Bekijk het origineel

Gegronde hoop in droeve klacht (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gegronde hoop in droeve klacht (I)

5 minuten leestijd

Dankdagprediking

Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen. Klaagliederen 3: 21

Geliefden, wij zijn heden saamgekomen om dankdag te houden. Maar. . . de ware dankbaarheid wordt in de diepten der vernedering geboren. Hoe zullen wij toch dankdag houden, als we letten op de zeer bange omstandigheden van ons land, ons werelddeel, ja, gans de wereld. Dan mogen wij wel in bittere klachten uitbreken. Hoe zullen we dan dankdag houden? Och, werd deze dankdag tot een bede- en boetedag voor het aangezicht des Heeren. Dat we in rouwkleren voor Hem mochten komen over onze zonden. Dat we gevoerd mochten worden met smekingen en geween, wie weet Hij mocht Zich over ons ontfermen, nu de hitte van Zijn rechtvaardige toorn tegen ons brandt als van verre. . .

Zo wij nu enige indruk van onze doemwaardigheid mochten ontvangen, wij zouden onder de slaande hand des Heeren bukken; wij zouden klagen over onze zonden. En in die oprechte klacht zou een levende hoop geboren worden op de goedertierenheden des Heeren, die redden van de dood.

Bovenstaand tekstwoord getuigt van een gegronde hoop in droeve klacht. Wij staan dan achtereenvolgens stil bij

1. JEREMIA'S KLACHT

Jeremia klaagt, en. . . niet zonder reden. De ellenden zijns volks hebben de profeet aangegrepen en ter neder gedrukt. Jeremia is de man, die ellende gezien heeft door de roede van Gods verbolgenheid. Aanschouwden anderen voor hem wat te wachten stond terwijl het bedreigde kwaad nog niet gekomen was, Jeremia echter heeft de verwoesting van stad en tempel en de wegvoering van zijn volk medegemaakt. Op de puinhopen van Jeruzalem klaagde hij zijn klaagliederen. Het kwaad is in zijn dagen gekomen, dewijl de vernedering voor God onder Israël niet werd gevonden en men weigerde van de zonden af te staan. O, wat smartte dit alles de knecht des Heeren. Ja, zozeer, dat hij het leed niet meer dragen kon. Hij werd gevoerd in duisternis en niet in het hcht. . . In een woord gezegd, des Heeren toorn over Juda heeft Jeremia getroffen. In de bres staande, om Gods gramschap van zijn volk af te wenden, is de knecht Gods bekneld geraakt tussen de zonden van het volk en de toorn des Heeren. Het werd hem onhoudbaar: Mijn sterkte is vergaan en mijn hope van de Heere."

O, hoe anders zouden velen klagen als ze eens waarlijk in de nood kwamen en hun hope verging. Jeremia klaagde immers niet zonder reden. Volk en Vorstenhuis waarschuwde hij getrouw. Eigen eer zocht hij niet. Zijn leven had hij veil voor de dienst des Heeren en het heil van zijn volk. Kerker en kuil waren zijn deel. Maar hij kon en mocht niet zwijgen. Hij zocht zijn volk te redden als een brandhout uit het vuur. Niets echter heeft mogen baten. . .

Maar nu klaagt Jeremia toch niet eerst over die ellenden, neen zijn klacht gaat dieper, raakt de oorzaak dier ellenden, de zonde zelve. Daardoor immers was de toorn Gods opgewekt. De ware klacht beweent de zonde meer dan alle gevolgen ervan in uiterlijk leed.

Ware nu deze klacht ook ons deel, geliefden, in deze bange en ernstige tijden. Wij klagen; geheel de wereld klaagt. Niet zonder reden ook. Gods hand is tegen ons opgeheven. Maar waar is de klacht over de oorzaak van al dat leed? Waar wordt die oorzaak ook maar gekend? Allerwege houdt men het oog moedwillig gesloten voor de zonde. Ook ons land beijvert zich meestens om de zonde te verzwijgen. De klacht der levenden kennen zij niet, die Jeremia slaakte.

Ook de zonden en ellenden van Gods Kerk zouden ons, zo ons oog ervoor geopend ware in het zwart doen gaan voor Gods aangezicht. Gods Kerk in Nederland, eens met heerlijkheid bekleed, ligt in diepe verachting neder. Duizenden keren haar de rug toe. Talloos velen haten de rechte leer. Wel mag met de psalmist de klacht worden geuit: „'t Ligt al verwoest door die geweldenaren". Ook Gods Kerk in engere zin, het vernieuwde volk, het kostelijk goud des Heeren, is verdonkerd en de aarden flessen gelijk geworden. Och dat ons hoofd water ware. . .

Jeremia's klacht is vrucht van ware ontdekking. Die door God wordt levend gemaakt, leert de klacht over de zonde klagen. Zulk een ontdekking is noodzakelijk. Hoe zal immers ooit een zondaar tot Christus vluchten, zo hij zijn zonden niet recht leert kennen? Hoe zal Gods volk door het geloof een recht gebruik van Christus maken zo de ontdekking ontbreekt? Ligt hier niet een der droeve oorzaken der donkerheid over Gods Kinderen, dat er zo weinig ontdekking is? . . .

De ware klacht wordt alzo gekenmerkt daarin, dat zij niet alleen de ellenden, om de zonden gekomen, beweent maar dat zij doordringt tot de oorzaak van hel leed, nl. de zonde. De oprechte klager buigt onder het recht Gods. Wie in die diepte nooit voor God boog, heefi nog nimmer een levende klacht leren klagen, met hoeveel aandoeningen ook bewogen. De ware klacht komi altijd op uit de diepte der schulderkentenis. Die klachi heft de ziele op en zij doet opmerken, dat zij bij de Heere vergeving heeft, gelijk ook Jeremia heeft mogen ervaren.

(wordt vervolgd)

wijlen ds. G. H. Kersten te Rotterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1989

De Banier | 20 Pagina's

Gegronde hoop in droeve klacht (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1989

De Banier | 20 Pagina's

PDF Bekijken