Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

6 minuten leestijd

De strijd Is des Heeren

Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen en trek uit, strijd tegen Amalek; ynorgen zal ik op de hoogte des heuvels staan en de staf Gods zal in mijn hand zijn.

Ex:17 : 9.

Terwijl de donkere schaduioen van de eindtijd over de wereld vallen, voert de kerk des Heeren haar eigen strijd. Deze strijd is niet gemakkelijk, integendeel:

„Het leven is geen vrede alhier, geen wapenstilstand vragen. Het leven is de kruisbanier tot in Gods handen dragen." De kruisbanier in Gods handen! Wie dat door genade met Mozes mag beoefenen, voor hem of haar geldt, ook in de ontzaglijke ernst der tijden: „Saevis tranquillus in iindis": rustig temidden der woedende golven.

Nauwelijks drie maanden is Israël uit Farao's diensthuis uitgeleid. God baande door de woeste haren en brede stromen hun een pad. Doch al spoedig komen de tegenslagen. Gebrek aan brood en water doet hen weer hunkeren naar de vleespotten van Egypte. Ondanks veel murmurering geeft de Heere uitkomst. Ze mogen hun dorst lessen met water uit de rots en dagelijks laat de Heere manna regenen rond hun tenten.

Maar opnieuw komt er een zware beproeving. „Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim". Onverhoeds valt dit woestijnvolk hen aan en dan nog wel op de meest kwetsbare plaats, in de achterhoede, waar zich de vrouwen, kinderen en grijsaards bewinden (Deut. 25).

Wat heeft Amalek toch wel bewogen tot deze onzalige strijd? Misschien de vrees dat Israël straks bij de verovering van Kanaan ook aan hün macht een einde zal maken? 't Kan zijn, maar de eigenlijke oorzaak ligt dieper. Immers wie was Amalek? Amalek was de zoon van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau. Is het niet zeer opynerkelijk dat deze afstamnieliiigen van Ezau nu als eerste vijand het volk Israël tegemoet treden?

Het is de oude vijandschap van Ezau tegen Jacob, dié hier weer oplaait. Israël is op weg om de beloofde erfenis in bezit te nemen. En dat is Amalek een doorn in het oog. Dat moet ten koste van alles verijdeld worden. Zo is deze strijd van Amalek tegen Israël ten diepste een satanische aanval op de God van Israël! En deze strijd gaat alle eeuwen door. Ook vandaag gaat het in wezen nog om dezelfde antithese als tussen Israël en Amalek, het vrouwenzaad en het slangenzaad.

En van wie heeft Gods volk in deze strijd het meest ie verduren? Van de onverschillige wereld of van de godsdienst? We hebben pas Pinksteren gevierd. En op de eerste Pinksterdag weerklonk de spottaal van het vijandige Jodendom: ze zijn vol zoeten wijns. En later lezen we hoe Paulus het meest te lijden had van de ingekropen valse broeders. Zoals hier in de woestijn het verwante volk van Amalek als eerste vijand tegen Gods volk de wapenen opneemt.

Wat zal Israël daar nu tegenover stellen? Of zal het helemaal niets hoeven te doen?

Zo was het immers tot dusver gegaan. Bij de Schelfzee was 't alleen een strijd geweest tussen de Heere en Farao. Hoe heerlijk had hun 't woord van Mozes in de oren geklonken: , , De Heere zal voor u strijden en gij zult stil zijn".

Zal het nu weer zo gaan? Maar de gemahikelijkste weg is niet altijd de beste. Dat moeten ze leren in de woestijn. En de Heere is zulk een wijs Opvoeder voor Zijn kinderen. Ze mogen niet in de kinderschoenen blijven staan. De kerk moet volwassen worden. En kinderen die altijd door hun ouders worden verwend, kunnen later niet op eigen benen staan. Dan zijn ze niet bestand tegen de stormen des levens.

En zo zien we hier de altoos wijze Raad des Heeren; wat Hij bij de uittocht uit Egypte wèl doet, alleen de strijd strijden, dat doet Hij thans niet bij de doortocht door de woestijn. Dan moeten ze in actie komen en de strijd aanbinden, opdat ze in Hem meer dan overioiyr-' naars zouden zijn.

Wat ligt hier een les, ook voor ons, lezers.

O, van alle kant stormen de vijaiiden op ons aan. En ook thans is het geslacht der Amalekieten nog niet uitgestorven. Wat kunnen de drie doodsvijanden ons benauwen, de duivel, de wereld en dan niet het minst die Amalekiet van binnen, ons eigen vlees, dat altijd weer geneigd is toe te geven aan . . . communist of atheïst? O, neen, maar vooral aan die vijand aan wie we 't meest verwant zijn: die Atnalekiet in de kerk, in ons gezin, ja in ons eigen hart, dat ons influistert: geef toch wat toe, dan houdt ge vrede. Ja, maar ten koste van de waarheid!

O, mocht het volk van Nederland nog ontwaken uit z'n doodsslaap en mochten de ogen van vele leidslieden nog open gaan eer het te laat is, om de bazuin aan de mond ie zetten en te waarschuwen tegen het gevaar van het compromis, waar zelfs de Amalekieten als bondgenoten worden beschouwd.

O Nederland, let op uw saeck! De slem is Jacobs stem, maar de hande7i zijn Ezaii's handen!

Zou er nog ontkoming zijn? Zeer zeker, maar alleen in de weg ? ; a? i bidden en strijden. Ora et labora!

Zie het aan Mozes. Hij geeft Jozua de opdracht om aan het hoofd van zijn mannen de strijd tegen Amalek aan te binden, die straks in alle heingheid ontbrandt.

Maar ook nu geldt: de strijd is des Heeren! Wa7if de eigenlijke strijd wordt niet beslist in de woestijnvlakte. maar boven op de heuveltop. Daar zit Mozes en hij houdt, gesteund door Aaron en Hur, de staf Gods omklemd, terwijl zijn gebed omhoog rijst: Twist met mijn twisters, Hemelheer; Ga mijn bestrijd'ren toch te keer . . .

De staf Gods, het symbool van Gods wondermacht in het verleden. En door deze opgeheven staf wijst Mozes de Heere op Zijn eigen werk. Dat is de ware pleitgrond!

Hebt u dflf door genade ook al eens mogen doeti? Dan kunnen de bestrijdingen vele zijn: „Ik vrees dat ik nog alles mis en dat mijn werk geen waarheid is".

Neen. niet - mijn werk. mijn zuchten en tranen, kunnen tenslotte de grond zijn. inaar iiw werk, o Heere, houdt dat in het leven in het midden der jaren!

Dat is het werk van de meerdere Mozes, de Heere Jezus Christus, Wiens handen nooit moede of mat worden, daar Hij altoos leeft om voor Zijn volk te bidden.

Dan ivordt het met Mozes ook onze belijdenis: ..Jahweh nissi", de HEERE is mijn Banier en stemmen in met de psalnidichter:

Wij steken 't hooid omhoog en zullen d'eerkroon dragen. Door U. door U alleen, om 't eeiiwig welbehagen: Want God is ons ten schild in 't strijdperk imn dit leven En onze Koning is van Isrels God gegeven.

Twijzel. Ds. K. van den Belt

Ds. K. van den Belt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Banier | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1972

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken