Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

1.

Zo laat ons dan toi Hein uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende, want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

Hebr. 13 : 13-14

Hebreen dertien begint met te vragen, om de broederlijke liefde en h^t medeleven met Gods volk, waarschuwt vervolgens tegen ontucht «)i geldgierigheid, wijst ven-der op het zalig leven en sterven van godzalige voorgangers en waarschuwt vooral tegen het vasthouden aan de ceremoniële wetten. Jeruzalem was vanouds de stad waar het hart van Israël klopte. Eeuwenher was men met de jaarfeesten daarheen getrokken; zelfs de discipelen des Heeren verwachtten nog lange tijd een aards Messiasrijk, waarvan Jeruzalem de hoofdstad zou zijn. Vanwege hun gehechtheid aan dat aardse Jeruzalem lüas er dus wel aanleiding om de Hebreen op te wekken, om niet uit kracht van gewoonte vast te houden aan een vormgodsdienst, die reeds eeuw'enlang geduurd had, temeer omdat kleine genade en een zwak geloof zo weinig weerstand boden aan het hangen aan de vorm. De uiterlijke pracfit van de tempel, de veelheid der mensen, die de uitwendige tempel bleven vereren en al dat ritueel, spraken zo sterk tot het gemoed, dat er wijsheid en licht nodig was, om daar van af te kunnen zien. Toch deed Paulus die opwekking niet uit de hoogte of op gebiedende toon, maar vriendelijk, door de kracht der broederlijke liefde. Bemoedigend, doch ook dringend en gezaghebbend werd hun op het hart gedrukt, wat zij te doen hadden. Hij sprak met insluiting van zichzelf: o laat ons. Alsof hij ook zichzelf wilde opwekken, maar hij wist goed, wat hij zei, zelf ging hij voor, wat hij anderen aanprees. Zelf had hij ook onmatig in zijn eertijds aan Jeruzalem gehangen, hij sprak dus uit eigen ervaring. Hij droeg de smaadheid van Christus buiten de legerplaats. Hij stond niet boven zijn broederen en zijn eertijds stond hem altijd nog helder voor ogen, hardnekkig, vastbesloten had hij zich voorheen verzet tegen de smaad van het kruis. Hij vervolgde de gemeente Gods en had een welbehagen aan de dood van Stefanus. Maar die tijd was nu voorbij, hij had al zijn wettische godsdienst als schade zijner ziel leren kennen. Hij sprak dus uit de praktijk van zijn eigen leven. Gods kinderen worden in het bijzonder geroepen tot het dragen van de smaadheid van Christus, wanneer zij omringd zijn door vijanden en er op de aarde schier geen rustplaats overblijft, vanwege de vervolgingen en wanneer zij gesmaad worden om Christus Wil. Zegt Christus niet zelf in Mattheus 5:11: Zalig zijt gij, als de mensen u smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil? " En Christus heeft Zelf talloze smaadheden geleden van het Sanhedrin, van Herodes en Pontius Pilatus! Joden en heidenen waren eenparig in het verachten van de Profeet uit Nazareth. Indien Christus nu door Zijn lijden en Zijn eigen bloed Zijn volk heeft willen heiligen, zo behoort met Hem dat volk te lijden, dat is, gemeenschap te hebben aan Zijn lijden, opdat zij ook gemeenschap hebben aan Zijn heerlijkheid. Dan hebben de Zijnen ook uit te gaan buiten de legerplaats, dat is, afscheid te nemen van de wereld en de zonde, en als grond voor de eeuwigheid alle eigen offeranden los te laten, ziende op het enige zoenoffer voor de schuld, dat door Christus gebracht is.

Het wil zeggen in Hem te geloven en Hem te belijden voor de mensen, op Hem te vertrouwen en gewillig te zijn om Zijnentwil smaadheid te lijden en desnoods vervolging te verduren. Al gaat de weg dan soms ook door de diepte, dan moet dat volk toch niet vreesachtig zijn, maar moedig trachten Hem te volgen in Zijn vernedering, opdat zij Hem eens volgen mogen in Zijn verhoging. Paulus wil zeggen: laat ons uit ons zelf uitgaan en de toevlucht nemen tot Christus door het geloof. Maar wat bedoelt de apostel met het tot Hem uitgaan, buiten de legerplaats? Gelijk de lichamen van d« offerdieren op de Grote Verzoendag buiten de legerplaats met vuur moesten verbrand worden en de Hogepriester op de tiende dag van de zevende maand met het bloed moest ingaan iH het Heilige der Heiligen, zo heeft ook Christus buiten de poort van Jeruzalem geleden op Golgotha, de plaats waar misdadigers hun straf moesten ondergaan. De Heere zet Zijn volk af en toe alleen, om hun te leren van alle schepselen af te zien. Dan wordt hun alle troost van mensen onthouden; zelfs kan het zijn dat de legerplaats hen zelfs uitdrijft, gelijk Jeruzalem gedaan heeft met de Heere Jezus.

En dat is uitermate pijnlijk, want dan wordt men geslagen in het huis van zijn liefhebbers, doch ondanks het smartelijke daarvan kunnen die wegen wel eens tot een heel groot nut zijn, voor het geestelijke leven van de mens, want daardoor leert men, wat men aan zijn God heeft.

Dan blijkt het dat de smaadheid, die men dragen moet van dezelfde aard is als de smaadheid van Christus, en ook van de zelfde omstandigheid. De Joden hebben het een grote smaadheid geacht, als van iemand werd gezegd dat hij slordig of nalatig was in de onderhouding van de ceremoniële wetten. Maar de Heere, Die al die wetten vervuld en daardoor te niet gedaan heeft, droeg gewillig al die smaadheden. Hij heeft het kruis verdragen en de schande veracht, maar is nu gezeten aan de rechterhand Zijns Vaders in de hoogste eer en heerlijkheid, om vandaar de Zijnen te verzamelen uit alle volken, talen en naties door Zijn Woord en Geest. Maar ook om hen te beschermen, tegen alle hun en Zijne vijanden.

In al hun benauwdheden tot Hem roepende, verlost Hij hen uit hun knellende banden. Hij weet van hun strijd en moeilijkheden af en weet wegen te banen, waarlangs hun voet kan gaan. Maar Hij is ook de grote Profeet, de Opperste Leraar, de Voleinder des geloofs. Die nooit moede wordt, om. lerende en onderwijzende Zijn gunstgenoten de weg der zaligheid te leren, om ze voor vele dwalingen en verborgen strikken des satans te waarschuwen, en bovenal voor de zonde, die hen lichtelijk omringt. Hij is daar gezeten als de Enige Hogepriester van het genadeverbond. Die met Zijn eeuwiggeldende offerande gedurig intreedt bij Zijn Vader, om op grond daarvan te eisen Joh. 17 : 24: Vader, Ik wil dat, ivaar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging der wereld". En die voorbede wordt niet afgewezen, want zij stemt volmaakt overeen met de heilige wil van de Vader. Maar Hij bidt altijd voor Zijn verdrukte en vervolgde gemeente op aarde, al hangt haar ook nog zoveel zondigs aan, ook al moeten zij bekennen hun eigen diepe onwaardigheid, want Hij heeft hen liefgehad met een eeuwige leven.

Werkendam,

ds Chr. v. Dam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1972

De Banier | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1972

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken