Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN BRIEF

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN BRIEF

6 minuten leestijd

April, 1938

Geliefde Vriend:

De Zon der Gerechtigheid bestrale u steeds met haar liefelijk licht!

Daar u begeerig waart, dat ik weer eenige letteren zou zenden, zoo wil ik aan uw verlangen voldoen. Hoe nuttig is het echter om nooit uit het oog te verliezen, dat we in alles afhankelijk zijn van de krachtige invloeden des Geestes. Ik moet bekennen, dat ik dit nog al eens vergeet. Dan wil ik een geestelijk werk verrichten en ontdek ik, dat het niet gaat: Ik sta zonder kracht, licht en wijsheid. Met verledene genade of hulp, gaat het niet. Simson wilde opstaan en de Filistijnen aanvallen, maar zijn kracht (de Heere) was geweken. Hoe krachteloos en onbekwaam was hij toen.

De Koning wil hebben dat we gedurig in geloovig opzien tot Hem komen, opdat Hij ons bediene. Hij wil uit Zijne verworvene volheid steeds bedienen, ook genade voor genade. Hij wil steeds hebben, dat we op de markt van vrije genade van Hem koopen zonder prijs en zonder geld (Jes. 55). Hij geeft alles om niet. ’s Heeren kinderen hebben een wonderlijken Koning en Weldoener. Geen vorst, ooit op aarde geleefd, was aan Hem gelijk. De dichter van Psalm 113 wist dat ook, als is dat vele eeuwen achteruit. Ik mag zoo gaarne met hem, ter eere van Dien Koning, aanheffen:

“Wie is aan onzen God gelijk,
Die armen opricht uit het slijk;
Nooddruftigen, van elk verstooten,
Goedgunstig opheft uit het stof,
En hen, verrijkt met eer en lof,
Naast prinsen plaatst en wereldgrooten?”

Nu zou iemand mogen denken, dat Die Koning ten laatste toch wel arm zal worden en niets meer overhouden. Zoo moet men echter maar niet denken, en heeft niemand zich daar bezorgd over te maken. Die Koning wordt nooit arm, maar blijft eeuwig onuitsprekelijk rijk. Die Koning is immers Jehova Zelf; Hij is de oneindige en onveranderlijke, van eeuwigheid tot eeuwigheid is Hij God. Hij heeft al zoovele eeuwen duizende arme zondaren bediend met tijdelijke en eeuwige goederen en rijkdommen, en Hij is nog even rijk.

Waarlijk Vriend! het zal mij nooit berouwen dat ik zulk een Koning, door de genade Gods, met mijn gansche hart mocht kiezen. Hoeveel beter heb ik het nu, dan toen ik satan, de vorst van het rijk der duisternis, diende. O, onuitsprekelijke goedheid Gods dat ik hem (een verleider, leugenaar en moordenaar) recht mocht kennen, maar ook Koning Jezus, op Hem verliefd worden en wij onvoorwaardelijk aan Hem en Zijnen dienst overgeven. Het is u immers ook zoo gegaan, en zal die keus u ooit berouwen? Ik hoop, dat gij mij daar eens iets over schrijven zult, en dat ge Zijne liefde meer zult vermelden dan den wijn. Jezus wijn is zoet en heerlijk voor de ziel.

Sinds ik een welbehagen mocht krijgen in de eere en heerlijkheid van Koning Jezus, heb ik mogen ervaren, dat de Koning ook een welbehagen in mijn eer en heerlijkheid heeft, ja, dat al van eeuwigheid had. Dit is weer iets dat ik niet begrijpen kan; ik moet het gedurig bewonderen. In Adam heb ik God verlaten, ik heb in hoogmoed Hem naar troon en kroon gestaan, ik heb Hem onteerd, Zijn Wet vertreden, Zijn heerlijk Verbond mij ten leven, verbroken, en o! wat heb ik veel kwaad in Zijn heilig oog gedaan de dagen mijns levens op aarde. Menigeen, die nog niet door de hemelsche Zon is beschenen is, wil niet weten dat hij een “kwaaddoener” is, maar ik moet met leedwezen getuigen dat ik een groote ben. De God der waarheid zegt het in Zijn Woord, en Hij heeft het mij bekend gemaakt, het mij pijnlijk doen gevoelen en leeren be-amen. Ik dank God door Christus Jezus, dat ik verwaardigd word niet te zijn als Ezau, van wien wij lezen dat hij geen plaats des berouws kon vinden hoewel hij ze met tranen zocht. Nog gedurig mag ik een plaatsje des berouws aan Jezus voeten vinden, waar ik met David mag roepen: “Zie mijn berouw, hoor hoe een boet’ling pleit, En reinig mij van al mijne vuile zonden.”

In deze woorden zie ik David in het geloof dicht bij de Fontein, geopend voor het huis van David en de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en de onreinheid, gelegerd. Daar is het ook goed voor u en mij. Daar wordt die zoete en verkwikkende Evangeliestem gehoord: “Vrede! vrede! door het bloed des kruises.”

Waarlijk, de Koning heeft een welbehagen in de eer Zijner onderdanen. Grooter eer en heerlijkheid zullen zij ontvangen, dan Mordechai de Jood van koning Ahasveros ontving. Hij zal ze kronen met eeuwige eer en heerlijkheid. Zij zullen Hem eenmaal gelijk zijn, en Hem zien gelijk Hij is. De wereld mag de onderdanen van Christus verachtten, bespotten en ombrengen als zijnde geen plaats op de aarde waardig; maar Hun Koning zal ze als Zijn erfgenamen eens in het bezit stellen van hemel en aarde, wanneer de goddeloozen niet meer zullen zijn. Hij zal ze ter bestemder tijd uit het land der verdrukking uithalen en Zijne leliën verzamelen in het hemelsche Paradijs. Daar zijn het geen leliën onder de doornen meer, en daar is alle leed geleden. Johannes mocht de troostrijke woorden hooren, en dat wij er ons met hem in mogen verblijden: “Dezen zijn het die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor den troon Gods en dienen Hem dag en nacht in Zijnen Tempel; en die op den troon zit, zal hen overschaduwen. Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte. Want het Lam dat in ’t midden des troons is, zal ze weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren, en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen.”

Heerlijke woorden voor alle treurende Sionieten! Wat zal eenmaal, als nooit tevoren, vervuld worden: “Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.”

Ik eindig voor dit maal. Ik had in het hart over den inwendigen strijd tusschen vleesch en geest te schrijven, maar het ging niet. Waarom niet? Misschien weet gij het wel. Toch heb ik begeerte om daar, zoo de Heere wil, een volgende keer wat over te schrijven.

Dat ge steeds met Jeremia kunt getuigen: “De HEERE is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op Hem hopen.” In dat deel hebt ge alles voor tijd en eeuwigheid. Gelukkige pelgrim!

Ik groet u. Uw broeder in den strijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1938

The Banner of Truth | 6 Pagina's

EEN BRIEF

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1938

The Banner of Truth | 6 Pagina's

PDF Bekijken