Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tweede Kamer · De Ridderzaal

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tweede Kamer · De Ridderzaal

9 minuten leestijd

"Een hoop stenen van 600 jaar oud..."

Koningin Beatrix leest de troonrede voor in de Ridderzaal. Net als haar moeder en grootmoeder dat deden. Een historische plek - niet alleen voor Den Haag, maar voor heel Nederland. Want hier klopt al sinds de vroege Middeleeuwen het hart van het landsbestuur.

Floris

De geschiedenis van de Ridderzaal begint ergens halverwege de 12'' eeuw. De graven van Holland (Floris IV.Willem II en Floris V) hadden er behoefte aan om het jachtslot dat ze hadden laten bouwen bij een visvijver in het bos achter de duinen, uit te breiden met een representatieve zaal die bij bevriende én vijandige ridders respect zou moeten afdwingen. Zo rond 1280 (de exacte jaartallen zijn niet te achterhalen) was die klus, uitgevoerd door Vlaamse bouwmeesters, geklaard. Het resultaat was een ook voor die tijd indrukwekkend bouwwerk van ruim 38 meter lang, bijna 18 meter breed en 26 meter hoog, met meer dan één meter dikke muren en een overweldigende eikenhouten kap in de vorm van een omgekeerd schip.

Zoals de bedoeling was, werd de zaal vooral gebruikt voor vorstelijke ontvangsten en luisterrijke feesten. Dat het gebied rond het jachtslot en de nieuwe zaal van deze uitbouw profiteerde, laat zich raden. Rond de grafelijke gebouwen vestigden zich allerlei kooplui en ambachtslieden die zich aanboden als leveranciers van het uitdijende Hof van Holland. Daarmee ontwikkelde de nederzetting'Die Haghe' zich allengs tot een soort bestuurlijk centrum van de Lage Landen bij de Zee. En ook al kozen de hertogen na Willem en de Florissen hun domicilie vaak elders in Europa (Brussel), hun vervangers en 'stedehouders' resideerden bijna zonder uitzondering in het geografisch gunstig gelegen 's-Gravenhage.

Illustratief voor de status van 'die Haghe' (de oude naam van Den Haag) is, dat de Ridderzaal in het midden van de 15" eeuw door keizer Karel de Stoute (1433-1477) gebruikt is om er in hoogst eigen persoon recht te spreken. De 'luistervinkjes' (gezichtjes met grote oren) die nog altijd aan de hanenbalken zitten herinneren daar tot op de dag van vandaag aan. In diezelfde eeuw bood de Ridderzaal tot twee keer toe onderdak aan een even indrukwekkende als kleurrijke bijeenkomst van de befaamde ridders van het Gulden Vlies.

Verval

Dit grootse verleden kon evenwel niet verhullen dat de 'Groote Zaal' langzaam maar zeker achteruitging. De tekenen van verval werden na verloop van tijd zowel aan de binnen- als aan de buitenkant duidelijk zichtbaar. Zo kreeg de zaal steeds meer 'puisten' als gevolg van talloze aanbouwsels en optrekjes die tegen de buitenmuren werden 'aangeplakt'. Ramen werden dichtgemetseld en op andere plaatsen weer uitgehouwen. Binnenin was de toestand evenmin florissant: in de langs de muren opgestelde kramen en kraampjes brachten boekverkopers luidkeels hun waren aan de in- en uitlopende man en vrouw. De aftakeling van de Ridderzaal was duidelijk zichtbaar.Alleen voor speciale gebeurtenissen werd ze nog, zo goed en zo kwaad als dat ging, opgekalefaterd.

Plakkaat van Verlatinghe

Eén van die hoogtijgebeurtenissen vond plaats op 26 juli 1581. Die dag verzamelden zich in 's Hage de afgevaardigden uit de zeven toen toonaangevende Provinciën voor een van de meest dramatische episoden in onze geschiedenis: de afzwering van 'de koning van Hispanje', de gehate Philips II. De beraadslagingen werden afgesloten met het Plakkaat van Verlatinghe, waarvan de slotconclusie luidde "dat de onderdanen niet van God geschapen zijn ten behoef van den Prins, om hem in alles wat hij beveelt - recht of onrecht - onderdanig te zijn en als slaven te dienen; maar veeleer de Prins de onderdanen (...) met recht en reden te regeren en voor te staan en lief te hebben, als een vader zijn kinderen." De Nederlanden sloegen met deze opzienbarende verklaring de weg in van de Republiek.

Nauritstoren

Nauw verbonden met Nederland is het Huis van Oranje-Nassau. Het was in deze jaren van strijd voor de onafhankelijkheid dat de uit Duitsland afl< omstige Oranjes voor het eerst het Binnenhof betraden. Niet Willem de Zwijger zelf, maar wel twee van zijn zonen namen hun min of meer vaste intrek in het'Stadhouderlijk Kwartier'. Maurits, die er in de zuidwesthoek de nu nog bestaande Mauritstoren liet bouwen, en Frederik Hendrik.Vooral de laatste maakte dankbaar en opzichtig gebruik van de Ridderzaal. De door hem georganiseerde bals en feesten waren beroemd en berucht - zozeer zelfs, dat enkele Haagse predikanten hem op zijn wel erg royale levensstijl aanspraken...

Op 16 januari 1651 was de Ridderzaal opnieuw het toneel van een historische gebeurtenis. Raadpensionaris Jacob Cats opende die winterdag de zogenaamde 'Groote Vergadering', die al met al ruim een halfjaar zou gaan duren. Onder de vele aan het plafond bevestigde op de vijand veroverde vlaggen, banieren en vaandels delibereerden de afgevaardigden van de gewesten over de moeizame verstandverhouding tussen Oranje en de Staten van de Provincies. De uitkomst van dit beraad was dat de stadhouder een niet onaanzienlijk deel van zijn rechten en privileges moest afstaan.

Weesjongetje

Daarna ging het snel bergafwaarts met de grote zaal aan het Binnenhof. Het ooit zo imposante gebouw werd voor de meest merkwaardige doeleinden gebruikt. Zo fungeerde de Ridderzaal een tijd lang als Loterijzaal, waar eens in de zoveel tijd een geblinddoekt weesjongetje onder het toezicht van bepoederde en bepruikte regenten nummers uit een grote pot mocht trekken. De Fransen, die in 1795 de Nederlanden binnenmarcheerden, toonden zo mogelijk nóg minder eerbied voor het erfgoed van de graven van Holland. Ze verbouwden de Loterijzaal tot een soort kazerne annex exercitieruimte voor jonge rekruten die nog moesten leren schieten.

Na hun aftocht in 1813 volgde er een oplapbeurt, maar die bracht de zaal van de regen in de drup - letterlijk.Want hoewel de ontsierende uit- en aanbouwsels werden gesloopt, liet men het dak verder rusten. Met alle gevolgen van dien. Tijdens regenbuien stond de zaal regelmatig blank, waarna men besloot om dan maar een goot in de vloer van de zaal te hakken waardoor het hemelwater onder door de voordeuren het Binnenhof op kon stromen. Is het daarom verwonderlijk dat een kamerlid enige jaren later tijdens een Kamerdebat smalend sprak over"...een hoop stenen van 600 jaar oud waar we maar geen geld meer in moeten steken..." Vernieuwend restaureren

Aan deze onhoudbare situatie l< wam een eind in I860. Op de begroting voor dat jaar had de regering op aandrang van enkele leden van de Tweede Kamer 75.000 guldens uitgetrokken voor herstelwerkzaamheden. Maar hoe goed bedoeld ook, daarmee creëerde het toenmalige kabinet een nieuwe bron van ellende: hoe moest de verbouwing worden uitgevoerd? Een herstel helemaal in de oude (middeleeuwse) staat, of een 'vernieuwende restauratie'? De opdracht om de Ridderzaal weer toonbaar te maken ging naar RijksbouwmeesterW.N. Rose, die daar zo z'n eigen gedachten over had en mede z'n gang kon gaan omdat de minister die er zijn goedkeuring aan moest hechten er openlijk voor uit kwam geen verstand van architectuur en restauratie te hebben.

Rose's aanpak was rigoureus - en shockerend. Hij verving de eikenhouten kap (althans, wat daarvan over was) door een dakconstructie van gietijzer, rustend op eveneens gietijzeren pilaren, die in de zaal werden geplaatst. Op die manier ontstond een soort driebeukig kerkje, waar Rose grootse plannen mee had: het moest een soort walhalla van de Nederlandse geschiedenis zijn. Op de vraag hoe dit te rijmen was met de historie, antwoordde de Rijksbouwmeester: "Het vlugge, ligte en sterke, geheel in den geest der 13° eeuw in plaats van de gebrekkige lijnen der oude eiken kap, zwart-bruin en zelfs somber zwart van kleur..."

Zotskap

Er volgden stormen van protest uit het hele land. Het scherpst in zijn oordeel was de schrijver AlberdingkThijm: "Laat liever het gebouw instorten dan het met de ijzeren kap (...) op te schikken. Het zal een ware zotskap zijn op het hoofd der grijze majesteit." Een andere tegenstander schreef: "Het zij hier geconstateerd, dat een Nederlandse minister in het jaar der beschaving I860 (...) aan de vernietiging heeft blootgegeven een unicum uit 's lands kunstschatten." De pennenstrijd tussen architecten, kunstenaars en schrijvers kreeg zowaar een gevolg in de Tweede Kamer, waar de kleinste mogelijke meerderheid vond dat deze manier van 'restaureren' moest worden afgewezen. In een motie werd deze mening nog eens uitdrukkelijk vastgelegd.

Effect had deze Kameruitspraak echter niet. De regering stelde dat de voorbereidingen al in een zó vergevorderd stadium waren, dat van afblazen of terugdraaien van het project geen sprake (meer) kon zijn. En dus werd de Ridderzaal kort daarop in de geest van de 'verfrisschers' verbouwd - niet in die van de 'na-apers' (1861). Maar toen de zaal eindelijk klaar was en werd opgeleverd, bleek dat het alsnog een flop was. Want in plaats van dat de zaal voldeed aan de hooggestemde verwachtingen die voorzagen in een soort museum van de geschiedenis, verkwijnde de verbouwde zaal tot "feitelijk weinig meer dan een rommelmagazijn." Uiteindelijk zag de minister van Binnenlandse Zaken wel wat in de zaal om er het archief onder zijn ministerie in onder te brengen...

Cuypers

Deze onmogelijke situatie duurde niet lang. Nog geen veertig jaar later ging de 'gerestaureerde' Ridderzaal opnieuw op de schop. Onder verantwoordelijkheid van Rijksbouwmeester Peters zette de toen al bekende architect Pierre Cuypers (onder meer betrokken bij de bouw van het Rijksmuseum, universiteitsgebouwen en het Amsterdamse Centraal Station) zijn tanden in een grootscheepse, ouderwetse renovatie. Hij oriënteerde zich zoveel mogelijk op tekeningen en beschrijvingen van de oorspronkelijke, middeleeuwse zaal. Eén van zijn belangrijkste en meest in het oog vallende verdiensten was het opnieuw aanbrengen van de 'oorspronkelijke' eikenhouten kap.

In 1904 werd de geheel gerestaureerde Ridderzaal opgeleverd. De nieuwe oude zaal werd in dat jaar ingewijd door koningin Wilhelmina, die er -voor het eerst in de geschiedenis- de troonrede voorlas.Voor die tijd gebeurde dat nog in de wel erg krap bemeten oude vergaderzaal van de Tweede Kamer Sindsdien vormt het erfstuk van de graven Floris en Willem het prachtige decor voor de jaarlijkse Prinsjesdagplechtigheid. Zo ook, als alles goed gaat, over vier dagen, wanneer koningin Beatrix voor de 27' keer in het voetspoor treedt van haar voorgeslacht.

Menno de Bruyne

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 2007

De Banier | 24 Pagina's

Tweede Kamer · De Ridderzaal

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 2007

De Banier | 24 Pagina's

PDF Bekijken