de wijze van lijkbezorging uit te spreken.

Dat het wetsontwerp met vreugde door de heer Geertsema (V.V.D.) als onvervalste liberaal werd ontvangen, ligt voor de hand. Ook hij toch heeft voort­ durend op algehele gelijkstelling van begraven en kremeren aangedrongen. Hij sloot zich dan ook volledig bij de heren Westerhout en Boot aan. Had voorts de heer Westerhout de heer Scheps naar voren gebracht, de heer Geertsema voerde zijn partijgenoot de heer Oud op. Ook voor hem, aldus deze spreker, zal het ongetwijfeld een grote voldoening zijn, dat zijn herhaald in deze Kamer gevoerde pleidooi voor een feitelijke gelijkstelling van het begraven en het kremeren in een wetsontwerp is neergelegd.

Voorts sprak de heer Geertsema ook zijn grote voldoening er over uit, dat de heren Westerhout en Boot en hij zelf een amendement zouden indienen, waardoor het enige principiële verschil, dat nog tussen het begraven en kremeren bestond, uit de wereld zal worden geholpen. Met de heer Boot, behorend tot de K.V.P., dieinde„18" vertegenwoordigd is en daarom zelfs de meerderheid uitmaakt. Wat deze , , 18" onder , , christelijkepolitiek" verstaan, laat zich dan wel denken. De begraving is toch bij uitstek een

christelijke handeling. E)e heidenen, die destijds bij de krematie waren opgevoed braken hiermee onmiddellijk wanneer zij tot het Christendom waren overgegaan. Voor de „18" heeft dit echter geen betekenis meer. Ook minister Beernink bleek geen bezwaar te hebben tegen het zoeven genoemde amendement Geertsema-Westerhout-Boot, zoals straks nader blijken zal. De heer Geertsema drongtenslottenog aan op een snelle indiening van het wetsontwerp tot algehele herschrijving van de Wet op de lijkbezorging. De heer Jongeling herinnerde aan het

kompromis dat in 1965 bij de motie-Scheps tot stand kwam. Hij noemde zulk een kompromis uiterst gevaarlijk, omdat de voorstanders steeds er op uit zijn de tegenstanders, op het hellend vlak mee te krijgen. Hijherirmerde er voorts aan, dat alleen het G.P.V., de S.G.P. en de B.P. in 1965 tegen de motie-Scheps hadden gestemd. Voorts betreurde hij het, dat straks niet meer uit de wetgeving zal kunnen worden afgelezen, wat de overheid de juiste christelijke wijze van lijkbezorging acht. Ook had spreker bezwaren tegen het feit, dat de gemeentelijke overheden krematoria zullen kunnen gaan oprichten.

De heer Van Harselaar (B.P.) zei dit wets ontwerp niet in het p rincipiële vlak te willen behandelen. Men mag zich volgens hem niethet recht aanmatigen om hen, die gekremeerd willen worden, dit onmogelijk te maken ofte bemoeilijken. Dit zou een aantasting zijnvan het recht van onze medemens. Hij kon zich met zijn politieke vrienden dan ook in het standpunt der Regering wei vinden.

Het is toch wel zeer opmerkelijk, dat de heer Van Harselaar hier lijnrecht inging tegen de fraktie der B.P. zoals die in 1965 bestond; want dezefraktie stemde toen tegen de motie-Scheps.

Deze omzwaai zal ongetwijfeld wel moeten worden toegeschreven aan de uitbreiding van de fraktie van de B.P. van 3 tot 7 leden in 1967.

Hierna kwam Ds. Abma aan het woord, wiens rede men hieronder vindt weergegeven.

Prof. Diepenhorst (A.R.P.) volstond met ook namens de fraktie der C.H. U. mede te delen, dat zij met het onderhavige wetsontwerp konden instemmen. De ontworpen regeling aldus spreker, vloeide logisch voort uit de reeds in 1955 ten principale genomen beslissing, dat de overheid het naleven van de christelijke traditie van begraven niet dwingend kan en mag opleggen aan hen, die voor zichzelf deze traditie niet aanvaarden of ook voor deze tijd niet meer zinvol achten. Spreker verklaarde tenslotte nog, dat zijn fraktie tegen de mogelijkheid om provinciale krematoria te stichten geen bedenking had.

De heer Aarden (R.K radikalen) zei bewondering te hebben voor de rede van de heer Boot (K.V.P.) en sloot zich voorts bij diens opmerkingen geheel aan.

Ds. Abma sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

Dit is de derde keer in enkele jaren, dat in deze Kamer over deze materie wordt gesproken.

Steeds duidelijker hebben zich de kontoeren afgetekend van het wetsontwerp, dat thans voor ons ligt. Na de voorafgaande diskussie en de gebruikelijke schriftelijke gedachtenwisseling is het niet goed mogelijk om nog \eel nieuwe gezichtspunten en andere argumenten naar voren te brengen. Uit de diskussie, die heeft plaatsgevonden, zal echter wel gebleken zijn, dat u ij ons vanuit ernstige principiële be-/Avaren gedrongen voelen om onze ^tem niet aan ditwetsontwerp te geven. Mijnheer de Voorzitter! , , Het Vader-I i.d" van 22 jimi 1967 wist reeds te \ertellen, dat de S.G.P. en het G.F.V. \ ermoedelijk hun vingers vermanend /ouden opheffen, maar volgens dit i; lad zou het hierbij wel blijven wat het

principiële verzet

\ an christelijke zijde betrof. Uit de geschiedenis van de lijkbezorging blijkt toch wel, dat door de vestiging van het christendom het begraven als wijze van lijkbezorging algemeen is aanvaard. Ik meen, dat deze gewoonte niet mag worden gerekend tot de adialora, maar dat wij in de wijze van lijkbezorging, zoals die ingang heeft gevonden door het christendom, een indrukwekkende belijdenis van geloof vinden met twee aspekten.

Enerzijds is er de vernedering en de oneer van het graf, maar anderzijds v\erden de gelovigen getroffen door de gelijkvormigheid met de dood, de be-Hiaving en de opstanding van de

Leidsman en de Voleinder

\ an het geloof en ontleenden zij daaraan de troost voor de hoop op de ops'anding. Ik meen dat het toch niet iuist is, te zeggen, dat wij in Gods Woord noch een verbod lezen voor de krematie, noch een gebod voor de be-•_, raving. Ik meen, dat zoals er meer (.ingen evident zijn, toch niet arbitair \i ag worden gesteld, dat Gods Woord deze wijze van lijkbezorging voorschrijft. Het dispuut is in het verleden n.et scherpe felheid gevoerd. Het idee en het streven naar de realisering van ue lijkverbranding ontsproot in den l^eginne toch zeer duidelijk aan een nientaliteit, die het geloof vijandig was en het is ook wel openlijk gepropageerd en zelfs wel provocerend, dat men zich onttrekken wilde aan het getuigenis van Gods Woord.

Het is ook zeer duidelijk - dat pleit voor de krematie - voortgekomen uit (ie zogenaamde humanistische kringen. Dit wetsontwerp is dan ook voor een groot deel voorbereid door een \orige regering, dieuitdrukkelijkgesteid heeft, dat

christendom en humanisme

beide de pijlers zijn moesten, waarop liet beleid zou behoren te rusten.

Wij zijn destijds toch niet alleen gew eest, die ons verzet hebben tegen dit , hiinken op twee gedachten. Als mende | geboden Gods verplichtend stelt voor ; overheid en volk, de christelijke waarden en een dergelijk karakter van het volk krachtens beginselprogram de moeite waard achtomtebewaren, dan moet toch ook wel van daaruit verzet w orden aangetekend tegen de bedoeling van dit wetsontwerp.

Er is hier zojuis en in de pers tevoren al opgewezen, dat er een zeer opzienbarende kentering valt te konstateren. Ik w eet niet, of een evolutie in een opinievorming per definitie ook als vooruitgang moet gewaardeerd worden. Ik zou er toch wel graag het bewijs eens voor willen vernemen, dat gedachten- ; , ntwikkeling zonder meer als progressie moet worden aangemerkt.

Wü zijn het eens met een konklusie in het voorlopig verslag, dat hier een - tap verder gezet wordt op een pad, jat de overheid in het verleden

oogluikend

liet betreden. Men wilons wel verwijten 11, et deze standpuntbepaling - dat is ook vanmiddag al min of meer uitge--Dioken - dat dit zou voortvloeien uit en gebrek aan verdraagzaamheid. Ik weet niet, of tolerantie zich juist aleen en speciaal moet openbaren op il et terrein van de wetgeving. Wij wensen toch niet mee te werken aan het be-\ orderen van een klimaat - dit wetsontwerp kan daartoe ook een belangliike dijdrage leveren - dat voor ons \ olk niet heilzaam is, want ik geloof niet, dat deze twee methoden van lijkbezorging zonder meer als gelijksoorliije alternatieven naast elkaar gesteld liunnen worden. Er heeft spanning bestaan en ik ben er niet gerust op dat üie spanning ook niet in de toekomst //d\ blijven voortbestaan.

In een eerder stadium heb ik al eens gezegd, dat ik het zeer wel denkbaar acht, dat degenen, die prijs stellen op een

begrafenis

een kodicil zouden moeten laten opstellen, zoals tot dusver werd verlangd van degenen, die aan krematie de voorkeur gaven. De bordjes zouden Cl us moeten worden verhangen.

De bewindsman, de toenmalige Minister Smallenbroek, interrumpeerde onmiddellijk en vroeg me, waarop ik die suggestie grondde. Ik heb toenheteen en ander gezegd, waaruit bleek, dat het in de praktijk zeer wel denkbaar was. Ik heb gekonstateerd, dat in de wet onder artikel ld ook wel degelijk gesteld is, dat een meerderjarige op verschillende meuiieren beschikkingen na dode kan treffen tot bezorging van zijn lijk. Hieruit konkludeer ik, dat ik toen toch bepaald niet een wereldvreemde opmerking heb gemaakt. Ik acht dit voor alleenstaanden, die nahundood afhankelijk zijn van

familieleden,

die misschien in geestverwantschap nog verder afstaan dan zij elkaar in den bloede bestaan, toch wel zeker van belang.

Gezien het gebrek aan ruimte, stijgende kosten van grond, acht ik het zeer wel mogelijk, dat het voor degenen, die prijsstellen op een begrafenis, in de toekomst heel wat moeilijker gaat worden, en zo min als men twee heren kan dienen, lijkt het mij ook voor de gemeente op den duur een moeilijke taak te worden, tweeërlei belang te dienen en in tweeërlei behoefte te voorzien. Onlangs heb ik een artikel gelezen, waarin een lans werd gebrokenomde kerkhoven maar te laten verdwijnen en daarvan

sportvelden

•te maken, wat voor de volksgezondheid toch veel meer profijt zou geven. Men kan nu wel het verwijt maken, dat wij door deze standpuntbepaling een gebrek aan tolerantie aan de dag leggen, maar het zou binnen afzienbare tijd wel eens kunnen blijken, dat het subjekt van tolerantie een objekt van tolerantie gaat worden.

Wij kunnen wel onderschrijven wat verschillende leden van deze Kamer hebben gesteld, namehjk dat het toch wel degelijk een vraagpunt is, of de mens het recht heeft, de ontbinding van zijn stoffelijk overschot te versnellen. Wij zien hier toch wel een

wederkeer van ideeën en gevoelens,

die na de kerstening van dit land zijn uitgebannen. Wij voorzien daarom, dat het voor degenen, die naar hun geloof wensen te leven, in de toekomst moeilijker kan worden, ook op dit punt.

Wij lezen in het Evangelie, dat Christus Zelf heeft uitgesproken, dat het t^ras heden is en morgen in de oven \\ ordt geworpen. In aansluiting daarop zegt Hij, dat de mens dit gras zeer ver te boven gaat. Ik dacht in dit opzicht, dat van de mens niet mag gelden, dat hij heden is en morgen in de o\'en wordt geworpen.

Ons verzet tegen de bedoeling van dit w etsontwerp vloeit voort uit een oprechte gehoorzaamheid aanhet gebod en toch ook wel uit waarachtig respekt V oor de mens.

Minister Beernink maakte het in zijn beantwoording der sprekers over het algemeen zeer kort. Wel werden de voorstanders van het wetsontwerp het rijkst bedeeld.

Ten aanzien van ds. Abma merkte hij op, het zo te kunnen stellen, dat in de Heilige Schrift noch een verbod van krematie, noch een gebod van begraven voorkomt Wanneer ds. Abma deze stelling deelt, aldus de Minister, dan zou hij zich daarover verheugen.

De Minister moge zich al verheugen, maar zijn opmerking snijdt helemaal geen hout, zoals ds. Abma in zijn rede ook al deed uitkomen.

Wij gaan hierop thans echter niet verder in, omdat wij van onze medewerker de heer De Rooij uit Rijssen (leraar mulo) nog vóór de behandeling van bovengenoemd wetsontwerp enige artikelen over de lijkverbranding hebben ontvangen, welke D.V. binnenkort zullen worden geplaatst. Daarin wordt ook de zoeven genoemde opmerking van Minister Beernink ter sprake gebracht en ontzenuwd.

Zoals reeds werd opgemerkt was er een amendement-CJeertsema, waarin de provinciale besturen de bevoegdheid werd toegedaan krematoria op te richten. Dit amendement, waartegen de Minister geen bezwaar had, werd bij zitten en opstaan met grote meerderheid van stemmen aangenomen.

S.G.P., G.P.V. en B.P. stemden tegen. De laatstgenoemden deden dit niet om principiële redenen, maar omdat door de Minister was meegedeeld, dat het huidige aantal krematoria aan de behoefte voldoet. En tevens omdat er volgens de Minister van de zijde der provincies nog geen wensen met betrekking tot het bouwen van provinciale krematoria waren geuit.

Hierna werd het wetsontwerp zonder hoofdelijke stemming aangenomen, doch met aantekening, dat de frakties van de S.G, P. en het G.P.V. geacht wensten te worden te hebben tegengestemd.

Het is wel zeer bedroevend, dat slechts 4 van de 150 Kamerleden tot den einde toe door middel van hun stem zich hebben verzet tegen een wetsontwerp, w aarin de heidense praktijk der lijkverbranding wettelijk wordt gelijk gesteld met de christelijke praktijk der begrafenis.

In het bijzonder moet het teleurstellen, dat de A.R. en C.H. daaraan hun medewerking hebben willen verlenen. Dit wijst er al wel op, dat we er goed aan zullen doen van de , , christelijke politiek", die de „18" zeggen te willen voorstaan, geen hooggespannen verwachtingen te koesteren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1968

De Banier | 8 Pagina's

Wijziging van de Wet op de lijkbezorging

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1968

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken