Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN BRIEF

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN BRIEF

7 minuten leestijd

Rotterdam, 1 September, 1937

Zeer geliefde Oom.

Daar het al zoo lang geleden is dat wij iets van elkander gehoord hebben, zoo wensch ik mij in den weg te stellen u een lettertje te schrijven, daar ik mijn schuld gevoel zoo lang te wachten met schrijven. Ja Oom, ik moet zoo ondervinden dat ik in alles zoo steil en diep afhankelijk ben van de invloeden van God den Heiligen Geest; dat ik uit en van mijzelven overal even onbekwaam toe ben, en ondervindt de kracht van Jezus’ woord: “Zonder Mij kunt gij niets doen.” O, het loopt toch zoo laag af! Ik denk nog wel eens aan een ouden vriend, die zeide tegen mij : “O, nu hebt je nog betrekking en begeerte om naar Gods volk te gaan, maar je zult in je leven nog wel tijden beleven dat je betrekkeloos, geesteloos en biddeloos over de aarde zult gaan; en daar denk ik nog al eens aan. Want sinds ik van den winter zoo ziek ben geweest en de Heere zich niet onbetuigd heeft gelaten, heb ik nu dezen zomer veel andere tijden moeten doorleven. Soms ben ik zoo lusteloos en moedeloos; want u weet ik moet een zwak lichaam omdragen en dat wordt er niet beter up. Veel van mijne kleine krachten heb ik verloren in mijn laatste ziekte, en ook veel wederwaardigheden in mijn huisgezin. Dan komt in zulke wegen onze oude bedorven natuur zoo bloot. Soms zeg ik dan wel eens: “Hoe lang nog Heere!” Want ik ben soms de zonde zoo moe, dat ik wel van dit lichaam verlost zou willen zijn; want onder alle de kruisen die ik moet dragen, is dit wel het zwaarste, de zonden en mijn eigen hart, dat ongedoode vleesch, dat in geen banden wil. Geliefde Oom! het is of de Heere maar gedurig tegen mij zegt: “Graaf maar dieper, menschenkind! en ge zult meer gruwelen vinden.” Nu is het wel waar, dat vertroosting aangenaam voor ons is; maar toch is het mijne overtuiging, dat ontdekking en ontblooting beter voor ons is (vooral bij tijden) ; want het houdt een mensch laag bij den grond, zoodat hij zich niet kan verheffen, om dan van harte te getuigen: “Die roemt, roeme in den Heere.” Ja, in Zijne genade, die Hij aan dood- en doemschuldigen komt te bewijzen. O, dan zeg ik wel eens, dat ik zoo verarmd ben in het gevoel mijner ziel, dat ik geen pennigsken meer in mijn zak heb; maar alles in den Heere. En als ik dan eens mag zien op de hemelsche erfenis die Boven bewaard wordt voor allen die het zelf niet zouden kunnen bewaren, maar zeker zouden doorbrengen gelijk onze eerste vader Adam, zoo het in eigen hand was; dan zeg ik wel eens met David: O, dat welgeordineerde Verbond, daarin alleen is al mijn heil en al mijn lust!

Zie ik op mijzelven, dan moet schaamte mijn aangezicht bedekken; ziende er op wat it moest zijn in heiligen wandel en godzaligheid. Uit kracht van het oude bestaan, een vijand van God en Christus. Dan moet ik wel getuigen: O Heere, hoe kunt gij mij nog verdragen? Als het dan echter den Heere behaagt mij een geloovig inzien te schenken in Zijn dierbaar Woord en Getuigenis; als Hij mij dan eens inleidt in die heilgeheimen en zegt, dat Hij Zijn verbond gesteld heeft van dag en nacht en alzoo de verordeningen des hemels, en: “Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zoo zal ook het zaad Israels ophouden dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, alle de dagen”; en dat Hij alzoo getuigt: “Bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE uw Ontfermer”; dan moet ik getuigen: In Dien getrouwen God en Zijn Verbond is al den grond van mijn vertrouwen. Want hoe meer ik alle grond in mijzelven en uit mijn bevinding kwijt raak, hoe dierbaarder mij Christus en dat eeuwige Verbond mijne ziel wordt. Dan wensch ik met den Apostel niets anders te weten, dan Jezus en Dien gekruist. Die gegeven is van den Vader tot een verbond des volks; die in zichzelven doemelingen en heiwaardige voorwerpen zijn en blijven.

Ik zeide gisteren nog tegen een oude vriendin: “Als ik eens aan het einde van mijn reis zal zijn, wat zal het dan toch een eeuwig wonder zijn als ik behouden aan mag komen. Dan zullen alle klokken in den hemel wel luiden, over het groote wonder dat zoo één als ik ben en mijzelven leer kennen bij den dag, den hemel zal binnengaan. O, lieve Oom! ik denk, dat er nog nooit zulk wonder zal geschied zijn. Hier moet ik maar wegzinken en zakken van verwondering, dat de Heere naar zulk een zondares heeft willen omzien. Wat onderscheid mij toch van anderen? Immers niets! Als andere schepselen, gansch onrein en heiwaardig. Alles vrije gunst, welke eeuwig Hem bewoog.

Ik dacht, Oom, er over, hoe u in uw laatste brief schreef, dat, als ik er iets in vond dat niet naar Gods Woord was, ik u dat dan maar schrijven moest; maar ik dacht: Ja, dat zijn nu juist de voetstappen der schapen; een huicheaar is niet bang voor zelfbedrog, maar al Gods volk is er zoo bevreesd voor; want zij leeren kennen dat ze een arglistig en bedriegelijk hart omdragen, dat doodelijk is en daarom moeten ze ook wel met David uitroepen: “Duizend zorgen, duizend dooden, kwellen mijn angstvallig hart.” Immers al ‘s Heeren kinderen worden in eigen schatting wel duizend keeren in den dood overgegeven, en dat op meer dan een wijze. Zoo komt er ook recht plaats voor Christus, Die het Leven is. Omdat we nu door onzen diepen val in Adam den lpugenaar satan zijn toegevallen, die ons beloofde dat we niet sterven zouden door de overtreding maar leven; daarom strijden wij zoo voor ons eigen leven om dat te behouden; maar de Heere Jezus heeft gezegd: “Die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen.”

Nu Oom, de Heere Die goed is, geve u het rechte verstand hiervan en leere u van Zijne wegen om het bij ondervinding te leeren kennen; opdat Zijn eer verhoogd worde en uwe ziel gezaligd. Dat gij de deugden Gods liever moogt krijgen dan uw eigen zaligheid. Daartoe overtuige, ontbloote en ontgronde Hij u in Zijn eigen weg en schenke het u op Zijn tijd; want Gods tijd is de beste, en Hij zegt het Zelf in Zijn dierbaar Woord, dat alles zijn bestemden tijd heeft; Een tijd om geboren te worden en ook een tijd om te sterven.

Ontvangt nu mijne hartelijke groete; ook van de bekenden en vrienden. Ze vragen nog al eens naar u. Op het oogenblik likt K. ook hard ziek. Hij heeft Zondag niet kunnen lezen. Ik mag gelukkig des Zondags weer opgaan naar Het Huis des Heeren; en ook op Donderdag. Overigens kan ik niet veel doen daar ik veel pijn aan mijn hart heb en erg vermoeid. Nogmaals gegroet!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1947

The Banner of Truth | 16 Pagina's

EEN BRIEF

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1947

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken