Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Politieke partijen in de bijstand

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Politieke partijen in de bijstand

8 minuten leestijd

TEKST & UITLEG

In de achterliggende laren is de financiële positie van veel politieke partijen in hoog tempo verslechterd. In hoofdzaak zijn daarvoor twfee aanwijsbare oorzaken. De meest ingrijpende is ongetwijfeld dat het ledenaantal jaren achtereen fors is gedaald. Het spreekt voor zich dat de daaruit voortvloeiende vermindering van inkomsten, gevolgen heeft voor de financiële positie.

Een andere oorzaak voor genoemde geldzorgen, is het feit dat aan het functioneren van politieke partijen steeds hogere eisen worden gesteld. Daardoor is er de laatste decennia meer, en niet zelden ook hoger opgeleid, personeel nodig. En iedereen begrijpt dat daaraan hogere uitgaven zijn verbonden.

OORZAKEN

Minder inkomsten en meer uitgaven is een combinatie die om maatregelen vraagt. In de praktijk bleek het echter niet eenvoudig om deze ontwikkeling tegen te gaan. Het teruglopend ledenaantal is een gegeven waarmee de grote politieke partijen zullen moeten leven. Als de ideologische binding wegvalt, vervalt ook de noodzaak van een wezenlijke betrokkenheid door middel van een lidmaatschap. De snelle welvaartsgroei en de ingrijpende sociaal-culturele veranderingen van de laatste decennia hebben hierbij zeker een rol gespeeld. Een meer specifieke verklaring is volgens velen gelegen in de vrijwel voltooide emancipatie van de confessionele volksdelen en de traditionele arbeidersklasse.

Maar hoe dat ook zij, de (grote) poitieke partijen kregen er mee te ma­ ken. En de vermindering van inkomsten kon niet volledig worden gecompenseerd door verhoging van de ledenbijdrage. Een poging daartoe zou zo goed als zeker alleen maar nóg meer afhakers opleveren. Ook bezuinigen op de uitgavenkant heeft zijn beperkingen. Al gauw komt don de kwaliteit van het functioneren in het gedrang.

ANDEREOPLOSSINGEN

fHet ontbreken van de mogelijkheden om zelf voor afdoende maatregelen te zorgen, heeft een aantal politieke partijen ol enkele jaren doen aandringen op een uitbreiding van de financiële bijdrage van de rijksoverheid.

Uitgangspunt daarbij is het standpunt dat politieke partijen in ons staatsbestel onmisbaar zijn als schakel tussen de burger en de overheid. Voor een goed functionerende parlementaire democratie worden politieke partijen van wezenlijk belang geacht. Daaraan kan de conclusie verbonden worden dat het dan ook tot de taak van de overheid gerekend mag worden dot zij het de politieke partijen mogelijk maakt optimaal te kunnen functioneren.

Met name het feit dat aan het functioneren van partijen en politici steeds hogere eisen werden gesteld, heeft er toe bijgedragen dat er in de jaren zeventig een begin is gemaakt met indirecte partijsubsidiëring. Indirect, dat wil zeggen, niet de politieke partijen kregen subsidie voor het instandhouden of uitbreiden van hun organisatie, maar wel heel nadrukkelijk omschreven onderdelen daarvan. In 1972 kwam er de mogelijkheid subsidie aan te vragen voor politieke vormings- en scholingsactiviteiten, in 1976 kwam de subsidieregeling voor politiek-wetenschappelijke instituten en in 1986 die voor politieke jongerenorganisaties.

UITBREIDING

Het verzoek om financiële ondersteuning dat als gevolg van de hierboven genoemde ontwikkelingen aan de minister werd gericht, betrof dus inderdaad een uitbreiding van de bestaande overheidssteun. Dit verzoek kwam aan de orde bij de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken voor het jaar 1995. De minister zegde daarbij toe dat hij over het vraagstuk 'subsi­ diëring politieke partijen' een principiëlediscussie zou opstarten.

Vervolgens is daarover een notifie verschenen die aan alle partijen werd toegezonden, met het verzoek daarop te reageren. In deze notitie werd het belang van politieke partijen in een democratisch staatsbestel benadrukt. Daarnaast werden in het kort de maatschappelijke ontwikkelingen aangegeven die als oorzaak worden aangemerkt van de veranderende positie van de politieke partijen. De conclusie daarvan was dat deze situatie zich niet ten gunste van de partijen zou wijzigen. Integendeel, de verwachting is dat eerder genoemde sociaal-culturele processen zich zullen voortzetten en dat de banden met de van oudsrier verwante maatschappelijke organisaties (kerken, vakbonden, e.d.) nog losser zullen worden.

De slotsom van deze notitie was, dot de minister in principe niet onwelwillend stond tegenover de gevraagde uitbreiding. Daarbij bleven de vragen open, hoe daaraan vorm gegeven zou moeten worden en wat de criteria zouden moeten zijn voor het berekenen van de bijdrage-

ONS STANDPUNT

De verschillende mogelijkheden besparen wij u. Van belang hierbij is wel dat de minister de vraag naar partijsubsidiëring heeft voorgelend aan een commissie, die de minister heeft geadviseerd over de diverse mogelijkheden. Eén van de voor naamste vragen daarbij was of er sprake zou moeten zijn van een uitbreiding van de bestaande vormen van indirecte subsidiëring of dat alle bestaande bijdragen gebundeld zouden moeten worden in één directe uitkering, een zogeheten 'brede doeluitkering'. De commissie heeft de minister geadviseerd een brede doeluitkering in te stellen, waarbij echter een afzonderlijke indirecte, smalle doeluitkering zou blijven bestaan voor de wetenschappelijke bureaus en het jongerenwerk.

Dit advies werd door de minister overgenomen en aan de besturen van de politieke partijen voorgelegd.

Ook ons HB heeft op het discussiestuk van de minister gereageerd. Daarbij werd allereerst duidelijk gemaakt dot het binnen onze partij bepaald geen vanzelfsprekende zoek is dat van de geboden mogelijkheden ook gebruik wordt gemaakt. Telkenmale als bepaalde vormen van overheidssteun, direct danv/el indirect, aan de orde zijn, is er - ook in het verleden - op gewezen dot wij het standpunt huldigen dot politieke partijen tot het particulier initiatief behoren. De SGP heeft zich, op grond van principiële overwegingen, vanouds dan ook nooit een groot voorstander betoond van subsidiëring van de politiek-wetenschappelijke instituten en scholingsen vormingactiviteiten. Toen in de jaren zeventig voor het eerst deze vorm van 'bijstand' in de Tweede Kamer aan de orde was, heeft de SGP dan ook tegen gestemd.

Nadat de regeling tot stand was gekomen, heeft ook onze partij daarvan gebruik gemaakt. Met als gevolg de oprichting (op 21 maart 1974) van de Stichting Studie- en Voorlichtingscentrum van de Staatkundig Gereformeerde Partij.

NIET ZONDER SLAG OF STOOT

Om aan de subsidievoorwaarden te voldoen, moest toentertijd eerst een eigen bijdrage van ƒ 20.000, - beschikbaar zijn. Dat betekende een verhoging van de ledenbijdrage van ƒ 2, 00 naar ƒ 3, 00 per jaar! Dat hadden de afgevaardigden, overtuigd van de noodzaak, er graag voor over. Dat voorstel werd met algemene stemmen aangenomen. Het tweede deel, inhoudende aanvaarding van het subsidie, ondervond heel wat meer tegenstand. Er gingen stemmen op die stelden dat het ons een eer zou moeten zijn, niet bij de overheid aan te kloppen, maar onszelf te bedruipen. Daarnaast bestond de vrees dat er aan het subsidie voorwaarden verbonden zouden worden die principiële beperkingen inhielden. Vanuit de vergadering werd don ook voorgesteld de ledenbijdrage zover te verhogen dat subsidie niet nodig zou zijn.

Vanuit het hlB werd het voorstel verdedigd door te wijzen op het feit dat op andere terreinen (bijv. christelijk onderwijs en bejaardenzorg), subsidies ook werden aanvaard. Uiteindelijk werd het voorstel met ruime meerderheid aangenomen en daarmee het gebruikmaken van subsidie voor dit doel, geaccepteerd.

STEUN

Nu inmiddels de gedachten van de minister inzake een brede doeluitkering vaste vormen hebben aangenomen en in een daartoe strekkend wetsvoorstel ter beoordeling aan de Tweede Kamer zijn voorgelegd, zal de grote lijn daarvan dan ook niet op tegenstand van de SGP stuiten. De kanttekening blijft, dat politieke partijen en alles wat daaraan hangt, in principe tot het particulier initiatief behoren. Maar ook de SGP erkent het belang van politieke partijen in het bestaande staatsbestel, hiet zijn daarin de aangewezen instrumenten voor een goed functionerende parlementaire democratie. Ook als intermediair tussen overheid en burger zijn ze van groot be­ lang. De SGP acht het van groot belang dat partijen, mede ter recrutering van (toekomstige) politieke ambtsdragers, investeren in betrokkenheid van burgers. Het lidmaatschap is daarvoor de meest aangewezen weg. Om die reden heeft de SGP, zowel via de reactie van het HB als middels de inbreng door onze parlementariërs, gewezen op het belang van het aanbrengen van een relatie tussen het ledenaantal en de hoogte van de subsidiebijdrage. Daarbij kon gewezen worden op de opmerking in de ministeriële notitie dat een politieke partij niet gedegradeerd mag worden tot 'een aan een Kamerfractie gelieerde lege huls'.

TERUGHOUDEND

Er zou over deze mogelijke subsidieregeling veel meer te schrijven zijn. Het mag ons niet alleen gaan om de uitbreiding van het subsidiebedrag met enkele tienduizenden guldens. Hoe welkom deze ook zijn. Want ook aan een partij als de SGP worden steeds hogere eisen gesteld. Ook wij zien de werkdruk op het partijbureau toenemen. Ook de vraagstukken die ons studiecentrum worden voorgelegd vragen meer en intensiever bestudering, ook ons voorlichtingscentrum wordt steeds frequenter geraadpleegd. Op zich is uitbreiding van de bijdrage dus welkom; waaraan wij in één adem willen toevoegen dat onze leden, wanneer de noodzaak aantoonbaar was, partij en fractie nog nooit hebben beschaamd. Ook over het ledenaantal hebben wij beslist geen klagen.

En het instemmen met een subsidieregeling als deze heeft ook schaduwzijden. In het wetsvoorstel is ook een paragraaf opgenomen met als titel: "Vervallen van de subsidie bij discriminatie". Daarbij wordt een aantal artikelen genoemd uit het Wetboek van Strafrecht. Indien een partij veroordeeld is op grond van die artikelen, vervalt de aanspraak op subsidie.

Het zijn exact de artikelen waarvoor de SGP ten tijde van de 'vrouwenkwestie' werd aangeklaagd en waarbij de uitspraak luidde dat de SGP wel discrimineerde, maar niet op strafbare wijze.

Daar zit niet zo heel veel tussen. Een reden temeer om ook deze regeling met gepaste terughoudendheid te omarmen.

DN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

De Banier | 20 Pagina's

Politieke partijen in de bijstand

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1998

De Banier | 20 Pagina's

PDF Bekijken