Bekijk het origineel

Een vreemdeling op de aarde

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een vreemdeling op de aarde

5 minuten leestijd

door Ds. P. Beekhuis Noordeloos.

„Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet."

Psalm 119:19.

De dichter van deze psalm is wel in de wereld, maar niet van de wereld. Daarom voelt hij zich op deze wereld niet thuis. Hij gevoelt zich als een vreemdeling. En dat is wederzijds, want de inwoners van deze wereld weten met hem ook geen raad. Ze kunnen met hem niet overweg. Ze komen dan ook herhaaldelijk met elkaar in botsing.

„Ik ben een vreemdeling op de aarde." Moeten we dit verstaan als een klacht? Of als een verzuchting? Neen. Dit is geen klacht, maar een belijdenis! En hij staat daarin niet alleen. Want er zijn nog meer mensen, die zich vreemdeling gevoelen op deze wereld. En daar voelt hij zich bij thuis. Zij begrijpen elkaar en zoeken elkaar graag op. Hij voelt zich thuis bij de geloofshelden, genoemd in Hebr. 11. Van hen wordt gezegd dat zij „beleden hebben, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren."

En vervolgens staat er: „want die zulke dingen zeggen, betonen Waarlijk, dat zij een vaderland zoeken." Het zijn pelgrims, die op reis zijn naar een beter vaderland. De wereld zegt: wat hebben zulke mensen nu aan hun leven. Ze mogen dit niet en daar mogen ze niet heen. Wat een saai leven. In zo'n sfeer kan ik me onmogelijk thuisvoelen.

David, de dichter van deze psalm, voelt zich helemaal niet ongelukkig. Hij heeft maar één begeerte. En dat is een kostelijke begeerte. En dat is tevens het geheim van zijn leven. Hij vraagt aan de Heere: , , verberg Uw geboden voor mij niet." Met „Uw geboden" bedoelt de dichter: het Woord Gods. In heel de 119e psalm wordt de voortreffelijkheid van Gods Woord bezongen en dat Woord van God wordt met verschillende benamingen aangeduid. Zo heeft David het over Gods wet, inzettingen, bevelen, getuigenissen, wegen enz.

Het Woord van God nu acht David de grootste schat. Elders zegt hij: „Uwe inzettingen zijn mijn vermaking de ganse dag." „Uit al de schat van 't grote wereldrond, is nooit de vreugd in mijn gemoed gerezen, die ik steeds in Uw getuigenissen vond, door mij betracht en and'ren aangeprezen."

Op iedere bladzijde van Gods Woord kunnen we de Heere Jezus zien. Hem had David nodig gekregen. Als Borg voor zijn ziel. Als een arme en verlorene in zichzelf mocht hij het leven vinden in Hem, Die gezegd heeft: „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven." Nu is hij arm en toch rijk, bedroefd en nochtans blijde.

David heeft dat nieuwe leven niet te danken aan zichzelf, maar aan Christus, Die de dood daarvoor in moest gaan. Hij moest zeggen: „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des Mensen heeft niets waarop Hij het Hoofd neerlegge." Als een vreemdeling is Hij gehaat met een volkomen haat en tenslotte aan het kruishout genageld.

Voor Christus was op aarde geen plaats. Evenmin voor de Zijnen. „Ze hebben Mij gehaat, ze zullen ook u haten."

„Ik ben een vreemdeling op de aarde." Nee, dat wil niet zeggen, dat we „vreemd" gaan doen. Dat houdt niet in, dat we ons uit de wereld moeten terugtrekken. De beste christen is ook de beste staatsburger. Het dagelijkse werk is geen drukkende last, maar goddelijke roeping. De wereld gebruikende, als niet misbruikende. Voor alle aardse zegeningen mogen en moeten we de Heere erkennen.

De vreemdelingen op aarde gevoelen zo het gemis aan heiligheid. Zij betrachten hierin ook hun vreemdelingschap, dat ze de wereld gaan verzaken. In Zichzelf zien ze niet, dat ze daarin vorderingen maken. Hoe meer ze zich vreemdeling gevoelen, des te verder leven ze bij de wereld vandaan. Des te meer wordt hun hart heengetrokken naar het vaderland hierboven. De Heere leidt hen wel eens op de top van de berg Nebo en laat hen een blik slaan over de doodsjordaan naar het Kanaan der rust.

De klacht vandaag is, dat de levende Kerk zo weinig dat vreemdelingschap beoefent. Ze past zich aan aan de wereld. Ze gaat zo op in de maalstroom van de tijdgeest. Toen David deze belijdenis uitsprak had hij „leven" aan zijn ziel. Hij heeft ook andere tijden gekend. Tijden van dorheid en dodigheid. Wat leven Gods kinderen door eigen schuld vaak beneden hun stand.

Maar de Heere blijft Dezelfde. Het vreemdelingschap wordt bij vernieuwing beoefend. Er komt weer een zoe-

Vervolg op pagina 5 Een vreemdeling op de aarde

Vervolg van pagina 2

ken van de dingen die boven zijn. Het hart gaat weer naar de Heere uit. De woorden zijn weer met zout besprengd. „Zo zal de blijdschap der vromen, op 't luisterrijkst te voorschijn komen." Niets te hebben en nochtans alles te bezitten.

Wij vragen U: bent u een vreemdeling op aarde? Niet? Dan bent u nog in uw natuurstaat. En de natuur van de mens voelt zich hier op aarde thuis. Dan zult u straks ook met de wereld veroordeeld worden. Maar u bent er nog. Vraag de Heere of u mag sterven aan de wereld. Of a uw leven mag verliezen. Dat zou enkel winst betekenen. De Heere make ons allen vreemdelingen. De pelgrimsreis is vaak moeilijk, maar de uitkomst is zeker.

En alle pelgrims zouden wij willen groeten met: vaart wel en tot ziens in Jeruzalem!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1982

De Banier | 24 Pagina's

Een vreemdeling op de aarde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1982

De Banier | 24 Pagina's

PDF Bekijken