Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DS. KERSTEN EN HET POLITIEKE HANDWERK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DS. KERSTEN EN HET POLITIEKE HANDWERK

9 minuten leestijd

1948 " Ds. Kersten een halve eeuw geleden overleden - 1998

In het vorige artikel hebben we stilgestaan bij een aantal politieke uitgangspunten zoals die door ds. Kersten werden geformuleerd en die hij in de Tweede Kamer naar voren bracht. Door de nadruk op de principiële grondslagen kwam in Kerstens bijdragen een fors accent te liggen op de getuigenispolitiek. Toch ging hij het praktische politieke handwerk niet uit de weg. Op dat aspect willen we in dit artikel ingaan.

AMENDEMENTEN IN 1922 EN 1925

Leden van de Tweede Kamer hebben een aantal bevoegdheden om hun (mede)wetgevende en controlerende taken ten uitvoer te brengen. Een ervan is het recht om een motie in te dienen. Daarnaast zijn er de parlementaire rechten, zoals dat van amendement. Ds. Kersten zot nog maar enkele maanden in de Kamer of hij maakte al gebruik van het recht van amendement. Dat gebeurde tijdens zijn tweede optreden in de politieke arena. Zijn voorstel tot wetswijziging betrof de lager onderwijswet die nog maar kort voor zijn intrede door de beide Kamers was aanvaard. Met deze wet-De Visser, genoemd naar dr. J.Th. de Visser, minister van onderwijs van CHU-huize, was er een einde gekomen aan de tweede Tachtigjarige Oorlog. Zo wordt de schoolstrijd namelijk ook wel genoemd. De nieuwe lager onderwijswet regelde de financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Op basis van deze wet konden eigen scholen worden gesticht met overheidssteun en reeds bestaande kwamen voor subsidie in aanmerking. De overheid beschouwde verzekering van de schoolgebouwen als onderdeel van goed beheer. Hier zat de angel voor Kersten en de SGP gezien hun principiële bezwaren tegen verzekering. "Als er scholen zijn die al op particulier initiatief en deels met eigen middelen zijn gefinancierd, wie geeft dan de regering het recht om de eigenaar te dwingen zijn bezit te verzekeren op straffe van te worden achtergesteld bij anderen? " zo luidde Kerstens be­zwaar. Het ingediende amendement bracht niet het gewenste resultaat. Meer succes had de SGPfractie in 1925. Het in november ingediende amendement op de begroting van buitenlandse zaken met als doel een einde te maken aan de Ne­derlandse gezantschapspost bij het Vaticaan, werd aanvaard. Dit had grote gevolgen. De rooms-katholieke ministers stapten op en minister-president Colijn moest naar de Koningin om haar mee te delen dat er binnen een half jaar een einde was gekomen aan zijn kabinet. Deze gebeurtenis, die in geen enkel handboek voor (parlementaire) geschiedenis ontbreekt, is bekend geworden onder de naam de Nacht van Kersten. De verhoudingen tussen met name de Rooms-Kotholieke Staatspartij en de Christelijk Historische Unie waren door deze affaire zodanig verstoord, dat er geen 'gewone' coalitiekabinetten, waaraan de twee genoemde confessionele partijen en de ARP deelnamen, meer mogelijk waren. Even leek het er zelfs op dat de Sociaal Democratische Arbeiders Partij en de Vrijzinnig Democratische Bond in zee zouden gaan met de RKSP Vanuit SGPstondpunt uit gezien kon het niet erger. De socialistische partij, wier leider Troelstra zeven jaar eerder een heuse revolutiepoging had ondernomen, de partij van de 5 K's - tegen de kerk, de kazerne, de koloniën. de kroeg en het kapitaal - samen met de links liberale VDB en de naar hegemonie strevende RKSP! Deze formatiepoging mislukte en na maanden van onderhandelingen kwam er een extra-parlementair kabinet tot stand onder leiding van de christelijk historische De Geer.

VERWIJT: ONVERANTWOOR POLITIEK

Het zou een interessante vraag zi; n of de SGP anno 1 998 dezelfde afweging zou maken als in 1925. Ds. Kersten speelde, om het populair te zeggen, hoog spel. Het confessionele kabinet viel en het gevaar was niet denkbeeldig dat niet-confessionele bewindslieden het roer zouden overnemen. Van de zijde van ARP en CHU werd hem onverantwoorde politiek verweten. Hoe keek hij door zelf tegen aan? We laten hem aan het woord via De Banier een weel; na de val van het kabinet: "Wie zal er een nieuw kabinet vormen? Bli|ven de Roomsen er buiten, en dot is toch te hopen, dan kan buiten de socialisten geen meerderheid verkregen [worden] in de Kamer. Minister Colijn zal geen zaken-kabinet vormen; kan ook met een minderheic de zaken van het land niet sturen. Maar wat dan? De socialisten aar; het roer? Het is moeilijk te zegger welke weg het uitgaan zal." Uit dit citaat blijkt dat de SGP het risico van een kabinet met socialisten welbewust had genomen. Anderzijds zijn er gegevens die duidelijk maken dat de dreiging van rood niet werd onderschat: "Het Roomse gevaar schijnt ons niet verder af dan het rode" en "het al-oude Gereformeerde volk heeft twee vijanden: Rome (de erfvijand) en de Revolutie. Tegen beide hebben wij de strijd Ie voeren." Rooms en rood: waarvan ging voor de SGP de grootste dreiging uit? Het wordt niet echt duidelijk wanneer de kwestie rond de gezantschapspost bestudeerd wordt. In de latere bijdragen wordt het gevaar van een overheersende RKSP wel een steeds centraler thema.

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat ds. Kersten met beide benen in de politieke realiteit stond en bereid was onn verregaande consequenties te verbinden aan zijn principiële standpunten.

MOTIES OVER BIOSCOOP

Wanneer we kijken naar de SGPmoties, die in de 1 8 jaren dat ds. Kersten deel uitmaakte van het parlement, werden ingediend, dan kunnen we twee soorten onderscheiden. Moties die een redelijk draagvlak hadden en moties die het politieke isolement van de SGP in bepaalde opzichten illustreerden. Om met de laatste soort te beginnen: in februari 1 923 werd er in de Kamer gedebatteerd over een wetsontwerp tot bestrijding van de zedelijke en maatschappelijke gevaren van de bioscoop. Het hoofddoel van dit ontwerp was om eenheid te brengen in de filmkeuring. Deze werd namelijk overgelaten aan gemeenten en particuliere instellingen. De praktijk was dat niet iedere gemeente films die in de plaatselijke bioscopen vertoond werden liet keuren. Bovendien hanteerde men diverse maatstaven. Men wilde komen tot een centrale filmkeuring door een rijkscommissie.

Het is interessant kennis te nemen van de diverse argumenten en standpunten. De CHU en ARP waren bijvoorbeeld voor een algeheel bioscoopverbod voor kinderen beneden de 1 8 jaar. De CHU-afgevaordigde Jhr. dr. J.W.H. Rutgers van Rozenburg nam een woord als 'volkskanker' in de mond bij de vraag of de bioscoop als een nuttige instellingen kon worden beschouwd.

Ds. Kersten voerde tijdens dit debat zeer kort het woord. Hij nam een eenvoudig standpunt in dat hij verwoordde in een motie; 'De Kamer, van oordeel dat openbare bioscoopvoorstellingen in strijd zijn met het zedelijk belang van het volk, nodigt de regering uit voorstellen te doen, die leiden tot het verbod van openbare bioscoopvoorstellingen en gaat over tot de orde van de dag." Om deze motie te kunnen laten behandelen waren er naast de SGP-er nog vier anderen die hem ondertekenden, namelijk twee antirevolutionairen en twee leden van de CHU-fractie. Overigens betekende dit niet dot zij zich inhoudelijk in de motie konden vinden.

Toen er een dag later over werd gestemd, was er niet een stem voor. De indiener zelf was niet aanwezig. Volgens mr. PJ. Oud, parlementaire geschiedschrijver en lid van de Tweede Kamer in de tijd dat ds. Kersten er ook in zat, werd er tijdens de stemming geroepen; "Waar is Kersten? " Daarop antwoordde de vrijzinnig democraat Th. M. Ketelaar, fractiegenoot van Oud; "Naar de bioscoop!" Het zou niet de laatste keer zijn dat de mening van SGP-zijde weerstand opriepen.

PRAGMATISCH: BETEUGELING VAN HET KWAAD

In 1925 werd weer een wetsvoorstel van ongeveer dezelfde strekking, namelijk over de zedelijke en maatschappelijke gevaren van de bioscoop, behandeld. Opnieuw diende ds. Kersten, nu samen met zijn fractiegenoot ds. Zandt, een motie in met het verzoek tot een algeheel verbod. Slechts de twee staatkundig gereformeerde afgevaardigden stemden voor. Echter, toen de eindstemming over instelling van een filmkeuring plaatsvond, stemden beide predikanten voor. Ds. Kersten motiveerde dit stemgedrag met de verklaring dat keuring van films door een neutrale commissie enige beteugeling van het kwaad zou betekenen. Hier zien we een pragmatische beslissing; principieel tegen een instituut als filmkeuring, toch een positieve stem in de hoop van een remmende werking op het verkeerde.

De vergelijking met problemen die SGP-ers in gemeenteraden hadden over de vraag; "Moeten we voor een vermindering van het aantal koopzondagen stemmen? " dringt zich op. Vanuit dit filmkeuringsvoorbeeld kunnen lijnen doorgetrokken worden naar het koopzondagendebat, hoewel er ook een ander voorbeeld is te noemen. Dit betreft het wetsvoorstel van de antirevolutionaire minister van justitie, mr. J. Donner, getiteld; "Aanvullingen van het Wetboek van Strafrecht betreffende bepaalde voor godsdienstige gevoelens krenkende uitingen." In concreto werd in dit ontwerp voorgesteld om godslastering strafbaar te stellen. Ds. Zandt verklaarde tegen te zullen stemmen omdat ook lastering van een afgod strafbaar zou worden. Dit kon niet omdat "in zekere zin de levende God, de God van hemel en aarde, op één lijn ge­ steld [wordt] met een denkbeeldige God."

Hier zien we dus een andere redenering dan bij de filmkeuring. Immers, ook lastering van de God van hemel en aarde zou bestraft worden. Toch stemde de SGPfractie tegen. De kwestie van de filmkeuring had ds. Kersten in zijn portefeuille, die van de strafbaarstelling van godslastering ds. Zandt. Als ds. Kersten eveneens woordvoerder geweest zou zijn bij de laatstgenoemde discussie, zou hij dan dezelfde redenering hebben toegepast als in 1925? Ik weet het, deze vraag is onhistorisch en speculatief. Toch sluit dit verschil wel aan bij de gedachte dat ds. Kersten wat meer politiek gevoel had en bereid was tot compromissen binnen duidelijke grenzen dan ds. Zandt, die sterke nadruk legde op het getuigeniselement. Zie bijvoorbeeld ook de kwestie over de onderhandelingen met prof. Hugo Visscher, leider van de Christelijk Nationale Actie. Twee andere onderwerpen waarover moties werden ingediend die geen enkele sympathie van andere kamerleden ondervonden, betrof de herinvoering van de doodstraf, het stopzetten van alle openbaar vervoer op zondag, de bedrijven vrijstellen van de verzekeringswetgeving en de verlaging van hoge salarissen van overheidspersoneel. Moties waarin afschaffing van de opkomstplicht bij verkiezingen en het terugdraaien van de instelling van de zomertijd werd bepleit, werden weliswaar niet aanvaard, maar kregen brede steun, van resp. 30 en 22 stemmen.

PRAKTISCHE POLITIEK

Uit deze beschrijving valt te concluderen dat ds. Kersten en zijn fractiegenoten ir. Van Dis en ds. Zandt zoveel in hun vermogen lat een rol te spelen in de politiek van alledag. Dat zij zich niet alleen bezighielden met principiële kwesties, kan iedereen zien die zich verdiept in de Handelingen van de Tweede Kamer. Belangen van provincies, dorpen, regio's, groepen uit de beroepsbevolking en andere kwesties, hadden en kregen aandacht.

Op de vraag hoe de plaats van de SGP onder ds. Kersten temidden van de andere partijen was, willen — we in een volgend artikel ingaan.

dr. W. Fieret

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1998

De Banier | 32 Pagina's

DS. KERSTEN EN HET POLITIEKE HANDWERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1998

De Banier | 32 Pagina's

PDF Bekijken