Bekijk het origineel

ISRAELS LUST IN DE WOESTIJN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

ISRAELS LUST IN DE WOESTIJN

13 minuten leestijd

Numeri 11:6: “Maar nu is onze ziel dor, daar is nietmetal behalve dit Man voor onze oogen.”

ER is maar een grondige klacht die den Heere welbehagelijk is. Ze is vrucht van de overtuigingen des H. Geestes in het hart van den zondaar. Jeremia spreekt er van in zijne Klaagliederen: “Wat klaagt dan een levend mensch? Een iegelijk klage vanwege zijne zonde.” De Profeet had er kennis aan. Dit deed hem uitroepen: “O wee nu onzer, dat wij zoo gezondigd hebben!” Overtuiging van zonde en straf gaat te zamen:

Ik heb gedaan, wat kwaad is in Uw oog;
Dies ben ik, HEERE, Uw gramschap dubbel waardig.

Dit doet roepen om genade en ontferming; doet vluchten tot de Bloed- en Heilfontein geopend voor het Huis van David en de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en onreinheid.

Een levende klacht over zichzelf en de zonde, en het klagen over den Heere en Zijne bedeeling, kan niet te zamen gaan. Een levende klacht over zichzelf en een roemen in den Heere, passen bij elkaar. De klager over zijne zonden getuigt met den Profeet: “Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn!” Dan kan men met Paulus roemen in de verdrukking. In die gestalte at een dienstknecht des Heeren in zijn armoe, een droge korst brood en dronk hij een kop water met groote verwondering en aanbidding. Het past een ieder heiwaardig zondaar, ziende op kleine en groote weldadigheden des Heeren, met David te getuigen:

Loof, loof, mijn ziel, den Hoorder der gebeden;
Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden;
Vergeet ze niet; ’t is God, die z’ u bewees.

Dat paste ook Israel van ouds in de woestijn, op reis naar Kanaan. Gansch anders openbaart dat Israel zich echter, zooals we dat vinden in dit 11de hoofdstuk van Numeri.

Israel was grootelijks gezegend. Bevoorrecht boven alle de volkeren der aarde. Door wonderen was het geleid en bevrijd. Lang was het volk gelegerd bij den berg Sinai, en maakte God aldaar Zijne woorden bekend.

Hij gaf aan Israel Zijne wetten,
Deed Israel op Zijn woorden letten.

Nu zijn ze drie dagen van den berg des Heeren getogen, en de Ark des Heeren reisde voor hun aangezicht, om voor hen een rustplaats uit te zoeken. Spoedig krijgt Israel een rustplaats. Zal dat gezegende volk nu niet dankbaar zijn, en op die plaats God niet loven? Neen! Hoe snood ondankbaar. Het beklaagde zich aldaar. Dit was kwaad in de oogen des Heeren. Zijn toorn was ontstoken, “en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste des legers.” God liet Israel zien en gevoelen dat het zwaar zondigde: Inplaats van dankbaarheid, murmureering; inplaats van liefde tot God hun Weldoener, vijandschap. Wordt ook hier ons beeld geteekend?

De Heere ontfermde Zich over een schuldig en benauwd volk, op de bede van Mozes, vers 2. Israel was echter wel bang voor de straf, maar niet om tegen God te zondigen. Zij hadden geen welgevallen in de straf hunner ongerechtigheid; zij roemden niet in de goedertierenheden des Heeren waardoor zij niet vernield waren. Het volk was hardleersch, en het weigerde recht schaamrood te worden. De booze natuur was door dit proefgericht nog geenszins overwonnen, maar brak weldra opnieuw uit.

Nog maar pas heeft de Heere Zijn straffende hand afgetrokken, of het gemeene volk in het midden van hen werd met lust bevangen naar iets anders dan de Heere hen toedeelde. In hun ontevredenheid en opstand werden de Israelieten medegevoerd en weenden wederom voor het aangezicht des Heeren, zeggende: “Wie zal ons vleesch te eten geven? Wij gedenken aan de visschen, die wij in Egypte om niet aten, aan de komkommers en aan de pompoenen en aan het look en aan de ajuinen en aan het knoflook; maar nu is onze ziel dor, daar is nietmetal behalve dit Man voor onze oogen.”

Met lof spraken zij over de dingen van Egypte waar ze eenmaal tot God schreiden om uitkomst, maar met groote minachting en verachting over het Manna dat de Heere hen op zulk een wonderlijke en mildadige wijze van dag tot dag toediende.

In de drie volgende verzen geeft Mozes nogmaals een nauwkeurige beschrijving van het Manna, om de heerlijke gave, die Israel versmaadde en in plaats waarvan het het vleesch met de scherpe planten van Egypte begeerde, in al hare waarde te doen kennen.

Zeer zwaar bezondigde Israel zich bij verniewing tegen den Heere. Dit blijkt uit het 10de vers: “Toen hoorde Mozes het volk weenen door hunne huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en de toorn des HEEREN ontstak zeer; ook was het kwaad in de ooren van Mozes.” Hij liet Israel het begeerde hebben en gaf hen hunnen lust, maar het was velen tot een vloek en niet tot een zegen.

Later herhaalde Israel deze versmading van het Manna, zooals wij dat vinden in Numeri 21:5: “En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in deze woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt van dit zeer lichte brood.”

Dat de Heere deze snoode zonde niet onbezocht liet, blijkt uit de volgende plaatsen der H. Schrift: “Daarom heette men den naam dier plaats Kibroth-Taäva; want daar begroeven zij het volk dat belust was geweest.” “Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.”

Tot leering: Het Manna, het hemelsche brood, dat Israel tot spijze ontving zoolang het door de woestijn naar Kanaan reisde, was zonder twijfel van voorbeeldende beteekenis. Zoo vinden wij het in Openb. 2:7 en 2:17, waar den overwinnaars wordt toegezegd dat hen gegeven zal worden te eten van het Manna dat verborgen is; ja, dat hen gegeven zal worden te eten van den Boom des Levens.

Ziende op de geestelijke beteekenis van het Manna, zoo denken wij in de eerste plaats aan Christus Jezus en het zielvoedende vermogen van Zijne verdiensten of heilgoederen daardoor verworven. Paulus doelt daarop als hij in 1 Kor. 10 er op wijst, dat de vaderen allen dezelfde geestelijke spijze gegeten hebben, en allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben: want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde, en de steenrots was Christus. Jezus stelde Zichzelf ook voor als het geestelijke Manna Joh. 6:35, zeggende: “Ik ben het Brood des levens: die tot Mij komt zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft zal nimmermeer dorsten.” De Joden spraken: “Onze vaderen hebben het Manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten.” Maar Jezus legde meer nadruk op het geestelijke Manna, zeggende: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar Mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel; want het brood Gods is Hij Die uit den hemel nederdaalt, en die der wereld het leven geeft. Uwe vaderen hebben het Manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven: dit is het brood dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet sterve. Ik ben dat levende brood dat uit den hemel nedergedaald is; zoo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven; en het brood dat Ik geven zal, is Mijn vleesch, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.”

Ook in het H. Avondmaal komt Christus voor als het geestelijke en hemelsche Manna. Spreekt Hij dan niet: Mijn vleesch is waaldijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank?

Dit hemelsche wonderbrood wordt arme en ellendige zondaren in deze wereldsche woestijn voorgesteld en aangeboden in het Evangelie. Zoo deed Jezus toen Hij op aarde was onder de Joden. Maar helaas! hadden hunne vaderen het natuurlijke Manna versmaad en er van gewalgd, zij versmaadden en verwierpen het ware Brood des Levens. Ze waren verzadigd in en met hun eigen gerechtigheid; er was geen behoefte aan Jezus en Zijne eeuwiggeldende gerechtigheid.

Hoe is het thans? In het Evangelie, gelezen of verkondigd door Gods knechten, wordt het hemelsehe Manna voor de oogen gebracht en aangeboden, maar helaas! hoe wordt de geestelijke zielespijs geminacht en verworpen. Hoe menig hart is gezet op de dingen van het wereldsche Egypte. Daar haalt men het hart in op, zonder ware zielsverzadiging. In blindheid eet men zich echter ten doode, gelijk Israel in de woestijn. Of men doet het in die godsdienstige spiize die den armen en blinden mensch voor zichzelf en anderen heeft bereid. Zonder eenige geestelijke honger en dorst gewerkt door den H. Geest, is men verzadigd in hetgeen waarvan ook getuigd moet worden: “De dood is in den pot!”

Dan welgelukzalig allen, die mogen walgen van de zonde en de wereld, van alle eigengerechtigheid die achtende als een wegwerpelijk kleed, van alle menschelijke voortbrengselen, vermengingen en oppervlakkigheden; en uit het Jezus-gemis mogen hongeren en dorsten naar Hem en Zijne heilgoederen. Die met zeker dichter moeten getuigen:

Geef mij Jezus, of ik sterf;
Want buiten Jezus is geen leven,
Maar een eeuwig zielsverderf.

Voor hen is Christus, het hemelsche Manna, de ware ziele-spijs door het geloof. Door het geloof zien zij op Christus, vluchten tot Hem en mogen ze ook wel geloovig gebruik van Hem maken en Hem genieten. Ze mogen wel Zijn vleesh eten en Zijn Bloed drinken, dat is, geloovig en zoetelijk werkzaam zijn met hunnen lijdenden en stervenden Borg en Zaligmaker. Geloovige gemeenschap aan en met Christus, is dat geestelijk eten en drinken. Dan is het leven waarlijk Christus, en het sterven gewin; want die zullen in der eeuwigheid niet meer hongeren. Dan is de ziel niet dor, maar waarlijk vruchtbaar ter verheerlijking Gods.

Het Manna, in Psalm 27:25 “het brood der machtigen” genoemd, wijst ons ook heen naar het gezegende en zuivere Woord Gods. Gelijk het Manna uit den hemel nederdaalde, zoo gaf de Heere de Goddelijke openbaringen Zijns Woords uit den hemel aan ons en onze kinderen. Dat reine en heilige Manna heeft God in Christus Jezus, ons ruimschoots toegediend. Vele van Zijne knechten zond Hij om het Woord Gods zuiver te verkondigen en te verklaren om alzoo te zijn een voedende ziele-spijs. Dit was het voor de Moorsche Kamerling, door Filippus onderwezen, Hand. 8. Wij denken ook om het “overjarig koren,” de nagelaten geschriften onzer rechtzinnige vaderen.

Het zuivere Woord Gods of het Evangelie van vrije genade, was steeds een ziele-spijs voor geestelijke hongerige en dorstige zielen. Daardoor werden ze bemoedigd, gesterkt, getroost en verlevendigd. David getuigt:

Al wat Uw mond aan mij had toegezegd,
Gaf aan mijn hart, vertroosting, geest en leven.

Hoe sterk was de honger naar het geestelijke Manna ten tijde der Hervorming. Veel werd opgeoffered om het deelachtig te worden en er iets van te genieten. Hoe geheel anders thans in dezen tijd. Toch zijn er ook thans nog die hongeren naar het hemelsche Brood, en de kracht en zoetigheid daarvan kennen. Ze weten er van hoe sterk de honger was naar de woorden des levens, toen er in de wedergeboorte een nieuw leven werd geschonken. Wel altijd wilde men het dierbare Woord Gods lezen of hooren. Daarin kwam wel verandering, maar toch werkte Gods Geest weer gedurig behoefte en verlangen naar het Manna. Met sterk verlangen wel uitgezien naar den Sabbath om in Gods Huis te verkeeren, waar de Heere het Manna doet nederdalen en de spijstafel toericht voor hun aangezicht. Daar vooral wil de goede Herder Zijne schapen voeden en laven. Dat zijn goede tijden, maar het kan ook anders zijn. Er is dan geen honger naar het Manna; er is geen waardeering van hetgeen God in Zijne groote liefde toediende als een ziele-spijs ten leven. Het bedorven vleesch krijgt de overhand. Er is een minachting van hetgeen hoog werd gewaardeerd en zalig genoten. O, hoe sterk de begeerlijkheid des vleesches! Zeker schrijver zegt er van: “Maar dat is des menschen ontstemde of bedorven natuur, die in het rustig genot van het reine en onvermengde niet kan uithouden, maar, wegens hare innerlijke disharmonie, het bijvoegen van den prikkel der zure en scherpe dingen verlangt. Wie als Israel de woestijn des levens doortrekt,—wie namelijk als een verloste Gods, onder de onbepaalde leiding van den goddelijken wil in de wereld leeft, die zal weldra ervaren, dat hij met manna gevoed wordt, dat is, met het hemelsche Woord Gods, ’t welk alle stoffen tot zijn genot heiligt en veredelt; maar hij zal vervolgens ook iets van die verveling ondervinden, waardoor Israel bevangen werld, naardien de zichzelve steeds gelijkblijvende, rustige kracht van Gods Woord in strijd is met zijne natuur, wier verlangen naar de streelende en prikkelende genietingen der wereld uitgaat.”

Ja, dat wordt op de woestijnreis naar het hemelsche Kanaan gekend, en met schaamte moet de pelgrim terugdenken aan zulke tijden dat hij min of meer Israel gelijkvormig werd in het met lust bevangen te zijn. O, dat grijpen weer naar het verbodene, zooals in het verzondigde Paradijs begonnen! De Heere leert echter Zijn volk weer gedurig walgen van hetgeen, de ziel niet kan verzadigen en in bitterheid en smart verandert. Hij voert ze in het gemis der ziel en moeten ze getuigen: Heere, geef ons altijd van dat ware Brood.

Het is thans een droevig teeken des tijds, dat velen denken en spreken als Israel van ouds, ziende op het Woord Gods en de zuivere verkondiging daarvan. Gaat de Heere in Zijne groote liefde en ontferming nog voort om dit hemelsche Manna bekend te maken en aan te bieden als zijnde de ware ziele-spijs, er is geen waardeering en geen honger. Men beschouwt de ziel dor te zijn als wat anders verboden en niet wordt voorgezet. Menigeen walgt van het Manna en hunkert naar de vleeschpotten van het wereldsche Egypte. Er is een verzadiging van hetgeen de Heere geeft en aanbiedt, maar in een verkeerden zin. Het leidt tot verval en afval. Weinig meer in Gods Huis komen om het Woord Gods te hooren, en na korter of langer tijd geheel wegblijven. Droevige teekenen dezes tijds! Zoo keert menigeen zich tot den zwijnendraf der wereld, ook menigeen zich tot een oppervlakkige of verleidende leer. Men walgt van het zuivere Manna; men moet andere spijze hebben. O, waar zal het eindigen! Dit is kwaad in het oog des Heeren. Is Zijn toorn daarover niet billijk ontstoken? Die in verachting en verwerping van het Manna doorgaat, zal gewisselijk onder den toorn des Heeren omkomen. Hoe vreeselijk zal hun lot zijn. Hoe ontzettend dan het eeuwig zelfverwijt! De Heere mocht nog vele blinde oogen believen te openen en door Zijn Geest doen hongeren naar het hemelsche Manna Christus Jezus en de zuivere woorden des eeuwigen levens.

Lezer! de Heere beware u als de Bewaarder Israels, om niet te minachten nog te walgen van het hemelsche Manna. Wat een zegen te walgen van alles wat de wereld en satan aanbiedt en al wat een behoeftige ziel niet verzadigen kan, en hongerend en dorstend Christus Jezus achteraan te kleven. Die zullen niet omkomen, maar zeker het hemelsche Kanaan binnengaan. Bij het naderen van de Jordaan, mogen ze wel zingen:

Maar blij vooruitzicht, dat mij streelt!
Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1943

The Banner of Truth | 16 Pagina's

ISRAELS LUST IN DE WOESTIJN

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 september 1943

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken