Bekijk het origineel

Op een ander aangewezen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Op een ander aangewezen

5 minuten leestijd

„En hij was kreupel aan beide zijn voeten." 2 Sam. 9:13c.

In deze paar woorden ligt een wereld van ellende opgesloten. Mefiboseth is daar niet mee geboren. Toen David koning werd gingen de nazaten van het huis van Saul op de vlucht. Daar hoorde ook Mefiboseth bij. Om harder te kunnen lopen heeft zijn voedster hem op haar armen genomen. Maar helaas: zij kwam te vallen en Mefiboseth werd kreupel. Hij was toen 5 jaar. Sinds die tijd woont hij in Lodebar. Dat ligt in het Overjordaanse. Ver van Jeruzalem. In een nietig gehucht aan de rand van de Arabische woestijn.

Hij is een kleinzoon van Saul. Van koninklijke komaf dus. Maar van de glorie van het verleden is niets meer overgebleven!

Eens zat hij op een hoge sport van de maatschappelijke ladder. Nu op de laagste. Vroeger een voorname prins. Nu een vergeten burger. De eerste paar jaren van zijn leven een welgeschapen lichaam, maar na dat ongeluk: kreupel aan beide voeten!

Een gehandicapte. Bovendien de voortdurende angst voor de nieuwe koning David te worden gedood.

Immers de nazaten van een vroeger koningshuis werden gezien als gevaarlijke kroonpretendenten en daar hield men korte metten mee.

Voor Mefiboseth heeft het leven niet veel bekoorlijks. Het zit hem niet mee. Een gehandicapte! Jezelf niet kunnen redden. Altijd op een ander aangewezen. Steeds dat nare gevoel een ander tot last te zijn.

Maar nu iets anders. U kent Psalm 113:4? „Wie is aan onzen God gelijk? Die armen opricht uit het slijk; Nooddruftigen van elk verstoten, Goedgunstig opheft uit het stof, En hen verrijkt met eer en lof, naast prinsen plaatst en wereldgroten? "

Deze Psalm is voluit praktijk geworden bij Mefiboseth. David heeft zich over hem ontfermd. Hij krijgt al de akkers terug van zijn grootvader Saul. Een ander zal die akkers bewerken en de vruchten zijn voor Mefiboseth. Bovendien mag hij gedurig eten aan de tafel van de koning. Met iemand eten is in het oosten ook gemeenschap met iemand hebben! Wat een eer!

David doet dit om Jonathans wil. Niet om iets in Mefiboseth. Hoe zou dat ooit kunnen. Hij heeft immers alles tegen. Daar is bij Mefiboseth niet iets te vinden wat David zou kunnen opwekken hem goed te doen. Wel het tegenovergestelde. „En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil? " vers 1.

Hoe duidelijk zien wij bij Mefiboseth de gang van de Kerk. Hoewel hij bevreesd is gaat hij toch. Waarop? Op het woord van de koning! En hoe gaat hij? Als een onwaardige. Hij behoort dus niet tot die „gezonde christenen" van tegenwoordig, die graag onder een „frisse prediking" zitten en bij wie je in de verste verte geen greintje ootmoed kunt bespeuren.

Als Mefiboseth bij David komt, weet u wat hij dan zegt? „Zie, hier is uw knecht" Knecht! Niet heersen maar dienen! Onderworpenheid! Onwaardigheid. En bij het aanhoren van Davids ontferming over hem volgt er wegsmelting. Wegsmelting onder zoveel liefde van de koning. En dat voor zó een! Voor een dode hond. Ja, zo noemt hij zich. Kan het dieper? Kan het minder? Een hond was in het oosten een straatdier, een verachtelijk dier. Geen huisdier zoals bij ons. De grofste belediging kon je iemand aandoen door hem uit te schelden voor een hond. Zo noemt Mefiboseth zichzelf. En dan nog wel een dode hond.

Alles van ons moet er aan om te kunnen varen in de diepe wateren van Gods genade. Het kan niet om Mefiboseth. Niet om iets in ons. Alleen om de wil van de meerdere Jonathan. Om het verbond. Hoe dieper een mens mag bukken, hoe dichter is hij er bij. De ouden zeiden: hoe lager bij de grond, hoe dichter bij het verbond! Christus de dood in en het leven voor de Zijnen. Plaatsbekledend! Christus kan de stormkracht meten van iedere nood. En wat is er veel nood. Van allerlei aard. De grootste nood is de geestelijke nood. Maar als gevolg van de zonde ook zoveel kommer en verdriet. We denken m.n. aan de vele bootvluchtelingen. Daaronder veel kinderen, die wees zijn en bovendien gehandicapt. Daar wordt wel opgemerkt: Je kunt niet met heel de wereld op je rug lopen. Acht, wat klinkt dat hard. Wat onaandoenlijk! Met eerbied gezegd: Een is er geweest. Die dat gedaan heeft! De meerdere Jonathan. Christus!

Maar nu ga ik verder. Als in uw leven genade verheerlijkt is (wat ik van harte hoop), dan zal dat in de vruchten openbaar komen. De bekering gaat dwars door uw portemonnee heen. Dan rondt u naar boven af! Dan is er bewogenheid met een onbekeerd mens. Ook met zijn tijdelijke nood. Op een ander aangewezen. Zalig zij, die aangewezen zijn op genade. Die voor tijd en eeuwigheid aan de gezegende voeten van de meerdere Jonathan mogen terecht komen. Aan hen wordt de gouden scepter van Gods genade toegereikt. Zij zijn ook vervuld met barmhartigheid jegens de naaste. Het is de keus van hun hart in praktijk te brengen wat de Heere eens sprak tot Abraham, „Wees een zegen".

Rooterdam-Kralingen

Ds. P. Beekhuis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1983

De Banier | 24 Pagina's

Op een ander aangewezen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1983

De Banier | 24 Pagina's

PDF Bekijken