Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BRIEF OVER CHRISTUS TOT WIJSHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BRIEF OVER CHRISTUS TOT WIJSHEID

9 minuten leestijd

Geliefde Vriend!

De HEERE zij u een schild, uw loon zeer groot!

Ik gevoelde mij heden zeer opgewekt om u te schrijven, en dat niet over natuurlijke of aardsche dingen maar over geestelijke zaken, zooals de Heere die schenkt en werkt in de harten van Zijn uitverkoren gunst- en Bondvolk. De natuurlijke mensch is uit de aarde aardsch en bedenkt de dingen die des aardchen zijn; mochten wij nu, die naar het eeuwig welbehagen des Vaders, de inwoning des Heiligen Geestes ontvangen hebben, gedurig getuigen: “Dezen vermelden van wagens, en die van paarden, maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN onzes Gods.” Hoe heerlijk is Zijn Naam over de gansche aarde! O, dat alle de door God geschapen schepselen, inzonderheid engelen en menschen, dien grooten Naam prezen en verheerlijkten!

Ik denk ook om den heerlijken Naam van de Zone Gods “Jezus.” Sinds ik mijn naam “zondaar” recht leerde kennen, is mij dien Naam dierbaar geworden. Jezus en een schuldig verloren en heiwaardig zondaar passen te zaam en ontmoeten elkaar. Ik denk, om hetgeen eenmaal plaats had in het huis van Simon den Farizeër. Wat zal er wel in het hart van die onreine en schuldige zondares zijn omgegaan, toen zij door de trekkingen des Vaders tot Jezus kwam. Zou ze het geweten hebben, dat die Jezus blijde was haar te zien, en er Zijn Vader voor dankte dat Hij haar tot Hem had getrokken? Toen Hij hare ziel lieflijk omhelsde en al haar zonden wegnam, toen heeft ze het geweten en geloofd tot verwondering harer ziel.

Het verblijdt mij, dat die Jezus nog altijd Dezelfde is: “Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.” Ik moet van Zijn Naam, waarin ik een altijd-vloeiende fontein van liefde en zaligheid ontdek, getuigen:

“Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov’ Hem vroeg en spa;
De wereld hoor en volg’ mijn zangen
Met Amen, Amen, na.”

Ik mag het de Bruid uit het Hooglied nazeggen: “Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem.” Ik mag mij, door de genade Gods, met blijdschap der ziel insluiten in het “ons” van Paulus, bevattende de geheele geestelijke familie des Hemelschen, Vaders: “Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.” 1 Kor. 1:30. Ik mocht de laatste tijd nog al eens aangenaam en vertroostend over deze woorden mediteeren; en wil er u nu het een en ander van mededeelen, hoe de gegevene des Vaders, ook mij wijsheid van God is geworden. Ik weet, gij zult mij verstaan, daar gij toch ook tot die kinderen moogt behooren, die alle van den Heere geleerd zijn.

Geliefde Vriend! eenmaal was ik zeer wijs, ik had een heerlijke kennis, ik kende God, mijn Schepper, in Zijn volheerlijke Volmaaktheden. Zoo was Hij de verlustiging mijner ziel; ik was alles voor Hem. Dat was in den beginne des tijds; zoo heeft mijn heerlijke Schepper mij geschapen! Ik heb Hem echter verlaten, ik heb Zijn Geest, den Geest der kennis, der vreeze des Heeren en des verstands, smarten aangedaan, Hem uit mijn hart gedreven. Daardoor werd mijn hart vervuld met duisternis, met onkennis en onverstand. O, hoe dwaas, hoe blind! Geen menschen-verstand meer, zooals Agur beleed. In mijn dwaasheid en vijandschap tegen God, holde ik voort op het pad der hel: Dan eens wat uitwendig vroom en dan weer zeer goddeloos. Ik kende God niet en ik wilde Hem niet kennen; ik verwierp Hem en Zijne zaligheid! Hoe dwaas en onverstandig is een mensch van nature. Hij heeft den dood lief en haat het leven. Terecht zegt Christus: “Allen die Mij haten, hebben den dood lief.”

Nu werd ik wel onderwezen in de waarheden Gods, gewaarschuwd en vermaand de wegen der zonde te verlaten en te treden op den weg des veelvuldigen verstands, maar dit alles maakte mij niet wijs ter zaligheid, omdat Christus mij nog niet geworden was tot wijsheid van God Waarlijk! zoolang Hij onze wijsheid in het hart niet wordt, zal een zondaar op een uitwendige vrome of op een goddelooze wijze naar het verderf loopen. Werd dat eens meer beseft door het Christendom onzer dagen.

Christus is de heerlijkheid, de wijsheid Gods. Want al de volheid der Godheid woont lichamelijk in Hem, en zoo is Hij dan ook de Fontein der wijsheid en kennis. Heerlijke dingen vinden wij van Hem als de “Wijsheid” beschreven in Spreuken 8 en 9: “Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de verstandigheid hare stem? Tot u, mannen! roep Ik, en Mijne stem is tot de menschen-kinderen. Gij onverstandigen, verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten, verstaat met het hart. Hoort, want Ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn; want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtzaam uitspreken, en de goddeloosheid is Mijne lippen een gruwel; alle de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid, daar is niets verdraaids en verkeerds in,” enz.

Zoo kwam deze “Wijsheid”, als de Leeraar der Gerechtigheid tot mij, en Hij leerde als machthebbende. In de roeping uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht en in de geboorte die van Boven is, is Christus de “Wijsheid” Gods, mij reeds tot wijsheid geworden, hoewel ik Hem niet kende in bewustheid. Hij kwam tot mij onwaardige en leerde mij door Woord en Geest, en toen werd mijn dwaasheid waarlijk dwaasheid, maar werd de wijsheid en verstandigheid mij beminnelijk.

Deze mond der wijsheid en der waarheid leerde mij, dat ik in een kuil was zonder water met vele banden gebonden en in groot gevaar om in den kuil der hel voor eeuwig te verzinken. Hij onderwees mij, te roepen om verlossing en de wegen der zonde te verlaten en nu te treden op het smalle pad dat ten leven leidt. Hij leerde mij als een verloren en schuldig zoon tot den Vader weder te keeren, en dat met boete en berouw, enz. O, heerlijke en machtige wijsheid geopenbaard in het hart van een dwaas en onverstandig zondaar! Zoo wordt een zondaar al dadelijk wijs tot zaligheid; maar daar behoort meer bij.

Hoe dwaas en onkundig waren de discipelen van Christus nog, al waren ze aanvankelijk wijs geworden ter zaligheid! Hoeveel dwaasheid had ik ook nog. Ik wilde nu behouden of zalig worden, maar gansch anders dan dat God een zondaar zaligt tot de verheerlijking van een Drieeenig Verbonds-God. Ik ging zaligheid zoeken in tranen en gebeden, in zoete gestalten der ziel, in deugd en plicht. In één woord: ik ging mijn eigen zaligmaker worden. In dezen dwaas werd Christus weer gegeven tot wijsheid. Hij onderwees en leerde mij pijnlijke maar nuttige lessen. Ik meende reeds zoowat behouden te zijn in voornoemde dingen, en ik was verloren zonder Christus, want Hij is de zaligheid van een verloren onzalig zondaar, zooals de oude Simeon eenmaal beleed. Duidelijk werd mij door de wijsheid Gods: Dat mijn gerechtigheid een wegwerpelijk kleed was en dat alleen de gerechtigheid van Christus mij kon redden van den dood; dat ik zoete gestalten had, maar hoe noodzakelijk het is Christus in de gestalte te hebben opdat Hij verhoogd worde; dat niet mijn tranen de zonden konden wegwasschen, maar dat alleen het bloed van Christus Jezus Gods Zoon reinigt van alle zonden; dat het uit Egypte over Sinai naar Golgotha gaat; dat God alleen met mij voldaan kon zijn in het allesbetalende schuldoffer Zijns Zoons; dat ik alleen de zekerheid mijner zaligheid deelachtig kon worden door het geloof in Christus, enz.

Zoo werd ik door de wijsheid van Christus geleerd een wijs bouwmeester te zijn, die maar steeds verdiepte tot hij de steenrots had gevonden, om die te hebben als een vaste, onwrikbare en eeuwige grond van de zaligheid mijner ziel. Zoo kwam mijn ziel tot zekerheid, vrijheid en blijheid, zooals (D.V.) duidelijk zal blijken uit een volgenden brief. Mogen wij niet met de Bruid getuigen: “Zijn gehemelte is enkel zoetigheid.”

Hoe dwaas ging ik mij nu echter openbaren in den weg der heiligmaking. Zonder dat ik er erg in had, was ik gansch verkeerd werkzaam ter heiligmaking. Ik trachtte nu door mij zelf als een vrijgemaakt zondaar zeer heilig te gaan leven en ging de rechtvaardigmaking beschouwen als een bron der heiligmaking. Hoe dwaas en onkundig. Het kan zijn, mijn Vriend, dat gij het er wat beter afgebracht hebt. Toch hoop ik, dat die oogenblikken u niet vreemd zijn, dat gij met Asaf moest uitroepen: “Toen was ik onvernuftig en wist niets, ik was een groot beest bij U.”

Zoo verloor ik dan de vrijheid en blijheid mijner ziel, en kwam ik weer in dienstbaarheid. Maar geprezen zij Hij, Die mij toen ook weer tot wijsheid is geworden. Hij leerde mij, dat er uit mij niets goeds kon voortkomen, en dat de heiligmaking uit dezelfde bron vloeit alswaar de rechtvaardigmaking uit geschonken wordt, n.l. Christus Jezus, zooals ook duidelijk blijkt wanneer Paulus leert, dat niet alleen Christus van Gode geworden is tot wijsheid, maar ook tot rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing. Hoeveel licht gaf Hij mij in deze plaatsen der Schriftuur; “Zonder mij kunt gij niets doen”; en: “Uit u zij geen vrucht meer in der eeuwigheid”; en: “Uw vrucht is uit Mij gevonden”; en: “Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijker-wijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, alzoo ook gij niet, zoo gij in Mij niet blijft.” enz.

Nu is Christus, mij arme dwaas, nog steeds tot wijsheid, en moet ik gedurig aan Zijn voeten komen met de ootmoedige bede: Heere, leer mij! Ik mag met David getuigen: “In het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.” Hij moet gedurig met Zijn wijsheid invloeien, om mij van mijn dwaasheden te genezen en mij van mijn onkunde en blindheid te verlossen. Nu weet en vertrouw ik, hetwelk mij menigwerf tot troost is in dit tranendal hier beneden, dat Hij mij eenmaal van alle onkunde en dwaasheid zal verlossen, n.l. in het Immanuëlsland, waar al het onze voor eeuwig weg is en het Zijne in volmaaktheid geschonken. Daar, geliefde Vriend, zullen we kennen zooals wij gekend zijn, opdat Vader, Zoon en H. Geest, eeuwig door een gezaligd zondaar zal verheerlijkt worden.

Ik moet eindigen. Mijn brief is wat lang geworden.

Zij Hem bevolen, Die zoo Getrouw is als Sterk.

Uw heilbiddende br., X

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1936

The Banner of Truth | 6 Pagina's

BRIEF OVER CHRISTUS TOT WIJSHEID

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1936

The Banner of Truth | 6 Pagina's

PDF Bekijken