Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

CHRISTUS TOT RECHTVAARDIGHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

CHRISTUS TOT RECHTVAARDIGHEID

16 minuten leestijd

1 Cor. 1:30, 31: “Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, enz.”

GHRISTUS sprak eens: “Ik zeg u, tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en Farizeërs, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.” Dat verstond de Kerk van oud reeds, wanneer ze uitriep: “Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind,” Jes. 64:6. Dat woord van Jezus leerde ook Paulus goed verstaan in de straat genaamd de “Rechte.” Als Farizeër had hij een gerechtigheid, veel daden gedaan overeenkomstig de wet of werken der wet. Die gerechtigheid werd toen een wegwerpelijk kleed, hij achtte het alles als schade en drek; hij kreeg een gerechtigheid noodig die overvloediger was. Zulk een gerechtigheid had Christus, Die hij zoo lang verworpen en bestreden had; nu zoo dierbaar, onmisbaar en noodzakelijk. Naar die gerechtigheid mocht hij hongeren en dorsten; die gerechtigheid werd zijn zalig deel; in Christus en Zijn gerechtigheid was hij volmaakt rechtvaardig voor God; op grond van die gerechtigheid werd hij gerechtvaardigd toen die door toerekening en geloof zijn eigendom werd. Daarop doelt hij in Rom. 5:1, zeggende: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.” Wonderlijk! toen Christus hem tot wijsheid werd, waardoor hij van zijne groote dwaasheid en blindheid werd genezen, toen verwierp hij zijn eigen gerechtigheid en had hij geen rust totdat hij bekleed was met het volmaakte kleed van Jezus’ gerechtigheid. In zijn gerechtigheid kon hij voor God niet bestaan, maar in de gerechtigheid van Christus volkomen en mocht hij de zoetste gemeenschap smaken met Hem als zijn God en Vader. In Christus en Zijn gerechtigheid was hij immers rechtvaardigheid voor God, en genoot hij een vrede die alle verstand te boven gaat.

Noodig is nog steeds dat Christus een zon . daar tot wijsheid wordt, zal hij in diepe vernedering al zijn eigengerechtigheid verloochenen en als een naakte en verlorene zondaar tot Christus komen, om ook Hem te bezitten als zijne rechtvaardigheid voor God. De hoogmoedige mensch moet door overtuiging, ontdekking, ontkleeding en hemelsche onderwijzing ten diepste vernederd worden, zal hij zich door Jezus laten zaligen. Wat komt het steeds onder het menschdom openbaar, dat de mensch veel liever hard werkt en slaaft om een eigengerechtigheid op te richten en zich daardoor aangenaam te maken in de oogen Gods, dan dit alles verloochenende tot Christus te komen als een gansch onrein, walgelijk en naakt zondaar, om zich met Zijne gerechtigheid te laten bekleeden. Alleen dan wanneer Christus de ziel tot wijsheid wordt, gaat ze een getuigenis geven als Paulus, zeggende: “Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijnen Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewin-nen. En in Hem gevonden worden, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.”

Uit aangehaalde plaatsen der Schrift blijkt duidelijk, dat Paulus nog al eens doelt op de rechtvaardigmaking uit of door het geloof. Geen wonder! Door het geloof in Christus verloochende hij alle eigengerechtigheid; door het geloof omhelsde hij de gerechtigheid van Christus; door het geloof wist hij zich in die gerechtigheid rechtvaardig voor God; door het geloof omhelsde en genoot hij de vrijspraak des Vaders; door het geloof wist hij zich een erfgenaam des eeuwigen levens. Hoe duidelijk dat uitgedrukt in zijne brieven.

Ter opheldering van menige ziel wijzen we er thans op, dat het wat anders is aan de zijde Gods gerechtvaardigd te zijn, dan in de vierschaar van het geweten. Maakt God den uitverkoren zondaar van dood levend en doet Hij het licht in de duisternis opgaan, andere zegeningen daaraan toevoegende, zoo staat zoo’n zondaar voor God gerechtvaardigd en op grond van Jezus’ gerechtigheid en voorspraak worden hem zulke zegeningen geschonken. Hoe kon een rechtvaardig en heilig God gemeenschap hebben met zulk onrein en heiwaardig zondaar en hem zoo zegenen, indien het niet was in en om Christus wil? Het is echter volgens het Woord Gods en de ervaring der heiligen, dat zulk zondaar zich dat niet bewust is en zich meer onrechtvaardig en goddeloos voor God ziet, als gerechtvaardigd. Om tot de heerlijke bewustheid en zekerheid te komen dat hij rechtvaardig voor God is en een erfgenaam des eeuwigen levens, is noodig door het geloof gerechtvaardigd te worden en in de vierschaar van het geweten. Menig tot God bekeerd zondaar heeft kennis aan het eerstgenoemde en de heiligmaking, maar mist het laatste. Door het geloof in Christus en Zijne gerechtigheid komt een zondaar tot de zekerheid zijner rechtvaardigmaking. Daarop wijst de Catechismus zoo duidelijk in Zondag 23. Er wordt gevraagd: “Wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?” Het antwoord is: “Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.” Verder: “Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?” Antwoord: “Alleen door een waar geloof in Jezus Christus, al-zoo dat, al is het dat mij mijne consciëntie aanklaagt, dat ik tegen alle de geboden Gods gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige verdienste mijnerzijds, uit loutere genade mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gehad, noch gedaan, ja, als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zooverre ik zulke weldaad met een geloovig harte aanneem.”

We willen hier nog aan toevoegen wat zeker schrijver hiervan zegt: “Let eens op: Het is een groot verschil, rechtvaardig te zijn in de vierschaar Gods, of in de vierschaar van het geweten. Het eerste gaat geheel buiten ons om en het tweede wordt uitgewerkt in het hart. Zoolang nu de ziel de vrijspraak van schuld en straf in de ondervinding mist, blijft ze in een troost-loozen toestand en onder veel schuddingen en twijfelmoedigheden hare dagen en nachten slijten. Nu is het een groot onderscheid, gerechtvaardigd te zijn in de vierschaar Gods of daarvan de troostvolle wetenschap in het hart te mogen deelachtig zijn.” enz.

Zal een zondaar door het geloof gerechtvaardigd worden en vrede met God zijnen Vader genieten, zoo komt hij min of meer tot de volgende ervaring na de levendmaking:

1. Hij leert God den Vader, representeeren-de de onteerde Godheid (volgens de huishouding der genade), meer en meer kennen als zijn Rechter door de zonde, Die voldoening eischt. Hoe duidelijk wordt geleerd in de 5de Zondag van onzen Heidelberger: “God wil dat aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiede, daarom moeten wij aan haar of door onszelven, of door eenen anderen volkomen betalen.” Hij leert God kennen als onomkoopbaar en volkomen billijk in Zijnen heiligen eisch: dat Hij alleen voldaan is met een volmaakte gerechtigheid—een volmaakte betrachting van Zijne heilige wet ten leven en een straftijden voor alle zonden bedreven. Hoe kan zulk een walgelijk en bedorven zondaar zulk een gerechtigheid Hem aanbieden, Die getuigt: “Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood?” Jes. 28:17.

2. Hij leert zich zelf kennen als een schuldig zondaar. O, die groote en zware schuld uit kracht van de oorspronkelijke en dadelijke zonden! Hoe schuldig aan de overtreding van alle Gods geboden, met gedachten, woorden en werken! O, diepgezonken Adamskind! O, heiwaardig voorwerp! Dat verstommen in het Goddelijk gericht! Dat bange, als een zondaar zich voor een heilig en rechtvaardig God te zien! Dan wordt er iets van verstaan, wat het eenmaal voor ieder zondaar buiten Christus na dit leven wezen zal, om voor een rechtvaardig God te verschijnen. De zondaar is een veroordeelde in zich zelf, een vermoeide en belaste, die behoefte heeft aan een verlosser, borg en middelaar.

3. Hij leert ook zijne beschuldigers op smartelijke wijze kennen, die hij moet rechtvaardigen in hun beschuldiging en aanklacht. In Zach. 3:1 lezen wij: “Daarna toonde hij mij Jozua den Hoogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN, en de satan stond aan zijne rechterhand om hem te wederstaan.” We lezen niet dat Jozua één woord tot zijne verdediging inbracht. Hoe zal het ook kunnen, daar eigen geweten als beschuldiger of getuige optreedt, hetwelk als een boek ontsloten is, en waaruit des zondaars misdaden worden voorgelezen. Mozes (de wet) beschuldigt ook. De zondaar leert eisch en vloek der wet kennen. God openbaart Zich als de Alwetende voor Wien niets verborgen is, en die betaling vordert. Wie kan voor God bestaan? “Zoo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?” Psalm 130:3.

4. Hij leert Christus Jezus kennen en noodig krijgen als de “HEERE der Gerechtigheid”; als zijn Borg en Middelaar; als zijn pleitende Ad-vokaat bij den Vader. Dezelfde tot Wien His-kia het aangezicht ophief toen hij piepte als een zwaluw, kirde als een duif en sprak: “Heere, ik wordt onderdrukt, wees Gij mijn Borg.” Deze Advokaat wint het pleidooi altijd. Neemt Hij het voor een schuldig en benauwd zondaar tegenover de beschuldigers en een eischend Rechter op, zoo wordt het van verloren behouden. Hij is de “Getrouwe Getuige” voor den schuldigen zondaar bij den Vader. Deze Borg en Middelaar is de hoop en verwachting van den naakten zondaar. Christus noodigt hem ook zeer lieflijk om tot Hem te komen en op Hem te hopen. Hij zal niet uitwerpen, maar rust geven.

Wordt zulk een zondaar nu gerechtvaardigd, dat is, vrijgesproken van schuld en straf en een recht ten eeuwigen leven geschonken, zoo zien we daarin een Drie-eenig God werkzaam, gelijk dat ook in het vraagboek van Hellenbroek zeer duidelijk wordt aangetoond.

1. Het is God de Vader Die rechtvaardigt of vrijspreekt, zich vertoonende in den Persoon van Rechter. “Ik, Ik ben het, Die uwe overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.” Jes. 43:25. “Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer op de aarde zouden gaan; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.” Jes. 54:9. De zondaar volmaakt in de gerechtigheid van Christus krijgt geen zwarten maar een witten steen.

2. De Zoon komt in de rechtvaardiging voor als Voorspraak en Middelaar. Hij staat als Middelaar tusschen een schuldig zondaar en een God Die eischt dat aan Zijne gerechtigheid zal voldaan worden. Hij is het Die den naakten zondaar bekleedt met den mantel Zijner gerechtigheid, op welke gerechtigheid Hij pleit als Advokaat bij den Vader tot vrijspraak en vrijlating van den zondaar. Door de gerechtigheid van Christus verstaan we Zijne dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid. Daarop doelt Paulus, en zegt hij van Rom. 5:19: “Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.”

3. De Heilige Geest treedt in de rechtvaardiging des zondaars op als Verzegelaar en Toepasser. Hij geeft kennis en verzekering van de rechtvaardigmaking. Hij past dierbare beloften toe aan het hart van vergeving der zonden en eeuwig leven. Hij maakt alles zeer duidelijk voor het geloofsoog van den gerechtvaardigden zondaar, als een Geest Die in alle waarheid leidt. “Dezelve Geest getuigt met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn.” Door Dien Geest roept de ziel: “Abba, Vader!”

Dus in tegenstelling van Rome leeren wij, dat een levendgemaakt zondaar tot de verzekering van zijne rechtvaardigmaking en zaligheid kan komen in dit leven, ja behoort te komen, tot zijn troost en de verheerlijking Gods. Daarin blijft echter ieder kind des” Heeren afhankelijk. De zaligheid is van begin tot einde een zuiver werk Gods. Dit behoort aan te sporen tot gebed en smeeking aan Gods genadetroon. Zoo krijgt God alleen de eere.

Te betreuren is het, dat er thans zoovelen zijn die rusten in een rechtvaardigmaking van eeuwigheid in de besluiten Gods, in een rechtvaardigmaking van de gansche Kerk in en met de opwekking van Christus, waarop Paulus doelt als hij zegt: “Overgeleverd om onze zonden, opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.” Vergeten wordt gewoonlijk hoe hij dadelijk daarop laat volgen, dat het noodzakelijk is om gerechtvaardigd te worden door het geloof, zal een zondaar vrede met God hebben en verzekerd zijn van zijne rechtvaardigmaking (Rom. 5:1). Hoe bijzonder heeft Ds. Comri dat breedvoerig uiteengezet, in een predikatie over die woorden.

Ach! dat ook velen die de zuivere bevindelijke waarheid nog aanhangen in deze dagen van verval en afval, toch ook overtuigd werden van de noodzakelijkheid dezer rechtvaardigmaking door het geloof. Ja, dat ook zij die waarlijk kennis hebben aan de waarachtige wedergeboorte, geen rust hadden in smeeking en worsteling totdat ze verzekerd waren door het geloof van hunne rechtvaardiging, Christus hebbende als hunne rechtvaardigheid voor God. Dan immers wordt de ziel dadelijk hersteld in God, in het Vaderharte Gods; dan de kus der verzoening ontvangen; dan wordt de groote geestelijke Verzoendag doorleefd en daarop het geestelijke Jubeljaar uitgeroepen, zooals Huntington dat beschrijft. Dan heeft men kennis ontvangen van ellende, verlossing en dankbaarheid.

O, arme, en beklagenswaardige schepselen die daar niets van kennen in bevinding der ziel, en toch den mond vol hebben van Jezus hun Zaligmaker, en in God roemen als hun Vader. O, dat ze Gods Woord eens recht verstonden en niet voortgingen op zandgronden, op meening en verbeelding te bouwen en te vertrouwen. Hoe heerlijk heeft ook den grooten hervormer Luther doorleefd wat in korte trekken werd beschreven, en getuigt dat met deze zuivere leer de kerk valt of staat. Ziet men het niet vervuld in deze dagen? Men zou soms waarlijk gaan denken zoo men de Christenmenschen aanhoort en ziet hoe ze in oppervlakkigheid en doo-delijke gerustheid voortwandelen naar de eeuwigheid, dat de rechtvaardiging uit het geloof om in verzoening en vrede met God te komen, niet meer noodig is. De Heere mocht opstaan in deze donkere dagen, en Zijnen Geest doen nederdalen in de harten als een Geest des oordeels en der uitbranding. Dan zal er plaats komen voor Christus en Zijne gerechtigheid; dan zullen de bloedwrekers naar de Vrijstad henendrijven.

De vruchten van de rechtvaardigmaking door het geloof zijn heerlijk. Reeds werden genoemd, verzekering en vrede met God. Maar laten we ook nog denken om dankbaarheid. O, wat een sterke begeerte dan om Gode gehoorzaam te zijn en in Zijne wegen te wandelen om steeds toe te nemen in heiligmaking, zeggende met Paulus: “Opdat ik Hem kenne, en in de kracht Zijner opstanding, en in de gemeenschap Zijns lijdens, Zijnen dood gelijkvormig wordende; of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden,” Fil. 3:10, 11.

Hoe groot is dan ook de blijdschap in den Heere, uitroepende met de kerk van ouds: “Ik ben zeer vroolijk in den HEERE; mijne ziel verheugt zich in mijnen God; want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan,” Jes. 61:10. Hoe aangenaam is ook de rust der ziel na zooveel strijd en worsteling, duisternis en aanvechting!

Keer, mijne ziel, tot uwe rust weder;
Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan.

We kunnen deze meditatie niet meer uitbreiden. Nog slechts het volgende: De Heere mocht nog vele zondaren eer het te laat, voor eeuwig te laat is, overtuigen van schuld en zonde, opdat ze niet alleen met boete en berouw tot God mochten wederkeeren, maar ook in tijds met God door Christus verzoend worden. O, wat zal het ontzettend zijn om een onverzoend God, een toornig Rechter na den dood te ontmoeten; maar hoe onuitsprekelijk heerlijk en zalig een verzoend God en Vader te ontmoeten en eeuwig bij Hem een plaats in het Vaderhuis te ontvangen.

Vele eigengerechtige zondaren, die met al hun spreken over Jezus in wettische dienstbaarheid of wereldsche losbandigheid zijn vervallen, mochten eens naakt en bloot voor God gesteld, leeren uitroepen in verlegenheid der ziel: “Wat moet ik doen om zalig te worden!” “Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er eenig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?”

O, dat er meer overtuiging en ontdekking, meer ontgronding en ontkleeding mocht komen bij hen, die waarlijk uit den geestelijken dood-slaap der zonde mochten opstaan tot een nieuw leven. Meer een opwassen en komen tot het rechtvaardigend geloof, zooals omschreven. Meer een honger en dorst naar de gerechtigheid van Christus, die alleen redt van den dood.

Zeker leeraar schreef eens in een Christelijk blad, dat ziekelijkheid der leer de oorzaak was dat er niet meer menschen onder ons tot zekerheid der zaligheid kwamen. Jammer voor de arme man, dat hij nog nooit goed in zijn Bijbel gelezen had, hoe dat God Zijn kind tot de zekerheid zijner zaligheid brengt en Christus doet deelachtig worden als de “HEERE zijne Gerechtigheid.” Er is een andere oorzaak. Gods Geest houdt Zich zoo in, om der zonde wil. Daarom is er geen krachtige doorwerking. O, het mocht de kerk eens tot schuld worden. Er mocht eens een wederkeeren komen tot Hem van Wien we ver zijn afgeweken. Maar in geen geval wenschen we dat zielen tot zekerheid hunner zaligheid komen in den weg van geestelijke diefstal, van meening en verbeelding. Dat is zelfbedrog, en daarmede komt men voor eeuwig om.

Lezer! is Christus u niet alleen tot wijsheid maar ook tot rechtvaardigheid geworden het beschrevene mocht u meer tot verduidelijking en bevestiging zijn. Om uwe ziel op te wekken God te danken en Jezus’ gerechtigheid steeds met gejuich te verkondigen. O, dat ge niet meer uzelven—maar Hem mocht leven Die voor u stierf en is opgewekt; Die altijd leeft om voor Zijn volk te bidden. Ge mocht verwaardigd worden om in alle beroering en ellende, uw weg met blijschap in uw Verlosser te reizen. Het zij u tot troost en bemoediging op uw hemelreis:

Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhoogen.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1944

The Banner of Truth | 16 Pagina's

CHRISTUS TOT RECHTVAARDIGHEID

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1944

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken