Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

"Open mijn lippen"

5 minuten leestijd

"Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen."

Psalm 51 : 17

De lof des Hecren verkondigen. Dat is de heilige roeping en bestemming \'an de mens. Heeft de Heere daartoe de mens niet geschapen, om Hem de lof en de eer en de dank te bereiden? In zekere zin is het waar, dat de gehele schepping met alles wat daarin is de Almachtige zonder ophouden verheerlijkt. Zingt de dichter \an Psalm 19 niet: "De hemelen vertellen (iods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan de dag stort (nervioediglijk spraak uit en de nacht aan de nacht toont wetenschap." In stille pracht predikt de fionkering van de sterren de grootheid des Heeren.

Al deze lof is echter onbewuste lof Vanuit de schepping rijzen wel zonder ophouden de heerlijkste lofzangen op tot eer van de Schepper, maar zelfs de meest machtige schepselen weten het niet, dat zij de Heere prijzen. Kchter, midden in die schepping staat wel de mens met een denkend hoofd, een kloppend hart en een sprekende mond. Méér dan alle schepselen heeft de mens de roeping zijn God en Heere groot te maken.

De lof van de mens is geen sprakeloze lof, zoals die \'an de zon, maan en sterren. Zijn lof is ook geen lof in mooie, maar onbezielde klanken, zoals de vogels die laten horen, nee, zijn lof is bewust, hij weet wie hij prijst, hij kent Hem, die hij verheerlijkt! Althans, zo zou het wel behoren te zijn!!! Toch staat die mens menigmaal met gesloten lippen voor de Heere. En nu is er verschil in zwijgen, zeker! Er is een zwijgen, omdat de mens niets te zeggen heeft; dat is het zwijgen van het ongeloof zoals de mens zwijgt, die geen kennis heeft gekregen aan de 1 leere en de Zoon van Zijn welbehagen, de Heere Jezus C> hristus. O ja, als het gaat over aardse en tijdelijke zaken heeft men ruime stof tot spreken. Maar als de naam des Hecren genoemd wordt, sluiten de meest welsprekende lippen zich als bij toverslag, de stemmen verstommen en het wordt benauwend stil

Er is ook een zwijgen, omdat een men.senkind te veel te zeggen heeft; dan is de ziel overal \'an de lof des Heeren, op zo kennelijke wijze is de gunst des Heeren ervaren, de ziel werd verkwikt door Ciods verrassende liefde en dan vermenigvaildigen de gedachten zich in het binnenste. Dan is het menselijk woord veel te arm en sta je sprakeloos in je binnenkamer voor het aangezicht van de Heere en de lofzang is, zoals de psalmdichter zingt, in stilheid tot (iod.

Er is echter ook een zwijgen uit schaamte. Dat is het zwijgen van David in deze psalm. Hij herinnert ons zelf in de vorige \'erzen \an Psalm 51 aan zijn diepe val, toen hij aan zijn boze lusten een mensenleven opofferde. Met bloedschuld had hij zich beladen. En nu is het waar, hij heeft zijn zonde al voor het aangezicht van de Alziende beleden en er ook vergeving voor ontvangen. Hij weet al uit eigen cnaring dat de offeranden, die de Heere behagen, een \'erbroken hart en een verslagen geest zijn. Maar al is zijn schuld verzoend in het bloed van Christus, hij kan de gedachte aan zijn grove misstappen toch niet zo maar van zich afschudden. O, hoe kan de herinnering aan vergeven zonden ons bitter benauwen! (3m de ziel van David ligt een nauwe beklemming. Hij mi.st namelijk de vrijmoedigheid om zijn harp ter hand te nemen en zo op lieflijke wijze de lof des Heeren te bezingen. O, hij voelt het maar al te goed dat dit zo niet mag blijven. De Heere moet zijn lof en eer ook weer uit zijn mond ontvangen. En daarom buigt David zich nu neer om zijn ziel in een gebed uit te storten: "Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond uw lof verkondigen".

Wie van Gods volk kent deze zielsgestalte van de man naar Gods hart niet? Het zijn, naar ik meen, niet de diepste en edelste zielen die, als zij gevallen zijn en ook weer opgericht zijn door de \'ergevende genade van de Heere, meteen in staat zijn om Gods lof te zingen en Hem in vrolijke psalmen te verheerlijken. Het is dan wel te vrezen dat de zondeschuld niet zo heel diep gevoeld wordt en dat de droefheid o\'er de val weinig meer dan een oppervlakkige aandoening van het gevoel is. Het getuigt in ieder geval van weinigen ernst, als uw zonde u niet meer hindert, omdai de Heere die in het bloed van Zijn lieve Zoon heeft toegedekt. Een gevallen zondaar, al is hij w eer met de Heere verzoend, mag de gedachte aar zijn schuldige verleden niet als bij to verslag uit het hoofd zetten, alsof ei niets te betreuren valt. Het mag dai waar zijn, dat u gereinigd bent vai uw zondeschuld, maar de schaamtt moet u toch bijblijven, totdat het d( Heere behaagt u ook van deze last ti bevrijden! Zeg het maar tegen de Heere dat u toch eigenlijk niet •waar dig bent om uw stem tot een lofliec aan te zetten.

Vergeet nooit, hoeveel het de trouwt herder gekost heeft om het afge dwaalde schaap weer naar de schaapskooi terug te brengen. Er waar uw eigen bezwaarde hart ni zucht, dat u nooit meer de vrijmoc digheid zult vinden om met een op geheven hoofd uw Heere te loven buig daar dan in de eenzaamheii maar de knieën om te smeken dat di Heere u Zijn lof weer op de lippei mag leggen: "Heere, open mijn lip pen, zo zal mijn mond Uw lof verkor digen!"

Ede, ds.J.H. van Daalen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1994

De Banier | 20 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1994

De Banier | 20 Pagina's

PDF Bekijken