Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN BRIEF

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN BRIEF

65 minuten leestijd

Kinderdijk, 28 Aug., 1947

Geliefde Vriend en Vriendin:

Het valt mij wel eenigszins moeilijk om uw vragen te beantwoorden, daar ik zelf mijn spraak ben kwijtgeraakt en ook aan de rechterkant lam ben geweest, zoodat it moeilijk kan schrijven, maar met Gods hulp hoop ik er aan te voldoen.

Toen ik negen jaar oud en ziek geweest ben van Roodvonk, kreeg ik indrukken in mijn consciëntie dat er een hemel en een hel was, en dat wij naar den hemel of naar de hel zouden gaan bij den dood. Dan trachtte ik ook wel te bidden, en als ik dan P .... tegenkwam (dat was een levend mensch) dan was het of zij zoo in mijn hart kon kijken en zien hoe het daar gesteld was. Toch niettegenstaande dit alles ging ik op mijn zestiende jaar weer naar een feest. Maar o, nadat ik daaraan meegedaan had, wat een smart heb ik daarvan gehad. Op mijn zeventiende jaar moest ik een zuster verliezen door den dood, en toen kreeg ik te zien dat ik niet beter was dan zij, en dat ik ook kon opgeroepen worden door den dood om voor God te verschijnen zooals ik was. Tot mijn twintigste jaar heeft de Heere veel bemoeienissen met mij gemaakt door vele wederwaardigheden en zware ziekten.

Op mijn een-en-twintigste jaar werd mijn verloofde door den dood weggenomen, en was ik tegenwoordig toen hij op zijn sterfbed mocht getuigen van de hope die in hem was. Daarna had ik weer een ernstig voornemen om beter te gaan leven. Toen ik 22 jaar oud was verloor ik mijn moeder door den dood, en een jaar later ook mijn vader. Dat waren steeds ernstige roepstemmen, maar nu mag ik zien dat het alles niets uitwerkt als de Heere er niet in mede komt. Op mijn vier-en-twintigste jaar ben ik getrouwd, en drie weken later moest mijn man naar het ziekenhuis om geopereerd te worden, waar ik hem weer uit terug mocht ontvangen. Toen ik 26 jaar oud was werden we verblijd met de geboorte van een dochtertje, alwaar wij geheel ons hart op zetten. Op bijne drie-jarige leeftijd moesten we dit kind missen, en in deze zware beproevingsweg kwam de Heere tot mij, en sprak: “Tot hiertoe en niet verder!” Wat een bangen tijd is daarop gevolgd! Wat moest ik den Heere hierin rechtvaardigen, dat dit door mijn eigen zonden was. De benauwdheid die ik hierover gehad heb, is niet te beschrijven. Hierna ben ik een jaar lang aan het ziekbed gebonden geweest vanwege de zielsbenauwdheid en hoe mij steeds al mijn zonden als voor oogen werden gesteld. O, als ik toen eens geslapen had en wakker werd, dan was het voor mij steeds een wonder dat ik mijne oogen niet opsloeg in de hel. Dit alles deed mij veel tot den Heere roepen en zuchten, daar door alles heen de dood mij ook achtervolgde. In dien tijd van benauwdheid las ik in Gods Woord: “Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.” En deze woorden kwamen in mijn hart: “Wiens wan in Zijne hand is en Hij zal Zijn dorschvloer doorzuiveren, en Zijne tarwe in Zijn schuur samenbrengen, maar het kaf met onuitblusschelijk vuur verbranden. Nu stond ik gelijk met dat kaf, en bleef er voor mij niets over dan den dood. Door deze benauwdheid dreef de satan mij zoover dat ik den dood verkoos boven het leven, en dat ik gedreven werd naar het water om het maar te beëindigen. Het behaagde den Heere echter mij hiervan terug te houden, en kwamen met kracht deze woorden in mijn hart: “Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heere.” Ondertusschen was ik 31 jaar oud geworden en in verwachting zijnde, trof mij tien dagen voor de geboorte van het kind een beroerte, waardoor ik in een staat van verlamming kwam en ook mijn spraak kwijt raakte. Dit maakte mijn opname in het ziekenhuis noodzakelijk en waar ik onderzocht zijnde door den dokter, alle hoop werd opgegeven zoo voor mijzelven als voor het kind. De Heere had mij echter hoop gegeven voor mijzelven dat ik weer terug zou mogen keeren, hetwelk dan ook na drie maanden tijds is geschied, en dat met een gezond kind.

In dien tijd nu dat ik in het ziekenhuis lag, had mijn man een ernstige nierziekte. Onder al deze omstandigheden kreeg ik deze werkzaamheden, hoe er voor ieder mensch, zelfs voor de slechtste mogelijkheid was om bekeerd te worden, maar voor mij niet. Hierop kreeg ik den Heere weer aan te roepen, en kwamen met kracht deze woorden tot mij: “Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rookende vlaswiek zal Hij niet uitblusschen; met waarheid zal Hij het recht voorbrengen.” Daarna waren er veel wisselende omstandigheden, zoo in- als uitwendig.

Zoo heb ik een paar jaar doorgebracht en menigmaal achtte ik een dier gelukkiger dan mijzelven. Die had immers geen onsterfelijke ziel te verliezen voor de eeuwigheid. Ook wenschte ik wel dat ik nooit geboren ware geweest, en wel ook om die reden dat in mijn naaste omgeving een oude man van ruim 80 jaar, die wel 40 jaar met Gods volk had verkeerd, zich van het leven had beroofd. Nu gevoelde ik, dat dit ook mijn lot wel eens kon worden zoo de Heere het niet zou verhoeden. Toen werden deze woorden mij toegediend: “Niemand die zijn hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.”

Ook kwam ik in dezen tijd dikwijls onder de influisteringen des satans, hoe hij mij onder vele verzoekingen kwam aan te porren om den Heere te vloeken. Nu mocht ik mijn toevlucht veel zoeken in het gebed, en behaagde het den Heere deze woorden in mijn hart te doen nederdalen: “Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, moeder, vrouw en kinderen, ja zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.”

Zoo was ik dan gekomen tot mijn 34ste levensjaar. Op zekeren tijd werd ik teruggeleid en werd mij voor oogen gesteld, hoe ik mijn leven had doorgebracht van mijn negende jaar af. Ook werd ik geleid in het Paradijs hoe ik daar rechtsgeschapen was in Adam, maar nu een verdoemelijk schepsel geworden. Nu kon ik niet anders dan God rechtvaardigen als Hij mij voor eeuwig zou wegwerpen. Dit werd ook bevestigd door deze woorden: “Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is, in het boek der Wet om dat te doen.” Dit alles bracht mij in de uiterste benauwdheid, zoo zelfs dat ik zocht de handen aan het leven te slaan. (Wat een weldaad dat het Woord Gods ons leert: “Gij die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.”

Toen waren de volgende woorden mij tot troost en sterkte: “Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en Ik zal u op saneren grond vesten.” Dit zal ik niet verder uitbreiden hoe menige dagen en nachten zijn doorgebracht; maar dit moet ik getuigen, hoe Gods bewarende hand over mij was uitgebreid. Nu daalden de woorden met kracht in mjine ziel: “Heb Ik niet gezegd, dat zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zult zien.” En het was mij zoo gelijk er geschreven staat: “Als ik Uw Woord gevonden heb, heb ik het opgegeten.” En ik heb dit mij zoo dierbaar Woord aan mijn hart gedrukt. En de liefde die ik toen in mijn hart gevoelde tot Jezus, is in geen woorden uit te drukken. O, die openbaring van Christus aan mijne ziel! Ik mocht het zoo levendig ervaren, gelijk het geschreven staat: “Mijn Liefste is gelijk een ree of een welp kijkende uit de vensteren, blinkende uit de tralien.” Mijn verlangen strekte zich toen zoo uit, en het was een hongeren en een dorsten naar de gerechtigheid. Toen heb ik in verwondering mogen zingen:

‘t Hijgent hert der jacht ontkomen, enz.

Ik mocht dat vers zoo zingen, daar ik mijn stem voor die oogenblikken terug kreeg; maar toen ik de psalm had uitgezongen, was mijn stem weer weg. Hier heb ik in aanbidding en verwondering bij neergezeten. O, wat was het mij toen alles goed, om zoo in die liefde te leven; Mijn zonden gevoelde ik toen ook niet.

Ik wilde wel alles verlaten, zelfs man en’ kinderen, om Jezus te volgen. Hierop zijn maanden gevolgd waarin ik vele genietingen van ‘s hemels wege mocht ontvangen, en mocht ik veel troost en inspraak in mijn hart gewaar worden. De eene tijd was het: “Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, enz.” Dan weer: “In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen. Ik ga heen om u plaats te bereiden.” En zoo zou ik door kunnen gaan; deze bladzijde zou er mee gevuld kunnen worden.

In dienzelfden tijd mocht ik deel nemen aan het Heilig Avondmaal des Heeren, dat door onzen leeraar bediend werd, en waar ik voor mijzelven bijzonder onder gesteld was. De Zondag daarvoor kwam met kracht in mijn hart: “Al waren uwe zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw.”

In deze toestand heb ik mij echter lang mogen verheugen, daar er hevige benaauwdheden en aanvechtingen op gevolgd zijn, gepaard gaande met schrikkelijke influisteringen van den vorst der duisternis. Nu kwam ik in en toestand waarin ik dacht dat ik de zonde tegen den Heiligen Geest had bedreven, waar ik dagen lang mee geworsteld en getobd heb. Hiermede kreeg ik veel den Troon te bestormen, of het den Heere behagen mocht mij uit deze ellendige toestand te verlossen. En o, wonder van genade! dat de Heere mij weer wilde uithelpen en kwam deze woorden aan mijne ziel toe te passen: “Alle instrument dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen.” Nu werd het voor mij duidelijk dat het niet anders waren dan aanvechtigen des satans, die het op mijn ondergang had toegelegd. Waarde Heere mijne ziel nu lieflijk omhelsd had, kwam ik in een toestand alsof ik nooit geen zonde gekend of gedaan had, en dacht dat mijn ziel nu gered was. In dezen toestand heb ik een tijd mogen doorbrengen; maar daarna werd ik bepaald bij het lijden van Christus, dat ik Hem gekruist had, dat het mijne zonden waren die de nagels door Zijn handen en voeten gedreven hadden, en die doornenkroon op Zijn heilig hoofd gedrukt. In geen drie dagen heb ik toen gegeten of iets kun nen doen vanwege de smarten die ik daarover gevoelde. Nu mocht ik in dien tijd komen onder de bediening van een leeraar, die handelde over deze woorden: “Zie, uw heil komt; zie Zijn loon is met Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Hiermede werd ik bijzonder getroost en opgebeurd; maar nieuwe beproevingen wachtten mij.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1948

The Banner of Truth | 16 Pagina's

EEN BRIEF

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1948

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken