Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN BRIEF

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN BRIEF

4 minuten leestijd

Goes, 10 Mei, 1934

Geliefde Broeder en Zuster!

Door des Heeren ontfermende goedheid, mocht ik uwe letteren in goeden welstand ontvangen. Het was mij weer tot blijdschap een briefje van u te ontvangen en mochten we bij vernieuwing gevoelen, dat de band der liefde verlevendigd werd. Al scheidt de oceaan ons lichamelijk van elkander, voor de liefde zijn er geen afstanden; die dringt door lucht en wolken heen tot onzen lieven Koning, Goël, Borg en Middelaar.

Hedenmorgen las ik nog uit Beukelman over de hemelvaart van Christus. Hoe Zijne jongeren Hem nastaarden en hoe een wolk hen belette om Hem meer te kunnen zien; hoe ze toen van de Engelen werden toegesproken die hen zeiden, dat hun lieve Jezus wederkomen zou. En o! er zijn nog gedurig onderscheidene wolken die het gezicht van Zijne kinderen op Hem benemen, dat hun vaak doet hijgen en zuchten: Wanneer komt dien dag, om dan nooit meer gescheiden te zijn van Hem Die onze ziel lief heeft. Ik mocht de laatste dagen zoo zuchten: Heere, zult Gij dan nooit meer eens aan mij gedenken en overkomen? Al nam ik tot de belofdten de toevlucht, de Heere bleef zwijgen. En nu zult ge het mij moeten toestemmen, dat, hoe meer ge uzelven in uwe walgelijkheid, mismaaktheid en misvormdheid, voor het aangezicht des Heeren kunt neerleggen, hoe ruimer het wordt van binnen; want dan is er plaats voor de beloften van een belovend Verbonds-God, Die zegt: “Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft.”

In het middaguur mocht ik daar nog iets van ondervinden, daar ik een geliefde Vriendin, welke ook in het begin van het Bergpad woont, een poosje mocht ontmoeten. Samen mochten we in zoete gemeenschap verkeeren, sprekende naar aanleiding van de woorden: “Ik ben de wijnstok en gij de ranken,” waarover ik las uit Boston’s Viervoudigen Staat, waarin hij zakelijk aantoont, hoe de Heere tot twaalf slagen moet toedienen, eer de zondaar het opgeeft en alsdan buiten hope komt, de Heere hem afsnijdt en in den wijnstok overplant. Al te samen gronden, waar een ieder aan kan zien hoe ver hij volgen kan. En zoo sprekende over hetgeen de Heere in Zijne opzoekende liefde aan ons bewezen had, kwam de Heere in waarheid nog eens weer van den hemel afdalen met Zijne zoete gemeenschap in onze harten. Het was Hemelvaartsdag. Zaten we tevoren, klagende over de hardigheid des harten en het veraf zijn van den Heere; toen we scheiden, smolten we in liefdetranen weg daar de Heere nog eens weer aan ons wilde gedenken en bij vernieuwing Zijne belofte bevestigen: “Ik zal u niet begeven noch verlaten.” O, mijn geliefde Zuster! wat is de wereld toch arm, die niets dan de wereld begeert. En zoo moet het ook steeds geleerd worden, dat wij voorkomende, bijblijvende en achtervolgende genade van noode hebben. De Heere wil niets van onzen hoogmoed en eigengerechtigheid hebben. Dwaas die ik ben, om Hem daar gedurig mede tegen te komen; want dat wij vleeschelijk verkocht zijn onder de zonde, is een les die wij dagelijks te leeren hebben, en dat we alleen behouden kunnen worden in de toegerekende gerechtigheid van Hem Die dood is geweest en weder levend geworden.

En hebt u nu de plaats mogen verlaten, waar de Heere zooveel bemoeienissen met u beliefde te maken; al ging het ook menigmaal door de diepte, de Heere liet het u aan geen onderwijs ontbreken. O, wat lieve en goede lessen hebt u daar mogen leeren, die ge in wegen van voorspoed niet zoudt geweten hebben. Hadt u avonden van geween, er waren ook morgens van gejuich. Moest u met zeker dichter wel eens zeggen:

Och! kon ik nog eens hartelijk klagen,
En mijn nood tot Jezus dragen,
Dat zou verlichten mijne pijn;

op Zijn tijd, en dat is toch de beste tijd, kwam Hij u weer voeder toe te reiken. Petrus zeide: “Heere, gaat uit van mij, want ik ben een zondig mensch;” gelukkig echter voor Hem dat de Heere wilde blijven. De Heere zij u nabij en doe u met Petrus ervaren, dat Hij bij u blijven wil om Zijns Verbonds wil.

Allen hartelijk gegroet. Groet de vrienden met name.

Uw liefhebbende Broeder,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1943

The Banner of Truth | 16 Pagina's

EEN BRIEF

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 1943

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken