Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Actualiteiten Ruimtelijke Ordening 4

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Actualiteiten Ruimtelijke Ordening 4

8 minuten leestijd

IN DE VORIGE ARTIKELEN HEBBEN WE STILGESTAAN BIJ DE NIEUWE WET RUIM­ TELIJKE ORDENING (WRO), DE DIGITALISERING VAN RUIMTELIJKE PLANNEN (DRUP) EN DE HANDHAVING/VRIJSTELLING BIJ ONRECHTMATIGE BEWONING VAN RECREATIEWONINGEN. IN DIT ARTIKEL ZAL WORDEN INGEGAAN OP DE WET ALGEMENE BEPALINGEN OMGEVINGSRECHT (WABO) EN DE WET GEURHINDER VEEHOUDERIJ (WGV)

I.WABO

11 11.\htergrond

Naar verwachting kunnen gemeenten per 1 januari 2009 de zogenoemde'omgevingsvergunning' verlenen. Een dergelijke vergunning is mogelijk wanneer de 'Wet algemene bepalingen omgevingsrecht' (WABO) in werking treedt. Deze wet beoogt de diverse vergunningen/ ontheffingen te bundelen, zodat er bij een realisatie van bijvoorbeeld een bouwplan nog maar één besluit behoeft te worden genomen. In de huidige situatie komen bij realisatie van een plan vaak meerdere besluiten om de hoek kijken: een bouwvergunning (voor oprichten object), een sloopvergunning (voor slopen oude object), een inritvergunning, een kapvergunning (als er een boom in de weg staat) etc. Wanneer de nieuwe wet in werking is getreden, is het mogelijk om voor 25 vergunningen/ ontheffingen een omgevingsvergunning aan te vragen.

Uitgangspunten zijn verhoging dienstverlening aan particulieren en bedrijven, integraal werken en klachtgerichtheid. Eén en ander kan ondermeer worden bereikt door afstemming van voorschriften, toepassing één loket en digitalisering van aanvraag en het besluitvormingsproces.

1.2 Wetgevingsproces

In februari 2006 heeft de ministerraad ingestemd met het ontwerp van de WABO. Op 18 oktober van dat jaar is het ontwerp wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Op 26 november heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel behandeld en op II december 2007 heeft de Kamer het wetsvoorstel aangenomen. Inmiddels ligt de WABO bij de Eerste Kamer. Naast de WABO moeten overigens ook nog de invoeringswet en het 'Besluit Omgevingsrecht' (BOR) hun eigen wetgevingstraject doorlopen. Het blijft dus 'spannend' of de datum van I januari 2009 gehaald zal worden.

1.3 Inhoud

De WABO kent straks een tweetal procedures: een reguliere procedure (8 weken) en een uitgebreide procedure (6 maanden). Bij beide procedures is een verdaging mogelijk.Tijdens het wetgevingsproces is de zogenoemde gefaseerde aanvraag als mogelijkheid opgenomen. Dit betekent dat de aanvraag in twee fases kan worden ingediend. Eén en ander betekent een flexibilisering richting de aanvrager en maakt het mogelijk om alvast een oordeel te krijgen over cruciale onderwerpen als het milieu en monumenten. Dit bespaart kosten. Overigens kan hierbij de vraag gesteld worden of een deel van het oorspronkelijke uitgangspunt niet wordt losgelaten. Op de website van het ministerie van VROM treft u meer informatie aan over de reikwijdte en besluitvormingsprocedures.

1.4 Gevolgen voor gemeenten

Bij de omgevingsvergunning hoort ook één loket en één vergunningverlenende c.q. handhavende instantie. In veel gevallen zal dit de gemeente blijven, omdat er naar verwachting bij zo'n 75-85% van de gevallen sprake blijft van een 'enkelvoudige' vergunning. Dat wil zeggen dat alleen een bouwvergunning of alleen een kapvergunning wordt verleend. Het wordt complexer wanneer er meer overheden betrokken zijn. Het bevoegde gezag, meestal het college van burgemeester en wethouders, neemt dan uiteindelijk een besluit op de aanvraag.Voor de onderdelen waarbij de andere overheden betrokken zijn, zal het college advies moeten inwinnen.Veel gemeenten, geïnitieerd door de provincies, zijn nu bezig met het opstellen van contracten en afsprakenkaders hoe in deze situaties met de verschillende bevoegdheden omgegaan moet worden. Is bijvoorbeeld bij een overtreding het gemeentelijke handhavingsbeleid bepalend; of het provinciale beleid; of die van het Waterschap? Er zullen ook situaties zijn, waarbij de provincie het bevoegde gezag is. Er zullen waarschijnlijk geen provincies zijn die zelf de bouw- en sloopvergunning gaan verlenen. Dat betekent wel dat binnen de kortere termijnen, in plaats van 12 weken veelal 8 weken, de gemeente en eventueel ook het waterschap de deelfacetten van de aanvraag beoordeeld moeten hebben én advies moeten uitbrengen aan de provincie. Om alles binnen de termijnen uit te zetten en te coördineren overwegen veel gemeenten een zogenoemde 'vergunningsmanager' aan te stellen.

De gehele voorbereiding, het opstellen van werkprocessen, doorlopen van pilots, afstemming tussen de diverse overheden, aanpassing van gemeentelijke regelgeving, vergt een grote inspanning voor gemeenten. Zeker bij de wat kleinere gemeenten betekent de invoering van de WABO een grote aanslag op de personele capaciteit.

Inmiddels zijn er ook gemeenten die 'de bui al zien hangen'; dit traject trekken wij niet. In regio Midden-Holland zijn er bijvoorbeeld gemeenten die hun RO en milieutaken uitbesteden aan de regionale Milieudienst. Dergelijke ontwikkelingen zullen zich ongetwijfeld ook in andere delen van het land voordoen.

1.5 Deregulering

In het kader van de Omgevingsvergunning hebben inmiddels diverse gemeenten hun verordeningen laten doorlichten Diverse vergunningen en/of ontheffingen zijn komen te vervallen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan een bestaande wens tot deregulering. Het ministerie van Economische Zaken heeft voor gemeenten die willen werken aan deregulering een subsidie beschikbaar gesteld. In het kader van deregulering kan onderscheid worden gemaakt voor regelingen met betrekking tot burgers en het bedrijfsleven. Het is zeker zinvol om die regelingen te onderzoeken die straks vallen onder de Omgevingsvergunning. Wellicht kunnen overbodige regels worden geschrapt. Met dat onderzoek kan tevens onderzocht worden wat de grootste irritaties bij gemeenten en het bedrijfsleven zijn. Denk daarbij aan de bereikbaarheid (lange wachttijden? ), de .nformatievoorziening (helder voorlichtingsmateriaal, duidelijke omschrijving oroducten op gemeentelijke website) en de dienstverlening. Maar ook aan (eventueel) overbodige stukken/correspondentie die moet worden ingediend terwijl die niet betrokken worden bij de voorbereiding van de besluiten.

Gevaar' bij dit soort projecten is dat de verwachtingen te hoog gespannen kunnen zijn. Burgers vinden een bepaald voorschrift maar 'onzin', maar vanuit bescherming van de leefomgeving is het voortbestaan van bijvoorbeeld het kapvergunningstelsel wel wenselijk. Dergeliji< e voorbeelden bestaan er ook met betrekking tot regels voor het bedrijfsleven. Als gemeente kan je in een onge- Tiakkelijke positie terechtkomen wanneer je na uitgebreid onderzoek tot de conclusie komt dat het in deze specifieke gemeentelijke situatie wenselijk is om (vrijwel alle) vergunning- en ontheffingen gewoon intact te houden.

Overigens kan aan een onderzoek naar deregulering ook een onderzoek naar rechtmatigheid worden verbonden.Tenminste, voorzover gemeenten dit niet inmiddels hebben gedaan. De rechtmatigheid en actualiteit van gemeentelijke regels kan soms te wensen overlaten.

2.Wgv

2.1 Achtergrond en nieuwe wet

Al jaren zitten agrarische activiteiten en veel ruimtelijke plannen elkaar in de weg. Met de inwerkingtreding van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het de bedoeling dat in ieder geval voor een deel van de problemen een oplossing wordt geboden.

De Wgv vervangt diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot stankhinder Met stankhinder wordt bedoeld die'hinder' die het gevolg is van het houden van dieren op (intensieve) veehouderijbedrijven.

2.2 Doel Wgv

Geurhinder is een lokaal probleem. Het doel van de Wet geurhinder en veehouderij is het bieden van een wettelijk toetsingskader waarbij gemeenten zelf eigen beleid formuleren. Dit betekent dat kortere afstanden tussen burgerbebouwing en agrarische bebouwing mogelijk is. In theorie zou dit ook kunnen betekenen dat gemeenten het geurbeleid ten opzichte van de landelijke regelgeving juist aanscherpen.

2.3 Gemeentelijk geurbeleid

Het bieden van een duidelijk toetsingskader is het doel van deze wet. Daarbij kunnen gemeenten lokaal eigen beleid formuleren waarbij nader invulling wordt gegeven aan de wettelijke kaders uit de Wgv. In het voorjaar van 2007 is een Handreiking bij de Wgv verschenen. In deze Handreiking is aangegeven op welke manier van de Wet kan worden afgeweken.

Op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij kunnen gemeenten eigen beleid vastleggen in een vast te stellen gebiedsvisie. In een dergelijke gebiedsvisie kun je als gemeente beschrijven wat je met je grondgebied wilt. Concreet betekent dit dat meer ruimte kan worden geboden aan (duurzame) landbouw. Er is nadrukkelijk sprake van een relatie met de ruimtelijke ordening. Het is van belang dit integraal te benaderen omdat veel gemeenten in het Groene Hart vaak meer functies in hun landelijk gebied willen toestaan dan alleen een agrarische. Denk daarbij aan wonen (beperkt mogelijk) en andere functies zoals de invulling van percelen met een voormalig agrarische functie waarbij dan een iets zwaardere stanknorm acceptabel moet zijn. Afwijking van wettelijke normen uit de Wgv is mogelijk, maar moet wel (milieukundig) gemotiveerd worden.

Het staat gemeenten vrij om gebieden aan te wijzen met daarin verschillende normen voor verschillende deelgebieden. Deze mogelijkheid kan overigens betekenen dat er een lappendeken ontstaat. Dit is natuurlijk niet de bedoeling van de wet. Als gemeente kun je in je verordening bijvoorbeeld aansluiting zoeken bij grotere gebieden zoals een recreatiegebied, de bebouwde kom, etc.

2.4 Knelpunten

In het Groene Hart hebben nog maar weinig gemeenten een eigen geurbeleid vastgesteld. Dit komt mede doordat gemeenten, voordat zij beleid formuleren, hun grondgebied zullen moeten inventariseren.Waar zit welk agrarisch bedrijf en welke geurbelasting geeft deze? Deels is dat natuurlijk een 'papierenexercitie' (milieuvergunningen uit het archief nakijken).Voor een ander deel is dat'omrekenen' van de zogenoemde 'vasteafstanddieren' uit het verleden naar nieuwe afstandsnormen.

Kortom, voor gemeenten en gebieden die 'klem zitten' is er licht aan de horizon, maar voordat het zonnetje echt gaat schijnen moet er nog heel wat gebeuren!

mr. C.P.W. (Peter) van den Berg

Gemeenteraadslid in Waddinxveen namens de Protestantse Combinatie Waddinxveen (PCWj

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 2008

De Banier | 24 Pagina's

Actualiteiten Ruimtelijke Ordening 4

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 2008

De Banier | 24 Pagina's

PDF Bekijken