Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERKGESCHIEDENIS

10 minuten leestijd

(Vervolg)

Filippus Diaken, een Evangelist, bracht het Evangelie onder de door de Joden verachtte Samaritanen, en met gezegend gevolg.. Christus nog zijnde op aarde, had reeds het zaad des Woords onder hen gestrooid, Joh. 4. Filippus maakte hen niet alleen bekend met een vernederde- maar ook met een verhoogde Middelaar en Koning. Bij die gelegenheid bekeerde zich ook Simon de toovenaar, maar niet oprecht. Hoe noodig oprechte en waarachtige bekeering door en tot God. Dat miste Simon, al was er een groote verandering. Petrus voegde hem daarna toe: “Uw hart is niet recht voor God. Bekeer u dan van deze uwe boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd. Want ik zie, dat gij zijt in eene gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid.”

Filippus werd ook ten zegen gesteld voor de Ethiopische kamerling. Hij mocht aan deze bekommerde ziel een vernederde en verhoogde Jesus verkondigen uit Jesaja 53. Verlost en gedoopt reisde hij zijn weg met blijdschap.

De vurige Petrus, vervuld met den Heiligen Geest, reisde ook het Joodsche land door. Hij predikte alom en deed groote wonderen. De nuttige en geliefde Dorkas werd op zijn gebed van dood weer levend. Haar toeroepende: “Tabitha, sta op!” deed zij haar oogen open en zat over-einde.

Zeker was hij niet het huis van een heidenman binnen gegaan, maar wat de Heere hem deed zien te Joppe en hem toeriep, gaf hem volle vrijmoedigheid om dat te doen. Daarmede kon hij zich ook verdedigen tegenover andere broeders, die met hem hierover twistten, Hand. 11. Cornelius de Hoofdman, ontving met anderen ook den Heiligen Geest. Als die broeders dat hoorden, verheerlijkten zij God, zeggende: “Zoo heeft dan God ook den Heidenen de bekeering gegeven ten leven!”

De kerk openbaarde zich spoedig als een Zen-dingskerk. Door de liefde van Christus en tot het heil van zielen gedrongen, verkondigden velen alom het Woord Gods. Dreiging en vervolging kon hen niet weerhouden te arbeiden tot opbouw van het Godsrijk. Velen werden alom ingewonnen voor den zaligen dienst van Koning Jezus. Die vertstrooid waren door de verdrukking gingen het land door en verkondigden het Woord te Fenicië, te Cyprus en te Antiochie. Cyprische en Cyrenei-sche mannen spraken tot de Griekschen in het Syrisch Antiochië. Rijkelijk werd hun arbeid gezegend. Een bloeiende gemeente ontstond aldaar. Ze mag beschouwd worden als de moederkerk van Christenen uit de heidenen. Dat God daar krachtig werkte en velen in Jezus geloofden tot zaligheid, werd spoedig vernomen te Jeruzalem. Barnabas werd daar heengezonden door de Jeruzalem-sche gemeente. Hij was een goed man en vol des Heiligen Geestes en des geloofs, en werd onder zijn arbeid een groote schare den Heere toegevoegd. Deze dienstknecht Gods had hulp noodig. De Heere bracht de bekeerde Saul van Tarsen in zijn hart, en spoedig ging hij dezen Broeder zoeken om hen bij te staan in dien heerlijken arbeid te Antiochië. Ook vond hij hem. Het was van den Heere. Saul van Tarsen geroepen om den onna-speurlijken rijkdom van Christus onder de heidenen te verkondigen, zal een Heiden-apostel zijn. Als aan de hand bracht Barnabas hem te Antiochië, en een groote schare werd geleerd en tot God bekeerd. He was in die stad dat de volgelingen van Christus het eerst “Christenen” werden genaamd. De scheldnaam was en is steeds gebleven een “eerenaam.” De opstellers van onzen Heidelberger hebben de vraag gedaan: “Waarom wordt gij een Christen genaamd?” Het geloovige kind des Heeren kan en mag daar op antwoorden: “Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzoo Zijner zalving deelachtig ben; opdat ik Zijn naam bekenne, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeere.”

Hoe groot is het onderscheid tusschen hen die slechts naamchristenen zijn en geen christenen in werkelijkheid. Ach, mochten velen in onze donkere tijden het beeld, niet der wereld, maar van Christus vertoonen!

Werden de volgelingen van Jezus door de Joden gehaat en velvolgd, ook keerde zich koning Herodes tegen hen. In Hand. 12 vers 1 lezen wij: “En omtrent denzelven tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te handelen.” Deze Herodes, die den bijnaam van Agrippa had, wilde de Joden behagen en meer aan zich verbinden, en daarom een vervolger der Christenen. Deze Herodes werd vanwege zijn uiterste hoogmoed en verwaandheid, door een engel des Heereen geslagen, Hand. 12:23. Hij had er behagen in om als een god geëerd te worden, maar deze nietige worm werd door de wormen gegeten, en gaf in vreeselijke pijn en stank den geset.

Er is een God Die leeft,
En op aarde vonnis geeft.

Deze vorst doodde Jacobus, den broeder van Johannes, met het zwaard. Toen hij merkte dat dit den Joden behaagde, liet hij ook Petrus gevangen nemen om hem ook spoedig om te brengen. Wonderlijk werd deze Apostel echter uit zijn hand bevrijd. Gedurig werd voor hem door de gemeente des Heeren ernstig gebeden. De Heere verhoorde. Een engel des Heeren deed zijn ketenen van de handen vallen en leidde hem uit de gevangenis. De prooi van dien bloeddorstige was ontkomen, Immanuel was machtiger dan hij, en Gods kerk mocht zich verblijden.

Hij heeft door wond’ren ons bevrijd;
Dies juichen wij, en zijn verblijd.

De Kerk met haar dienaars werd vervolgd, maar niettegenstaande dat alles bouwde de Heere haar en werden de onderdanen van Koning Jezus vermeerderd. Wie zal God Almachtig in Zijn werk kunnen stuiten? Wat zullen nietige stof bewoners vermogen tegen den oneindigen God? Zijn alle volkeren der aarde niet minder dan niet en ijdelheid? Vijanden werden in vrienden veranderd, duivelskinderen in kinderen Gods; onwilligen gewillig gemaakt om zich in oprechtheid voor tijd en eeuwigheid over te geven aan den zaligen dienst van Christus. Waarlijk, Hij heeft een gewillig volk op den dag Zijner heirkracht!

Een zwarte Moorman, een kamerling en een machtig heer van Candace, de koningin der Moor-en, is ook als een verloren schaap door de goede Herder opgezocht. Reisde met bekommering in het hart terug naar zijn vaderland, wordt op weg derwaarts door Filippus onderwezen in het Evangelie, ervaart daarvan de vrij- en blijmakende kracht daarvan door het geloof in Christus Zijn Redder, wordt gedoopt en reist dan zijn weg verder met blijdschap. Kent gij dat ook lezer, uw weg met droefheid en kommer te bewandelen, maar dan ook verlost en verkwikt met vrijheid en blijheid ? Dat is het deel der oprechte vromen. Eenmaal zullen de “dagen hunner treuring voor goed een einde nemen, en zullen ze eeuwige blijdschap verkrijgen.

Hun blijdschap zal dan onbepaald,
Door ‘t licht dat van Zijn aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.

Saul van Tarsen, de vijandige Parizeer, de lasteraar en bloedige vervolger van de slachtschaap-jes Christi, wordt toegeroepen door Gods machtige stem: “Tot hiertoe en niet verder!” Na drie dagen van groote zielsellende, barensweeën der nieuwe of geestelijke geboorte, wordt zijn ziel verlost, bekleedt met de gerechtigheid van Christus en met God verzoend. Nu is het taal zijner ziel: “Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.” Nu is hij met onverbreekbare banden aan Christus, Zijn dienst een volk verbonden. Nu zoekt hij de schapen van Koning Jezus op in Damaskus, niet om ze gebonden te brengen te Jeruzalem en te verwoesten; maar om mee te deelen wat groote dingen de Heere aan hem “de grootste der zon-, daren” gedaan heeft. O, wonder van vrije genade Gods! Eenzijdige en vrijwillige liefde van den Drie-eenigen God!

Saulus wordt nu Paulus. Ik heb het volgende eens gelezen: “Toen de Apostel nog een vervolger der gemeente was, heette hij Saulus, dat betee-kent “verwoester”. Maar toen de Heere hem tot een zoon had gemaakt, om te zijn een dienstknecht in het huis Gods, toen kreeg hij een nieuwen naam en werd “Paulus” geheeten, dat beteekent “kleine.” Dat was de eigenschap die Paulus behield tot aan zijn einde: Klem voor uod:

De Heere heeft hem door Annanias bekend gemaakt, dat hij is een uitverkoren vat, om Zijnen Naam te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen Israels, en dat hij veel zal moeten lijden voor den Naam van Christus.

Nu hij Christus kent en meer wil kennen, liefheeft en verhoogd, gaat hij Hem terstond prediken in de synagogen te Damaskus, dat Hij de Zone Gods is. Dan lezen we in Hand. 9:21: “En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene die te Jeruzalem uitroeide die dezen Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij hen gebonden zou brengen tot de overpriesters ?”

Nu wordt de bloedige vervolger zelf een vervolgde. De vijandige Joden willen hem ombrengen, doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in eene mand. De Heere Jezus maakt hem een gezegend instrument om Zijn koninkrijk uit te breiden onder Joden en Heidenen. Vooral zullen door hem vele heidenen tot God worden bekeerd. Als een ster van de eerste groote zal hij schitteren, en mag met recht de Apostel der Heidenen worden genoemd.

We ontmoeten hem niet alleen spoedig to Jeruzalem, maar ook te Antiochië, de hootstad van Syrië. Eenige discipelen in verstrooing hadden daar het Woord Gods gesproken tot de Joden, terwijl eenige Cyprische en Cyreneische mannen onder de Grieken den Heere Jezus verkondigden. Op die wijze was Christus daar Zijn kerk gaan bouwen. Daar zou het welbehagen des Vaders door Jezus hand gelukkiglijk voortgaan, tot behoudenis van velen. Het gerucht daarvan drong door tot in Jeruzalem, en zond de moederkerk Barnabas die de geloovigen bemoedigde in den weg des Heeren. Een groote schare werd den Heere toegevoegd. Barnabas had hulp noodig en ging uit Saulus te zoeken. Ook vond hij hem en bracht hem te Antiochië. Dat alles was van den Heere. Niets geschiedt er zonder Zijne Voorzienigheid, en wat God heeft beloofd moet vervuld worden. Een geheel jaar vergaderen ze samen onder leiding van Barnabas en Saulus, en een groote schare wordt geleerd. Christus wordt onder hen verhoogd en verheerlijkt, velen door Hem gezaligd.

Spot en hoon blijft niet uit. Die Christus liefhebben en Hem mogen volgen op het smalle pad, zullen vervolgd worden. Verachtelijk noemde men is die stad de volgelingen van Christus “christenen.” Het werd hun eerenaam, die uitdrukte wat ze door genade waren en mochten belijden. Tot heden ten dage nog door hen gedragen. Jammer dat er zoo ontzettend veel naamchristenen zijn, en zoo weinige die waarlijk de zalving van Christus deelachtig zijn.

Profeten stonden daar op onder het volk. Een uit hen met name Agabus, gaf te kennen door den Geest, dat er een groote hongersnood zou zijn over de geheele wereld, die ook daarna gekomen is. Nu kreeg de gemeente des Heeren goede gelegenheid om te betrachten: “Draagt elkanders las-tn en vervult alzoo de wet van Christus.” De mededeelzaamheid werd in liefde betracht.

De gemeente to Antiochië werd zendingskerk. Terwijl profeten leeraars den Heere dienden en vastten, zeide Heilige Geest: “Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe Ik ze geroepen heb.” De Heere roept hem om onder de Heidenen het Woord Gods te verkondigen. Japhet zal in Sems tenten wonen. Het woord tot Paulus gesproken zal nu in vervulling gaan: “Ga heen, want Ik wil u ver onder de Heidenen zenden.”

Onder biddend opzien tot den Heere en oplegging der handen, gaan deze twee dienstknechten Gods uit tot de Heidenwereld. Het was de eerste Zendingsreis van den Apostel Paulus, zoo duidelijk beschreven in de Handelingen der Apostelen. Ze begon in het jaar 45 na Christus. Spoedig scheepten zij af naar het groote eiland Cyprus in de Middelandsche Zee gelegen, waar vele Joden woonachtig waren. Dat eiland was de geboorteplaats van Barnabas.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 1948

The Banner of Truth | 16 Pagina's

KERKGESCHIEDENIS

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 augustus 1948

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken