Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

WET CHEMISCHE AFVALSTOFFEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

WET CHEMISCHE AFVALSTOFFEN

19 minuten leestijd

door dhr. Van Rossum

RENTMEESTERSCHAP

Wij zijn dankbaar dat om des tijds wille de Wet op bodemverontreiniging, zoals die destijds als een voor-ontwerp door staatssecretaris Kruisinga is gepubliceerd, inmiddels in drieën is gesplitst. Op zich zelf vinden wij dat nu niet zo gelukkig, maar juist omdat de kwestie van de chemische afval zo urgent is, zijn wij toch wel blij dat dit geheel niet zo ver is ui^estrekt. Als dat één wet had moeten worden, had dat waarschijnüjk nog een tiental jaren kurmen duren. Wij waren dan met de kwestie van de chemische afvalstoffen nog lang blijven zitten. In ieder geval hebben wij nu de behandeling van de Wet chemische afvalstoffen; de algemene afvalstoffenwet is iiuniddels ingediend en dan hopen wij dat er nog een sluitstuk zal komen, waaraan kennelijk wordt gewerkt, namelijk de Wet op de bodemverontreiniging op zich zelf. De meest urgente wet wordt ons nu het eerst voorgelegd en wij hopen dat het niet op den duur drie afzonderlijke wetten zullen blijven, maar dat van het begin af aan het doel erop is gericht dat er later een zekere integratie van die drie wetten toch weer mogelijk zal zijn. Het meest urgente wordt dus het eerst behandeld, omdat wij te maken hebben met nogal kwaadaardig spul. Niet alle chemische afval is kwaadaardig, maar er zijn wel stoffen die een zekere verwoestende werking kunnen hebben. Daniël sprak al m een visioen van verwoestende afval. Hij bedoelde toen uiteraard iets anders, namelijk afval van het geloof en de godsdienst Ik meen dat het één met het ander toch bepaald wat te maken heeft, want waar je de kern van de samenleving watlaat vervallen, kom je op een keerpunt ten kwade. Keerpunten worden natuurlijk ook wel eens in de verkeerde richting omgebogen. De mensen die geen eerbied meer hebben voor de Schepper, kimnen ook de schepping niet meer op de juiste manier beheren en dan raken de juiste nonnen soms verloren.

Ook het rentmeesterschap dat ons over de schepping is gegeven, kan dan omslaan in een zekere verspilling. En dan gaat een noodzakelijke produktie - dit zeg ik er heel uitdrukkelijk bij - soms gepaard met afval, die de mensheid voor grote problemen plaatst. Dit is het onderwerp waarover wij vanavond spreken. Immers, dan moeten wij ons bepaald laten gezeggen dat, als wij het van God bevolen goede rentmeesterschap niet meer serieus nemen, alle menselijke ordeningen over ons komen; daar is dit onvolmaakte wetsontwerp ër één van.

TOCH TE VEEL EEN RAAMWET

De eerste vraag die opkomt, is of wij hier al of niet te doen hebben met een raam- of kaderwet. De memorie van antwoord in punt 59 stelt, dat het niet juist is dat deze wet het karakter heeft van een raamwet, zij het dat een uitzondering wordt gemaakt voor artikel 34. Welke betekenis moet er dan aan toegekend worden dat reeds in art. 1 tot vijfmaal toe sprake is van een algemene maatregel van bestuur en daarnevens nog van een aantal ministeriële besluiten? Ook in vele andere artikelen is het regelend recht overgelaten aan een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële beschikking. Voorbeelden van ministeriële beschikkingen vindt men in de artikelen 7 en 20. In art. 52 wordt ons heel duidelijk wat er allemaal aan algemene maatregelen van bestuur opgesteld moet worden: de artikelen 1, 9, 32, 34, 37, 41, op voordracht van „Onze Minister" in overeenstenmiing met de ministers die dit aangaat, en de artikelen 1 en 34 zelfs nadat eerst het ontwerp in de Staatscourant is gepubliceerd. Ik heb iiuniddels al een amendement van mevrouw Epema-Brugman gezien, dat nog verder gaat.

Ik kan mij ook heel goed voorstellen dat wij wat verder gaan.

Direct daarachter, in art. 53, komt er een algemene uitlaatklep, die ertoe strekt dat, als wij het helemaal niet meer weten - en de mens is niet alwetend, dit neem ik oimiiddellijk aan - wat nog niet geregeld is dit aknog bij algemene maatregel van bestuur geregeld kan worden. Er staat zelfs niet eens meer bij wie dit dan voordraagt. Dit is kennelijk maar helemaal opengelaten. Is het niet beter om die uitiaatklep ergens anders in te bouwen, zodat die tenminste ook onder art. 52 valt? Dit lijkt mij tenminste het meest logische. Nu is het een wat algemene uitlaatklep, waarmee je alle kanten opkan. Daar heb ik in wetgevend opzicht toch bepaald bezwaren tegen.

Een volgend pimt is het kostenverhogend effect, zoals dit ook ter sprake komt in de memorie van antwoord, punt 84. Dit is uiteraard een algemeen punt, maar er is in EEG-verband gestreefd naar een gelijkgerichte wetgeving. Vergeleken met het kostenverhogend effect van de grondstoffen, meent de Minister dat het nauwelijks een rol speelt. Het gaat soms anders dan wel wordt voorzien met zulke wetgeving. Dit hebben wij al te goed ondervonden met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, waarbij wij duideUjk gezien hebben dat allerlei gevolgen verondersteld waren, die niet uitgekomen zijn. Wij hebben grote persleidingen aangelegd om al het industriële afvalwater van West-Brabant kwijt te raken. Nu blijkt echter dat die pijpleiding veel te groot is, omdat de industrie zichzelf aJ geholpen heeft. Dit is een bijzonder gimstige nevenwerking van de wet, waarmee ik op zichzelf erg blij ben, maar die mij wél een zekere waarschuwing geeft, ook voor deze wetgeving, dat ook hier mogeüjk effecten ontstaan die leiden tot een overcapaciteit van de verwerkingsinrichtingen die dan met vergunning geëxploiteerd zullen worden. Wie betaalt dan de kosten? Worden dan automatisch de heffingen zoveel hoger?

Wat zijn dan de gevolgen voor de industrie?

DEZE WETGEVING VERTOONT NOGAL WAT MANCO'S

De afvalfabriek Rijnmond is al genoemd door de twee sprekei; ^ die mij voorafgingen. Het verlies hep daar in een jaar op van 18 min. tot 28 min. In het verslag staat er heel leerzaam bij, dat dit een paar oorzaken had. De grondstoffenschaarste bracht velen ertoe, wegwerpglas buiten de vuilniszak te houden. Verder kwam er als gevolg van de oud-papieracties minder papier tussen het afval terecht, waardoor de brandbaarheid sterk afnam. Het komt er dus op neer, dat glas en papier apart werden gehouden. In het verslag wordt dit min of meer gekwalificeerd als een kwalijk effect, ofschoon de wetgeving die wij nu in ontwerp voor ons hebben ervan uitgaat, dat wij alles gesplitst moeten hebben. Dat is blijkbaar het ideaal voor de toepassing van deze wet. Toch wordt gezegd: Als je het papier eruit houdt, brandt het afval niet meer en is de calorische waarde van het afval zo laag, dat met verlies gewerkt wordt. Gelet op het voorgaande moet het mij van het hart, dat deze wetgeving nogal wat manco's vertoont. In punt 23 van de mva wordt gezegd, dat dit wetsontwerp interne recirculatie of verwerking in eigen bedrijf mogelijk maakt en dat dit reeds een vooreffect kan veroorzaken, omdat vele industrieën dat zullen gaan doen. Het streven van de minister is erop gericht, nog vóór het m werking treden van deze wet de gegevens van de nieuwe inventarisatie te pubhceren. Dat schrijft zij zelf. Is deze inventarisatie nu gereed? Welke conclusies trekt de minister hieruit voor de capaciteit van de toekomstige verwerkingsbedrijven? De heer Tuijnman heeft er al op gewezen dat er inmiddels een aantal gegadigden zijn, die zich wat restrictief opstellen omdat zij er niet zeker van zijn dat zij tot een rendabele exploitatie kunnen komen. Is de minister niet erg optimistisch als zij in punt 75 van de mva zegt, dat overieg tussen het georganiseerde bedrijfsleven en de overheid de problemen wel snel zal oplossen, „aangezien het ook nu wel in de meeste gevallen zonder meer duidelijk zal zijn in welke richting de te nemen uitvoeringsmaatregelen van de wet zullen gaan? " Ik hoop dat het georganiseerde bedrijfsleven het zal begrijpen, maar ik ben nog niet zover dat ik alles begrijp. Heeft de minister hierbij ook gedacht aan de onderlinge relatie met een aantal andere wetten? Indien afgifte van een bepaald chemisch afval te kostbaar wordt, zou bij bepaalde bedrijfsleidingen wel eens de gedachte kunnen opkomen, deze stof in water op te lossen en sterk verdund in bijvoorbeeld een gemeenteriool te lozen. Uiteraard is dat in strijd met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, maar de vraag rijst hoe de dader wordt gevonden. Dat is altijd de moeilijkheid bij dit soort zaken. Andere stoffen zullen mogelijkerwijs verbrand worden, met gevolgen voor de luchtverontreiniging.

Waarom wordt overigens in artikel 61 de Wet inzake de luchtverontreiniging niet met name genoemd, terwijl dat in artikel 10 wél geschiedt? De wetten werken ieder op hun eigen terrein, doch hebben wel duidelijk een interrelatie.

Hoe raak ik afval op de goedkoopste wijze kwijt? Dat wordt natuurlijk het vraagpunt, waarvoor de industrie zich gesteld ziet. Bestaat de mogelijkheid dat bepaalde bedrijven zullen trachten de zaak nog even op haar beloop te laten, totdat de algemene afvalstoffenwet gaat werken, volgens welke wet men zich van minder gevaarlijke stoffen wellicht goedkoper kan ontdoen? IS HET WEL WATERDICHT TE MAKEN?

Hoe denkt de minister een waterdicht schot te kunnen plaatsen tussen artikel 1 en artikel 2 van dit wetsontwerp? Alle afval van huishoudens is nu vrijgesteld. Dit gebeurt op zich zelf terecht. Het is echter niet onmogelijk dat voor bepaalde stoffen niet onaanzienlijke bedragen zullen worden geheven van grotere en kleinere bedrijven voor het verwijderen van het chemisch afval. Gaat het om grote hoeveelheden, dan is daaraan moeilijk te ontkomen, hoewel de kosten voor het bedrijf dan hoog worden.

Het is evenwel niet moeilijk, kleine hoeveelheden, van welke bedenkelijke kwaliteit zij ook zijn, via een aantal particuliere huishoudens kwijt te raken. De praktijk bij het ophalen van huisvuil is hier leerzaam. Kun je je tuinafval niet kwijt, omdat je maximaal drie zakken buiten mag zetten voor het ophalen van het huisvuil, dan verdeel je het heel collegiaal over een paar buren. Dat is tegenwoordig een zeer gebruikelijke methode. Een kleine hoeveelheid zeer gemeen spul kun je op die manier ook wel via het huisvuil kwijtraken.

Mevrouw Epema-Brugman (PvdA): Volgens de wet mag het natuurlijk niet. De heer Van Rossum (SGP): Daarover zijn wij het volkomen eens. Wie controleert echter wat in een afvalzak of een vuilnisemmer zit? Dat is vrijwel niet na te gaan. Ik vrees echter dat men gauw genoeg een „goede" oplossing zal vinden voor kleine hoeveelheden. Is de wet niet te veel gericht op de kwantiteiten en slaat zij niet te weinig acht op de kwaliteit van het afval? Ik denk aan kleinere bedrijven, zoals verzinkerijen. Het lijkt goed geregeld te zijn nu in de artt. 4, lid 1, onder c, en 5 duidelijk de verplichting is opgenomen, dat de aard, de eigenschappen en de samenstelling van de stoffen moeten worden opgegeven. Wat zal echter de nauwkeurigheid van deze opgaven zijn? Stoffen waarvan bedrijven zich willen ontdoen en waarvoor dan bovendien nog een heffing moet worden betaald, krijgen voor die bedrijven een negatieve waarde. Voor het geven van de gevraagde omschrijving zal niet zelden enig kostbaar laboratoriumonderzoek moeten worden verricht. Daardoor wordt de waarde van het spul alleen nog maar negatiever. Al gauw ontstaat dan de verleiding, zich goedkoper van het chemisch afval te ontdoen. De kosten voor de industrie spelen daarbij uiteraard een belangrijke rol. De motie-Tuijnman spreekt ons bepaald aan. Wij moeten voorzichtig zijn met het leggen van lasten, direct of indirect - de industrie moet buiten die heffingen ook heel wat doen - , op het bedrijfsleven. Het kan gevaar opleveren voor de werkgelegenheid. De kerk van de oude tijden heeft altijd al gebeden: leidt ons niet in verzoeking. De overheid mag ook haar onderdanen niet in verzoeking brengen. Dat zou wel eens het gevolg kunnen zijn van dit soort wetgeving. Het overheidsgezag moet hier zowel zijn principiële als zijn praktische grenzen wel duidelijk in het oog houden.

Dit alles wordt nog te klemmender, nu in artikel 8, lid 2, wordt bepaald dat geen stoffen in ontvangst mogen worden genomen waarvan de omschrijving niet voldoet aan de eisen van artikel 5. De escape dat de ontvanger eventueel zelf de zaak onderzoekt is met ingebouwd. Daardoor wordt het niet inleveren nog veel meer voor de hand liggend. In punt 107 van de memorie van antwoord wordt al geconstateerd, dat door onvolledigheid van de gegevens geen goede verwijderingsmethode kon worden vastgesteld. Men loopt onzes inziens veel te lichtvoetig heen over de mogelijkheden van verkeerde wetstoepassing of zelfs wetsontduiking die door dit wetsontwerp worden geschapen. Is deze regeling inderdaad gericht, zoals de considerans zegt, op een doelmatig verwijderen van chemische afvalstqffen? Er zou wel eens iets anders mee kuimen gebeuren.

Hoe ziet de minister de simultane vergunningverlening, waarvan sprake is in de memorie van antwoord in punt 44? Door de verschillende instanties, van rijk, provincie, gemeente en zuiveringsschap, moeten allemaal vergunningen worden verleend. Dat moet dan allemaal simultaan gebeuren. De invalshoeken van waaruit dat gebeurt zijn natuurlijk allemaal verschillend. Kirnnen hierbij belangen niet duideUjk in conflict komen, of kan het niet gaan om zaken waarbij een zo dviidelijk verschil in de letterlijke toepassing van de wet mogeUjk is dat, om alles onder een noemer te brengen, vele maanden of zelfs jaren nodig zouden zijn om die zaken geregeld te krijgen? Is een speciale aanwijzingsbevoegdheid, om die zaak onder één noemer te krijgen niet noodzakelijk? Of hecht de minister overdreven geloof aan de goede wil van alle instanties om tot een goed resultaat te komen. De ervaring leert het wel eens anders, als heel veel instanties vanuit een verschillende invalshoek hetzelfde moeten doen, dan kan dat wel eens heel lang duren, vooral als er geen tijdslimieten zijn ingebouwd.

Punt 113 van de memorie van antwoord wijst op het noodzakelijke intensieve overleg, het geeft echter geen tijdslimieten aan waaraan dat overleg gebonden is. Men behoeft waarlijk geen profeet te zijn om te voorspellen dat een eindeloos slepend overleg het gevolg hiervan zal zijn.

Bij al deze activiteiten moet bovendien ook nog worden gedacht aan grensoverschrijdend verkeer. In de memorie van toelichting, blz. 9 linkerkolom, wordt weliswaar opgemerkt dat door toenemende restricties bij of een algehele sluiting van grenzen die mogelijkheid wordt beperkt of zelfs afgesneden. Hoe laat zich dit echter rijmen met het steeds meer wegvallen van de grenzen birmen de EEG en het steeds minder controleren aan de grenzen? Li de Duitse federale wet, de Abfallbeseitigungsgesetz van 7 juli 1972, wordt voorzien in Abfallmühle in iedere deelstaat. Dat zijn grote bedrijven, die met grote overheidssubsidies waarschijnlijk voordeliger gaan werken dan de bedrijven die hier te lande gaan werken. Het zou dan wel eens vlotter kunnen werken om het chemisch afval daar te brengen in plaats van hier bij bedrijven die of niet van de grond komen of die, door moeilijkheden bij de vergunningverlening, niet tijdig gaan werken.

EIGEN TERREIN UITGEZONDERD

Bij onze fractie heeft het niet verplicht melden van chemisch afval, zolang het op eigen terrein is en men er zich niet, of nog niet van ontdoet, enige vragen opgeroepen. Op zichzelf is dat een logisch gevolg van de vrije ondernemingsgewijze produktie, waarvan wij een groot voorstander zijn. Wij zien dan ook geen bezwaren bij enkelvoudige bedrijven.

Het wordt echter veel moeilijker bij hoofdbedrij ven met nevenbedrijven, of concerns met dochterondernemingen. Wat is dan de inhoud van het begrip „zich ontdoen? " Indien een spuitinrichting, met veel chemische stoffen, een betrekkelijk klein onderdeel uitmaakt van een groot concern, is dan het overgeven van het afval aan een andere afdeling van hetzelfde concern, die het verwerkt of onschadelijk maakt een „zich ontdoen? " Of moet men dan het accent leggen op het „op eigen terrein houden? "

Onze fractie verheugt er zich over dat de minister niet heeft gemikt op een chemische stoff enwet, die een nog veel grotere administratieve rompslomp bij de bedrijven met zich zou brengen en die daardoor waarschijnlijk geheel over haar doel heengeschoten zou zijn. Vertoont de thans voorgestelde regeling echter niet veel te veel lekken? Ik heb er nogal wat opgespoord en daarom vraag ik mij af of de regeling wel voldoende effectief zaL werken. De huishoudens zijn vrij, maar wat te doen met apotheken of apotheekhoudende artsen, die medicijnen, waarvan de toepassingsperiode verlopen is, kwijt willen? Is daarvoor al een regeling getroffen? Geldt een zelfde regeling voor drogisten, fotografen en mogeüjk ook voor bepaalde afvalstoffen van horecabedrijven of drukkerijen? Geldt daarvoor dezelfde regeling als welke wij hebben besproken met minister Van der Stee in het kader van de Bestrijdingsmidelenwet? Toen is het idee geopperd - het staat ook in de bij de wet behorende stukken - dat men alle kleine restjes die op een bedrijf over zijn naar een centraal pimt moet brengen waar ze opgehaald worden om te worden verwerkt in het kader van de (ontwerp) Wet chemische afvalstoffen. Als het om kleine hoeveelheden gaat die over grote afstanden naar een centraal punt moeten worden gebracht, zal hiervan waarschijnlijk door de hoge transportkosten weinig terecht komen. Als men bovendien nog formulieren moet gaan invullen, zal men heel snel een plekje op het bedrijf weten te vinden om die restjes in de grond te stoppen. Ik geef mevrouw Epema bij voorbaat gelijk dat dit niet mag volgens de wet, maar ik ben bang dat het ondanks dat het niet mag, wel zal gebeuren. De praktijk is wel eens sterker dan de leer, zo ervaar ik af en toe. Dat zou ook hier het geval kunnen zijn wanneer het gaat om het chemische afval van bijvoorbeeld apotheken, fotografen en drukkerijen.

Een afzonderlijk ptmt wordt gevormd door artikel 31 dat betrekking heeft op het brengen van chemische afvalstoffen in of op de bodem. De heer Tuijnman heeft hierop voor mij al gewezen. In hoeverre is hier doelmatige controle mogelijk? In hoeverre loopt deze mogelijkheid vooruit op de in voorbereiding zijnde wet op de bodemverontreiniging? Wordt dit artikel dan weer ingetrokken? Gaat het ook niet over de plaats van de opslag en de manier waarop deze geschiedt? Ik denk daarbij aan de invloed op het grondwater in verband met de wiiming van drinkwater, maar ook aan de indirecte invloed op het oppervlaktewater. Immers, door het in de grond brengen, heeft het invloed op het grondwater dat indirect weer inwerkt op de kwaliteit van het water in watergangen van polders of beekgebieden. Het gaat dan dus niet om het rechtstreeks via een slang in het slootwater brengen wat helaas ook gebeurt, maar over een afgeleid effect. Waarop baseert de minister haar mening, uiteengezet in de mva in de toelichting op artikel 49, dat „het stellig in vele gevallen" mogelijk zal zijn „stoffen die op of zelfs in de bodem zijn gebracht, te verwijderen, voor zover die stoffen namelijk als een geheel bijeen zijn gebleven", zelfs gewoon los. Moet niet worden gevreesd dat het oplossen of het aangaan van chemische verbindingen met de ondergrond hier een spaak in het wiel zal steken? Ik ben er niet zo gerust op als kennelijk de minister blijkens de zeer optimistische uiteenzetting in de mva.

Ook kwam de vraag op, hoe de minister overleg kan plegen met de betrokken gemeente alvorens ontheffing te verlenen om chemisch afval op of in de bodem te brengen indien dat niet of veel te laat te harer kennis komt. Het gebeurt immers op eigen bedrijf en zal daarom niet of veel te laat worden gemeld. Is de medesdeling hieromtrent in de toelichting op artikel 35 niet veel te optimistisch gesteld?

DE REGELING VOOR DE AFGEWERKTE OLIE

Het volgende onderwerp betreft de regeling voor de afgewerkte olie. Onze fractie acht die regeling meer sluitend dan die voor het overige chemisch afval, ook al blijven ook hier nog wel de nodige vragen over. Ik vind de regeling echter bepaald beter dan die voor ander chemisch afval. Bij mij is ook de vraag opgekomen: Waarom niet die recycling? Dat is uiteraard de eerste vraag die naar voren komt. Is de olie die bij tankcleaning vrijkomt niet te bagatelliserend behandeld omdat, naar wordt medegedeeld, men onvol­ doende gegevens had over de hoeveelheid? Misschien wordt dat ook verwerkt in de inventarisatie die wij nog krijgen.

Overigens wordt zowel in de mvt (bladzijde 18) als in de mva erg gemakkelijk ervan uitgegaan dat afgewerkte olie een positieve waarde heeft. De mogeüjkheid wordt wel onderkend dat het inzamelen en weghalen zodanige kosten met zich kan brengen dat de opbrengst door de kosten wordt overtroffen en het produkt dus een negatieve waarde kan krijgen, doch de bewoordingen waarin dit wordt gesteld geven de indruk dat dit nauwelijks reëel is, zodat van een heffing dienaangaande - dus een soort van oliepenning, zoals men in Duitsland heeft - geen kostenverhogend effect zal uitgaan. De ben er niet zo zeker van; ik ben veel minder optimistisch dan de minister.

Als er verplichte ophaaldiensten komen zal de minister, ook als het vrije ondernemingen zijn, er wel op toezien, naar onze fractie aanneemt, dat het niet te veel een nevenaangelegenheid wordt voor bepaalde bedrijven, waardoor mensen op zon- en feestdagen lastig worden gevallen voor het ophalen van afgewerkte olie.

Ook de regeling voor de inname van afgewerkte olie van de binnen- en Rijnvaart is nog niet geheel duideUjk. Is er over deze afgifte voldoende overleg met België en Duitsland en zijn de regelingen inzake het Bilgenwasser voldoende op elkaar afgestemd? Zijn er ook, los van de Nederlandse wetgeving, op Duits gebied stations aangewezen, waar Nederlandse schepen hun afgewerkte olie moeten afgeven. Is een combinatie met Duitse afgiftestations niet meer voor de hand liggend?

In het algemeen achten wij deze wetgeving lang niet waterdicht. Het goede doel van deze wetgeving onderschrijven wij van ganser harte, maar de uitwerking laat onzes inziens veel te veel punten in het onzekere. In de nota naar aanleiding van het eindverslag stelt de minister op bladzijde 1 al direct: het üjkt weinig zinvol, de overtreder tot melding van zijn illegale handelingen te verplichten. Dat is een uitermate realistisch uitgangspunt, doch bij de uitwerking van vele artikelen leek het ons, dat dit uitgangspunt wel eens te veel uit het oog is verloren.

Vrijwel alle wijzigingen heb ik als positief ervaren. Het is op dit gebied noodzakehj k - hiermede ben ik begonnen en daarmede wil ik ook eindigen - dat op het gebied van het chemisch afval wetgeving tot stand wordt gebracht. De schaduwen zal het wel vooruitwerpen en de industrie zal er vanaf nu wel rekening mee gaan houden. Provinciale vei^rdeningen hebben op dit gebied al gunstig gewerkt. Ik neem aan, dat als dit wetsontwerp wet wordt, vele van die provinciale verordeningen zullen worden ingetrokken, omdat deze zaak dan bij rijkswet wordt gecodificeerd. Naast de waardering voor het feit, dat er een wetgeving op dit gebied komt, hebben wij toch nogal wat lekken in deze regeling moeten constateren. Ik zou het ten zeerste op prijs stellen, indien bij deze behandeling verschillende lekken gedicht konden worden. Het meest gevaarlijke artikel vinden wij artikel 34, omdat dit een zeer fnuikende invloed op het bedrijfeleven kan hebben. Aanvaarding van het door mevrouw Epema- Brugman voorbereide amendement op artikel 52 met betrekking tot artikel 34 lijkt mij zeer gewenst. Als er op dit gebied wat gebeurt, moet de Kamer daarop invloed kunnen uitoefenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1975

De Banier | 8 Pagina's

WET CHEMISCHE AFVALSTOFFEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juli 1975

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken