Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN BRIEF

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN BRIEF

5 minuten leestijd

Zeer Geliefde Zuster en Broeder!

Goes, 3 Nov., 1934

Uw brief van 15 September mocht ons, door ’s Heeren ongehoudene goedheid, in redelijken welstand geworden. Verblijd waren we, dat u mede ’s Heeren hand nog over u uitgestrekt moogt zien ten goede, onder alle de oordeelen die ook bij ulieden zoo kennelijk zichtbaar zijn. Ook bij ons schijnt het, dat de Heere nog een overvloed van zegeningen wil schenken, om te zien hoe wij er mede zullen handelen. Het was een droge zomer, zoodat het in Zeeland maar schraal voor het vee was; maar de tarwe-oogst is zoo overvloedig als dat ze ooit geweest is; van 25 to 30 mud per gemet wordt er gedorschen. Doch men is met den overvloed verlegen, want de boeren mogen pas leveren als de rgeering het hun aanzegt. Waar het alles van de regeering verwacht wordt, doet de Heere het gevoelen wat het is op een gebroken rietstaf te leunen.

Het Blad (B. der Waarheid), ontving ik van onze zoon Jan, en zag met genoegen het protest de regeering toegezonden. De rechtvaardige is echter een spot en een verachtte fakkel, in de oogen van de menigte die gerust is. De Heere is evenwel geen ledig toeschouwer, en zegt: “Wee hunner, als Ik van hen zal geweken zijn.”

Hoewel ik mij dor en doodig gevoelde om iets aan u te schrijven, zoo werd ik bij het overlezen van uw brief toch gaande gemaakt uit betrekking tot ulieden; want wel scheidt de groote Oceaan ons, maar er gaan niet veel dagen of nachten voorbij, of ik ben bij ulieden of in gesprek. En wat heeft de Heere al niet in ons moeten verdragen, sinds dien dag dat ik bij u kwam en de Koning in de stad was gekomen. Asaf begon toch ook te roemen, toen hij de oude jaren eens overdenken mocht, en zeide:

’k Zal gedenken, hoe voor dezen
Ons d’ HEER heeft gunst bewezen;
’k Zal de wond’ren gadeslaan,
Die Gij hebt van ouds gedaan; enz.

En o, mijn geliefde Zuster! zou het ons ook niet betamen om den Heere te roemen en te prijzen, als we eens terug mogen zien naar dat eerste oogenblik, dat de Heere Zijn hand van genade tot ons kwam uit te strekken en dat in het voorbijgaan van zoovelen, daar wij het toch ook diep verzondigd hadden? Er was geen oog dat medelijden met ons had; ook wij met onszelven niet. De Heere echter ontfermde Zich over ons, kwam ons uit de vuile modder der zonde op te rapen; en gaf ons een naam en plaats beter dan der zonen en der dochteren. Gekocht en verlost door het dierbare bloed des verbonds; Christus voor ons gestorven toen we nog zondaars waren. Wie der stervelingen is in staat om dit wonder uit te drukken, als de woorden eens zaken zijn.

Maar dan wordt het ook gekend de woestijn te moeten ingaan, om van giften te gaan leven, dat er na al de ontvangene genade in onszelven niets overblijft dan zonde; en zooals ik aan Mej. Rottier te Grand Rapids, van wie ik onlangs weer een briefje kreeg, schreef: Eerst is het draven, dan is het gaan, later wordt het kruipen, en ten laatste dan nog te leeren naar den hemel gesleept en gedragen te moeten worden. Dat is een taal, die niet door velen verstaan wordt, doch de Heere leert het al Zijn in zichzelf arme volk; want het loopt toch zoo laag af, dat er geen scherf overblijft om asch uit den haard of water uit de gracht mede te scheppen. Maar o! hoe heerlijk en troostrijk, om dan de zwakke en bevende hand des geloofs te mogen leggen op Hem, Die als Borg en Middelaar, als Pleitbeslechter bij den Vader, als Voorbidder voor Zijn volk werkzaam is. Om dan eens geloovig te mogen verstaan, wat wij door Christus zijn, n.l. vrijgekochten door het bloed des Verbonds; wat wij in Christus zijn, n.l. een nieuw schepsel; om straks na den dood te mogen aanschouwen en ondervinden, wat wij met Christus zullen zijn.

Doch ik leer, dat ik niets vasthouden kan, en dat ik het al kwijt ben, eer ik er over denk. En als de Heere dan zegt: “Dit heb Ik tegen u, dat gij uwe eerste liefde verlaten hebt,” ben ik er al aan. En nu gaat het niet over de schuld der zonde, maar over de smet der zonde en een vijandig hart.

Wil uw Leeraar en ook Jan, met allen die met Boaz gehuwd- of op Zijn akker zijn, van mij hartelijk groeten. Zijt te zamen mede gegroet.

Uw aandenkende Broeder,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 maart 1943

The Banner of Truth | 16 Pagina's

EEN BRIEF

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 maart 1943

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken