Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN BRIEF

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN BRIEF

De Kracht Van Gods Genade

5 minuten leestijd

(Vervolg)

Op zekeren dag zijn winkel binnengaande, bemerkte ik dat hij ziekelijk was en zich zeer zwak gevoelde. Ik kon het niet nalaten de gelegenheid waar te nemen hem te wijzen op het ontzettend gevaar waar hij zich in bevond. Maar neen, niets vond ingang bij hem. Hoewel hij niet toegelaten werd te vloeken, moest ik toch de vreeselijke taal hooren: “Als gij zoo spreekt, gaat dat het eene oor in maar het andere weer zoo uit. Ook is er niemand nog ooit opgestaan om te zeggen dat er een hel is en hoe het daar is; maar als ik eens een week of drie dood ben geweest, zal ik het u wel eens komen zeggen hoe het daar is.” Hoe hard en verhard, hoe blind en verduisterd, was dezen ouden zondaar! De duivelen gelooven en zij sidderen, maar de verharde mensch beeft niet voor den hoogen God en het oordeel.

Later werd hij hard ziek en zijn einde scheen met rassche schreden te naderen. Nogmaals probeerde ik aan zijn ziekbed gekomen, met hem te spreken over het heil zijner ziel, maar ook thans in het gezicht van den dood en de eeuwigheid, wilde hij daar niet van hooren. Hij keerde zijn aangezicht naar den wand en deed alsof hij sliep. Toen ik terug kwam van een reis naar het verre Westen, was hij weer hersteld en leefde nog menig jaar. Toen hij mij bij zekere gelegenheid zag, zeide hij: “Ik heb hard gevochten en heb hem overwonnen. Neen, hij krijgt mij nog niet.”

Het gebeurde kort voor dit geval, dat zij ernstig krank was; en werd niet anders gedacht of zij zou spoedig de eeuwige heerlijkheid ingaan. O, hoe verlangde zij om ontbonden en met Christus te zijn, als zijnde verre het beste. Op zekeren avond bezocht ik haar met een paar broeders Ouderlingen uit het Westen eer wij ter gezelschap gingen. Dat bezoek zal ik nooit vergeten, alsook die broeders niet die bij mij waren. Later mochten wij er nog al eens over spreken.

Wat was zij hemelsch gesteld en de hemeltaal die zij sprak, vervulde ons met verwondering. Niemand had een woord te zeggen, de heerlijkste taal met goddelijke wijsheid vloeide gestadig over hare lippen. En dat van eene, naar de wereld ongeletterde vrouw, door de wereld niet gekend of geacht.

Maar onverwachts viel ons oog op haar man die aan tafel zat. Hoe bleek zag hij er uit en hoe vreemd deed hij. Hij kreeg het zoo moeilijk en benauwd, dat hij het spreken van zijn vrouw niet meer kon aanhooren. Daarna riep hij uit: “Gij maakt mijn vrouw erger, dan zij is; gij maakt mijn vrouw dood; enz.” Toen hebben wij opgemerkt dat de hel het bij den hemel niet kan uithouden; dat een goddelooze, hoe gaarne hij ook wel van de straf wil verlost zijn, het echter nooit in den hemel zal kunnen uithouden. Neen, de hemel is voor ‘s Heeren kinderen, die hier op aarde betrekking krijgen op dat hemelsche Paradijs, die hier in beginsel hemelwerk mogen verrichten en hemelsche genietingen mogen smaken.

Bevreesd zijnde dat hij zou gaan vloeken, zijn wij toen maar vertrokken, hoe gaarne wij ook nog wat hadden willen blijven. Haar tijd om heen te gaan was echter nog niet aangebroken. Ze moest in den grijzen ouderdom nog vet en groen zijn, om te verkondigen dat de Heere goed en recht is.

Hoewel zij begeerde heen te gaan voor dat de Heere haar man weg nam, zoo behaagde het den Allerhoogste echter hem eerst door den dood van deze aarde weg te nemen. Hij stierf als een onboetvaardig en verstokt zondaar. De Heere beliefde haar onder dat alles bijzonder te sterken en te bemoedigen. Ze mocht God in Zijne Souvereiniteit en rechtvaardigheid billijken. Hij had geen onrecht gedaan, en wat zou het een wonder zijn als zij het hemelsche Kanaan zou mogen binnengaan.

Aangenaam was het, haar kortgeleden een bezoek te brengen. Gemeenschap der heiligen werd eenige oogenblikken zoetelijk gesmaakt. Zij is nu in haar 91ste jaar en ziet uit naar hare opneming. Zij zeide: “Ik zit hier soms zoo eenzaam in mijn kamertje, maar dan kijk ik nog al eens door het raam naar den hemel, en zeg dan: ‘Heere, ik zit hier eenzaam, daal weer eens neder, breng mij weer eens een bezoek en verkwik mijne ziel; enz.’

Zoo gaat zij het einde van haar aardsche loopbaan tegemoet, om op Gods tijd de kroon der heerlijkheid te ontvangen en altijd bij haar Verlosser te zijn. Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is.

Zijt hartelijk gegroet en Gode bevolen.

Uw dienstw. br.,

Overgenomen uit het boekje getiteld “Gods reddende en zorgvolle liefde.” De oude moeder is nu reeds eenige jaren de kooi ontsnapt. Haar einde was ruim en heerlijk. “Let op den vrome en zie naar den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1945

The Banner of Truth | 16 Pagina's

EEN BRIEF

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1945

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken