Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE ONTROERDE WERELD EN DE VEILIGE KERK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE ONTROERDE WERELD EN DE VEILIGE KERK

10 minuten leestijd

Ps. 46:1: “God is ons eene Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden eene Hulp in benauwdheden.”

Geachte lezers:

Bij de intrede van het jaar 1940, wensehen wij u allen des Heeren onmisbaren zegen toe. Hij zij u een gebed-gevend, hoorend en verhoorend God in Christus Jezus.

Wij weten niet wat dit jaar ons in den schoot verborgen houdt, maar dit weten wij, dat het hem zal welgaan die God vreest.

Hartelijk dank voor de vele blijken van liefde en belangstelling door brieven en kaarten.

Op deze wijze moeten wij die beantwoorden.
Ds. J. Van Zweden en familie.

DE auteur van dezen psalm is ons onbekend. Gissingen zijn er wel gemaakt wie de opsteller zoude geweest zijn, doch zeker-heid is er niet.

De psalm is verdeeld in drie hoofdstukken: Van vers 1–4 wordt door de dichter in heilige geestdrift bezongen dat God is de toevlucht en sterkte van zijn volk, en dat God’s volk, het Israël Gods niets te vreezen heeft al veranderde de aarde hare plaats, al worden de bergen verzet, al bruisen de wateren der zeeën en daveren de bergen door het geweld der baren. In vers 5–8 wordt in ootmoedige geloofstaal vernomen dat Gods Kerk, de Stad Gods, het heiligdom is des Allerhoogsten, en hare woningen worden verblijd door de altijdvloeiende rivier van vertroostingen, dat de God Israëls in haar midden is, dat zij niet zal wankelen en God haar zal helpen. De Heidenen mochten zooveel razen als zij wilden, daar is voor Gods Kerk geen reden voor vrees, omdat de Heere der heirscharen veel machtiger is, welke door zijn stem slechts te laten hooren, de geheele aarde deed smelten. Die machtige God Jacobs is met zijn volk en voor haar een hoog vertrek, onbereikbaar voor hunne vijanden. In vers 9–12 wekt de dichter de geloovige Israëlieten op om de daden Gods op te merken. Bij aandachtig de Godsregeering na te gaan zal blijken dat God door zijne oordeelen verwoestingen op de aarde aanricht, dat hij alleen machtig is om de oorloger over de geheele aarde te doen ophouden en de oorlog materialen te vernietigen.

Door onnoodige vrees moet Gods volk zich niet laten vervoeren, om reden God, alleen God is, en Hij op zijn tijd verhoogd zal worden onder de Heidenen en de God van Jacob met hen en hun Beschermer en veiligheid is.

De geheele inhoud van dezen psalm en de omstandigheden daarin vermeld doen ons vermoeden dat deze psalm is gedicht ten tijde van de belegering van Jeruzalem door Sanherib de Koning van Assyrië. 710 B.C. (Lees 2 Kon. 19 en Jesaja 36.)

Hiskia was in dien tijd Koning over Juda. De vrome koning, die den hoon en lastertaal van Rabsakè tegen Israël’s God en Juda’s koning had gehoord en de dreig-brieven om de stad over te geven voor den Heere, in den tempel had neergelegd, kwam zeer in de engte. Het was voor den koning en zijn Raadslieden, de oudsten en de priesters een dag der benauwdheid, schelding en lastering, en daar was geen kracht bij koning en volk om den indringenden vijand met zijn machtig leger, te weerstaan . De godvreezende koning scheurde, naar de gewoonte van dien tijd, zijne kleederen en bedekte zich met eenen zak als teekenen van rouw en verootmoediging en ging toen in dat rouwgewaad en die gestalte naar het huis des Heeren.

Dit mocht voor ons allen, maar vooral in. de landen waar weer den oorlog is uitgebroken, een leering en ten voorbeeld zijn. Wat zijn het schrikkelijke oordeelen, als de Vorsten, Dictators, Gouvernementen, de Raadslieden en de volken met blindheid en verharding zijn geslagen, God niet noodig hebben en zich beroepen op hunne natuurlijke oorlogswapenen, forten en geoefende legers, onder leiding van gedecoreerde hoofd-officieren.

Arme wereld, die de menschelijke rede, wijsheid, kracht en moderne bewapening tot hun God hebben gemaakt en zich veilig achten voor de aanvallende vijanden in hunne zoogenaamde forten en schuilkelders. Hoe nuttig en noodzakelijk de krijgs-toerustingen, de afweer-middelen en beschermplaatsen ook mogen zijn in tijd vat oorlog, toch is er meer noodig om den opmarch van den vijand te wederstaan, te verslaan en volstrekt veilig te wezen voor de oorlog-monsters, die in een oogenblik tijds, gedeelten van dorpen en steden tot een puinhoop maken en zoovele duizende menschen dooden of verwonden.

Het is voor de wereld en de grootmachten van dezen tijd een geheim, dat er nog een betere bewapening en beveiliging is.

Dat heeft de koning Hiskia door genade en bij bevinding in de hachelijkste oogenblikken ondervonden. De koning zond een deputatie naar den profeet Jesaja om tot den Heere te bidden voor het overblijfsel dat gevonden werd. De getrouwe profeet, raadsman des konings en wachter op Sions muren, kreeg de boodschap van den Heere en gaf die over aan de deputatie des konings om hem te zeggen: “Zoo zegt de Heere, vreest niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede de dienaars van den koning van Assyrië gelasterd hebben. Zie Ik zal eenen geest in hem geven dat hij een gerucht hooren zal en weder in zijn land keeren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.” 2 Kon. 19:6 en 7.

Door den nood gedreven en de macht en lasteringen van Assyrië’s koning bedreigd, vluchtte Hiskia naar God en bracht zijn zaak voor den Heere, gesteund door de gebeden van Jesaja en andere ontbloote bidders des volks. Weder kreeg Jesaja de boodschap om den koning te troosten, dat de Heere de richtzaak van koning en volk had overgenomen, en de koning van Assyrië in Jerusalem niet zoude komen noch daar een pijl inschieten noch de stad insluiten, want dat de Heere de stad zoude beschermen om die te verlossen.

“Het geschiede dan in dienzelven nacht, dat de engel des Heeren uitvoer en sloeg in het leger van Assyrië 185 duizend.” 2 Kon. 19:35. De Heere had het gebed zijns volks gehoord, niet de verdedigings-werken die Hiskia had laten maken, noch de groote som geld die hij Sanherib had betaald, vgl. 2 Kon. 18:14, brachten heil, neen de Heere sneed ook hier alle eigen middelen af, en op het ootmoedig, door Hem gegeven gebed, verloste God zijn volk en versloeg hunne vijanden.

Was het wonder dat deze heugelijke gebeurtenis voor koning en volk zoo groot was dat dit aan de vergetelijkheid werd ontrukt, en de kinderen van Korach, die zangers waren, werd opgedragen het heilslied, Ps. 46 te dichten en te zingen? Daarin toch is de grondtoon: “God is onze Toevlucht en Sterkte.” Daarin kreeg God de eer. Daarin werd zoo hartelijk beleden dat Hij krachtiglijk bevonden is eene hulpe in benauwdheden.

De vijanden mogen sterk zijn en in den waan verkeeren dat zij den slag zullen winnen en Gods volk vernietigen. Dat volk mag soms in zulke toestanden komen en de gevaren zoo groot worden, dat het hart bijna versmelt en ontzettende ziels-benauwdheden doorleefd worden. In die toestanden leeren Gods kinderen het meest hun zelven kennen, hunn diepe afhankelijkheid van den Heere en hoe weinig geloof zij kunnen oefenen. Ja, geliefde vrienden, als al onze eigen gemaakte sterkten en toevluchten door de vijanden worden weggeslagen, want daar gebruikt de Heere de vijanden soms voor, en dat volk hulpeloos, als een schuldig onwaardig volk nergens meer uitkomst of redding ziet en elk oogenblik denkt om te komen, komt de Heere krachtig tusschenbeide. Dan zegt God tot den vijand: “Tot hiertoe en niet verder.”

Van nature hebben alle menschen hunne wapens als sterkten die zij gebruiken tegen God en de kennis van Zijn woord. Doch als de Heere zijn volk te sterk wordt moeten zij de wapens nederleggen. Dan leeren zij dat zij een andere wapen-rusting noodig hebben.

Bedriegelijk is het hart des menschen, dat. leert elke recruut van de strijdende Kerk. Die heeft zijn geestelijke schuilkelders van levensverbetering, goede werken, en krachtdadige bekeering. Vooral de schuilgangen van tranen en gemoeds-aandoening liggen diep en zijn gevaarlijk. Doch de Heere kent al die schuilhoeken en ontdekt zijn volk daaraan, zoodat zij alle toevluchten en steunsels verliezen en zij hun zaak in des Heeren hand mogen overgeven.

Wat is dat volk van God toch een bevoorrecht volk. De Heere is in het midden van haar en als zij dat bij bevinding leeren en bij het onderscheidend licht des Geestes zien mogen, is alle vrees geweken en vloeien de beekjes van de rivier der vertroosting tot hunne groote blijdschap door de stad Gods. Ja, dat is hier tot troost geschreven voor de geheele Kerk van God.

Dit is ook voor ons in deze donkere tijd tot leering geschreven, want het is niet alleen de wereld en de oorlog-voerende natiën die vestingen bouwen en hunne toevlucht-plaatsen maken, en met wapen-geweld zichzelven zoeken te verlossen. Het land en de Kerk is vol in onze dagen van menschen, oud en jong, hooge en lagere stand, geleerd en ongeleerd, die rein in hun eigen oogen zijn en van hunnen drek niet zijn gewasschen, eigengerechtigden, die in den vrijen wil gelooven of door zeden verbetering zichzelf verbeelden zich te kunnen helpen. Die zitten altijd in hun schuilhoek. Die weten er niets van wat het beteekent als Ziklag in brand staat en hunne gewaande beste vrienden hen zouden willen steenigen.

Met het oog op de algemeene toestanden van dat deel der wereld dat in oorlog is of met bange vrees is bezielt en ook voor dit land, al beschouwen wij ons neutraal te zijn, dachten wij eenige gedachten te schrijven, en er op te wijzen dat er zonder God geen veiligheid is en wij de ware toevlucht missen. Mochten nu de oordeelen Gods, die bijna op de geheele wereld zijn, de inwoners, onder onderscheid, gerechtigheid leeren. Dat zoude den toorn Gods kunnen afwenden en een tijdelijke vrede kunnen teweeg brengen en de welvaart onder de volken kunnen bevorderen. Het is wel opmerkelijk dat in weerwil van zoo vele veiligheids-middelen, vrede-conferenties, en bemiddelaars die zich aanbieden, alles faalt, het bruisen der wateren aanhoud en het rumoer der volken grooter wordt.

Het is onze wensch en bede voor Gods Kerk bij deze gelegenheid dat de Banier dit jaar voor het eerst verschijnt den lezers te wijzen op en den wensch toe te zenden, die Toevlucht en Sterkte te zoeken of te mogen vinden dit jaar. Daar is veiligheid en troost. Voor Gods volk die dit leest mocht het tot troost zijn dat die veiligheid voor hun gewaarborgd is. Overbezorgdheid behoeft en moest er eigenlijk niet zijn bij Gods volk, doch daar er soms nog zooveel vrees is, door ons ver-af-leven, afwijken en wereldgezindheid, missen wij het genot, de rust, en vrede van de Toevlucht.

Deze psalm is vaak genoemd het lied der Reformatie of het Luthers-lied. De groote held des geloofs zong deze psalm dikwijls in de donkere tijden van zijn leven, bij den tegenstand in het werk der reformatie. De Toevlucht en Sterkte is er altijd voor de Kerk, in licht en duisternis.

Geliefde lezers der Banier, moge de Heere, de God Jacobs, ook voor U dit jaar een Toevlucht, Sterkte, en Hulpe zijn of worden, dan zijt gij veilig op de reis door dit Mesech naar het hemelsche Jeruzalem, welker poorten dag en nacht openstaan.

Grand Rapids, Mich.

Dec. 27, 1939.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1940

The Banner of Truth | 10 Pagina's

DE ONTROERDE WERELD EN DE VEILIGE KERK

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1940

The Banner of Truth | 10 Pagina's

PDF Bekijken