Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET HEILIG AVONDMAAL DES HEEREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET HEILIG AVONDMAAL DES HEEREN

9 minuten leestijd

(vervolg)

1 Cor. 11:23-26

HET Avondmaal is voor al Gods levendgemaakte volk en voor niemand anders. De natuurlijke mensch onderscheidt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, en alzoo ook niet het lichaam en bloed des Heeren als een geestelijke spijze en drank der ziel. Hoe kan dan iemand die geestelijk dood is, geestelijk voedsel noodig hebben. Er is niemand die van nature naar God vraagt, noch naar Zijn gemeenschap zoekt. Wij willen ons vleesch uitleven, zijn dood voor den dood, en kennen noch begeeren het leven niet. De eeuwige zaligheid die bereid is voor al Gods volk en die ook zichtbaar in het Avondmaal wordt gepredikt, bestaat toch in den Drie-eenigen God te verheerlijken en te genieten, in volmaakte vrede en blijdschap in God. Het is eeuwig onmogelijk, dat eenig Adamskind zich ooit over deze zaak gaat bekommeren. Hij beseft niet dat hij God kwijt is door de zonde, en dat dit zijn rampzaligheid inhoudt. In de wedergeboorte, als God Zichzelven gaat verheerlijken in Christus in de ziel, gaat de zondaar zich dat bewust worden. Dan is de liefde Gods uitgestort in het hart en gaat zulk mensch weer zoeken, en hongert en dorst naar den Heere en Zijn gerechtigheid. Hij begint zijn naaktheid en ontbloot te zijn van alle gerechtigheid gewaar te worden, bevindt zich enkel zonde en ongerechtigheid en billijkt God volkomen in zijn eeuwige verwerping. Hij heeft een heilig en rechtvaardig God leeren kennen Die hij lieft, maar heeft een walging van zich zelf gekregen. O Geliefden! de levende alleen verlangt naar het leven, en alzoo naar de gemeenschap met God en het levende volk. Jezus Christus, ons in het Avondmaal voorgesteld, is het leven van al de uitverkorenen, daar Hij in Zijn volmaakte offerande hunne voldoening en vrede is. Gemeenschap met Hem is gemeenschap met den Vader, door den H. Geest. Vandaar zal een ziel, die het leven deelachtig wordt, het in zich zelf gaan missen, want het is een genadegift Gods door Jezus Christus. “Ik leef en gij zult leven,” zegt de Heere. Als nu een ziel door de trekking ds Vaders tot Christus komt (Joh. 6:44), dan vindt zij het leven en ook haar leven, dewijl in Christus alle beloften Gods voor tijd en eeuwigheid ja en amen zijn, Gode tot heerlijkheid. Zulk een kan ook zonder Hem niets meer doen, maar moet uit Hem leven gelijk hij door Hem leeft.

Deze zijn de waardige en Gode-welbehagelijke dischgenooten. Deze kunnen aldaar versterkt worden in het geloof. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar.

Deze versterking des geloofs bestaat niet in meerdere krachten in onszelven, of met ontvangene genade des geloofs beter te kunnen doorwerken. Neen, juist het tegengestelde. Als wij versterkt worden in het geloof, zullen wij dieper onzen verloren staat buiten Christus leeren kennen en ons alzoo in der waarheid voor God verfoeien vanwege onze dwaasheid en vermeende eigengerechtigheid; doch onze zaligheid buiten onszelven in Christus meer leeren kennen en gaan zoeken, en alles uit Hem moeten ontvangen door den H. Geest. O, dan kunnen wij geen zucht zuchten, zelfs geen goede gedachte denken, doch vermogen alle dingen door Christus die ons kracht geeft. Hier leert men iets verstaan en uit te leven van de waarheid, zooals ze in Jezus is: Niets hebbende en toch alles bezittende in Hem, naar het welbehagen des Vaders.

Zullen wij ten Avondmaal gaan om den Heere te dienen dan vergissen wij ons zeer, dewijl Hij in het midden van ons is als eene die dient.

Nu kunnen er vele dingen zijn die in den weg staan en de vrijmoedigheid benemen. Het naderen tot den Disch gaat menigmaal door vele beproevingen. Duivel, wereld en het vleesch spannen samen in zulke tijden, en in ons is geen kracht tegen deze groote menigte. Ook zegt de een: Ik ben niet diep genoeg overtuigt van zonde; een ander denkt weer te behoefteloos en te biddeloos te zijn, en durft maar niet aan te nemen dat hij er een geestelijk recht op heeft. Stelt echter eens, dat wij konden besluiten, in alles de maat te hebben, zouden wij dan de rechte voorwerpen zijn? O neen! dan gingen wij met koopgeld in onze hand, en zouden op de markt van vrije genade niet terecht kunnen. Soms staan ook andere menschen ons in den weg. Vergeet echter niet, dat wij onszelf altijd in den weg staan, door onze onverloochendheid aan onszelven. Wij zijn nooit te slecht of te arm, maar meestal veel te rijk en te goed. Nooit te ellendig of te zondig, als het ons maar van harte leed is en de zonde ons de dood is geworden, alsook dat onze ziel uitgaat naar den Heere. Hij is niet gekomen voor rechtvaardigen, maar voor zondaren ter bekeering.

Nu zou ons toegevoegd kunnen worden: Ja, maar als wij nog moeten besluiten dat wij onbekeerd zijn, zoo mogen wij toch niet ten Avondmaal gaan? Dan zouden wij ons toch een oordeel eten en drinken? Wij antwoorden: U zegt waarheid. Het is enkel voor de levenden, die een nieuw schepsel geworden zijn in Christus Jezus, en als vrucht daaruit de bekeering gaan beleven in een hartelijk leedwezen over hunne zonden, en ook een hartelijke vreugde hebben in God en Christus en Zijnen zaligen dienst.

Maar geliefden! is dat niet iets vreeselijks om zoo maar koud weg te zeggen: Ik ben onbekeerd? En dan maar tamelijk gerust, ja, nog wel in een zekere waan van oprechtheid, van het Avondmaal weg te blijven. Denken wij er wel eens om dat er voor een onbekeerd mensch geen plaats is op aarde, en ook niet in Gods Kerk hier beneden? Dan zijn wij nog in onze zonden en liggen onder Gods toorn. Dan is het enkel Gods goedertierenheid en Zijne dekkende hand over ons in het aangezicht van Jezus Christus, en om der uitverkorenen wil, dat wij nog zijn wat wij zijn. O, wij zouden niet moeten durven leven, buiten de gemeenschap met Christus. Buiten Hem is geen leven, maar de toorn Gods blijft op hem. Joh. 3:36.

Men zou nog kunnen tegenwerpen: Men kan toch maar niet zoo lichtvaardig ten Avondmaal gaan, n.l. op doop, belijdenis en uitwendige plichtbetrachting?

Wij hebben reeds aangetoond, dat door deze list des satans tienduizenden verslagen zijn, die met een ingebeeiden hemel in het eeuwig verderf voeren. Maar zult gij zeggen: Hoe dan toch? Nu wordt alles uitgesloten; nu wordt het onmogelijk. O ja! de Heere leidt Zijn volk in een weg van onmogelijkheid. Het is toch een gelukkige weg. Mocht het daar maar eens meer komen. Te moeten en niet te kunnen. Van uit de onmogelijkheid, zal het in nood, tot den Heere moeten uitdrijven. Geen oog heeft het gezien en geen oor gehoord wat God doen zal, hen die alzoo op Hem wachten en tot Hem roepen. Dan kan de Heere zulk een verrassend en wonderdoend God zijn in Christus Jezus. Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen. Wat viel het Esther mee, toen ze tot den koning ging, met: Kom ik om dan kom ik om. De wet liet het haar niet toe en zij was de laatste dertig dagen niet geroepen, doch het ging om haar leven. Nadat zij drie dagen met haar volk voor den Heere had geworsteld, ging zij tot den koning in en ontving een blijde verrassing. Ook de Kananeesche vrouw moest toestemmen dat zij niet van het volk was, doch slechts een hondeke (Mefiboseth bekende zelfs een doode hond te zijn), doch den Heere achteraan klagende, verkreeg zij alles.

O geliefden! wij kunnen niet tot het Avondmaal komen op grond van eenige deugd, goede gestalte, of met een rijke ervaring of onze geloofsverzekering, maar enkel door het geloof, als eene die alles heeft verzondigd onder alle de weldaden hem geschonken; als een verloren zoon of dochter, die des Heeren goed heeft doorgebracht en die schuilt onder de vleugelen des Genade-verbonds en van Dien heerlijken Verbondsmiddelaar Jezus Christus. Ja, in Hem ons verliezende, Die van den Vader geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Dan wordt het hemelwerk op aarde, en is de hemel in de ziel. Dan is ze genezen, behouden en in vrede. Dan mogen wij Avondmaal houden met den Heere, en Hij doet het met ons.

O, mochten wij nog eens aan het onderzoeken en doorzoeken geraken van onze wegen, en tot eene zoo hoogst noodzakelijke zelfbeproeving komen. Wij mochten nog eens tot kennis komen van de groote breuke daar wij zoo onopmerkzaam in nederliggen in deze dagen van groote duisternis en onkunde, zoo van de bevindelijke waarheden Gods, alsook van de Sacramenten. Wij zouden nog eens weer over mogen blijven als een ellendig en arm volk aan de voeten des Heeren. Wij mochten nog eens tot de ontdekking komen dat wij staan in het teeken van de Laodiceesche gemeente, zooals voorgesteld in Openb. 3. Zoo rijk en verrijkt, behoefteloos, en niet wetende, dat wij jammerlijk, ellendig, blind en naakt zijn.

BANIER DER WAARHEID

REDACTIE, HOLLANDSCH:

Ds. J. Van Zweden

131 Park Place

Passaic, N. J.

REDACTIE, ENGELSCH:

Mr. A. Breeman

245 Brown Avenue

Paterson, N. J.

ADMINISTRATIE:

Mr. H. Drost

208 East 7th Street

Clifton, N. J.

Er wordt ons wel eens toegevoegd: ’t Is altijd maar ellende, en nog eens ellende prediking. Doch wij zijn er ten volle van overtuigd, dat wij onzen ellende-staat niet genoegzaam kennen. Dit is een groot gebrek in deze dagen, zoo in de gemeenten als ook in ons eigen hart. Daarom ook zoo weinig geestelijke en bevindelijke kennis omtrent de noodzakelijkheid, dierbaarheid en gepastheid van den Zaligmaker. Schenke de Heere nog eens bij aan of voortgang het ontdekkend licht der genade, om bekend te worden met onze schadelijke wegen, welke alle hellen naar dood en hel. Hij leidde ons op den door Hem Zelf verordineerden en welbehagelijken weg, om als een gansch uitgeteerde den Heere te leeren kennen en vervolgen te kennen. Zijn vleesch te eten en Zijn bloed te drinken, door het geloof. Zijn vleesch is waarlijk spijs en Zijn bloed is waarlijk drank.

O volk des Heeren! Het verlangen worde opgewekt. De liefde van Christus dringe, om volkomen verlost en ontbonden te worden en met Christus te zijn. Boven zal het eeuwig aanzitten zijn aan die ronde tafel van de Bruiloft des Lams. Dan zullen alle verlosten hunnen Verlosser eeuwig groot maken. Daar zal geen zonde noch ongeloof meer scheiden. Ook geen satan noch eenige verzoeking meer zijn. Neen! Daar zullen zij altijd met den Heere zijn. Zoo dan vertroost elkander met deze woorden. Dat zij zoo!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1939

The Banner of Truth | 12 Pagina's

HET HEILIG AVONDMAAL DES HEEREN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1939

The Banner of Truth | 12 Pagina's

PDF Bekijken