Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN BRIEF

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

EEN BRIEF

9 minuten leestijd

(Vervolg)

In dezen tijd is mijn man ongeveer drie weken ongesteld geweest, waarna hij weer zijn dienst kon verrichten. Daarna kwamen deze woorden tot mij: “En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds.” Dit gaf mij veel werk-zaamheden en veel te overdenken. Opnieuw werd mijn man door een hevige nierziekte aangetast, zoodat er drie maanden dag en nacht bij hem gewaakt moest worden. Hoe ik toen zelf gesteld was, is met geen pen te besehrijven. Nu werd ik er wel bij bepaald dat ik mijn man zou moeten verliezen, hetwelk dan ook kort daarop is geschied. En o, had ik nu maar uit zijn mond mogen hooren, dat” hij schuldenaar voor God was geworden (daar hij wel een geopende consciëntie had en veel Gods Woord onderzocht), maar het heeft den Heere beliefd daar een sluier voor te doen. In den eersten tijd kon ik wel zeggen: dat wat de Heere deed, goed was.

Daar ik nu in een staat van weduwschap verkeerde, mocht ik ondervinden dat het mij aan niets ontbrakt, en werd nu bewaarheid: Uw brood is zeker en uw water gewis.

Eenigen tijd hierna werd mijn zoontje ziek en wel van dien aard, dat hij naar de kliniek in Dordrecht moest, om mangelen geknipt te worden. Hiermede kreeg ik wel eenige tegenspraak in mijn gemoed en het was zooals de dichter klaagde: Daar mijn spotters durven vragen, waar is God Dien gij verwacht? Ook was het in mijn binnenste: Nu eerst je man en dan zal je ook uw kind moeten missen. Ik mocht mijn kind veel aan den Heere opdragen, en in Zijn nederbuigende goedheid kwam Hij mij te vertroosten met deze woorden: “In al hunne benauwdheid is Hij mede benauwd.” Dit gaf zooveel vrede in mijn hart, dat ik geloofde mijn zoontje te mogen behouden. Eenigen tijd daarna was hij dan ook volkomen genezen.

Voor deze gebeurtenis was ik eens in een toestand, dat het mij zeer bang was en was het alsof mij den adem benomen werd, en kreeg ik te gevoelen dat ik nog voor eigen rekening stond. Toen gevoelde ik als het ware wat de hel zou wezen en wat het zou zijn voor eeuwig uit de gemeenschap Gods uitgesloten te zijn.

Door al deze bestrij dingen heen hield de Heere nochtans bemoeienissen met mij en kwam met kracht in mijn hart: “Komt herwaarts tot Mij allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Hierdoor mocht de hoop weer verlevendigd worden, want de Heere is immers een waarmaker van Zijn woord. Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken. Daar ik aldus zekeren tijd had doorgebracht, werd ik zelf op het ziekbed neergelegd en kreeg ik te tobben met mijn been, hetwelk een verstopping van de bloedvaten was. Op dit ziekbed werd ik ingeleid in het lijden van den Heere Jezus. Ik kreeg te zien en te gevoelen, hoe de Heere alles heeft moeten ontberen en dat Hij moest zeggen: “De Zoon des menschen heeft niet waar Hij het hoofd op nederlegge.” Waar ik voor mijn zwak lichaam alles had tot verkwikking en leniging mijner smarten, en dat de Heere in de grootste smarten edik met gal gemengd kreeg te drinken. Wat werd het toen voor mij makkelijk op dit ziekbed, en wat was ik vereenigd met alles wat Hij over mij beschikte. Zijn doen was enkel majesteit, en zoo sprak de Heere tot mijne ziel: “Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” Wat verwekte dat een blijdschap in mijn hart, waar ik drie dagen in heb mogen verkeeren. Maar met recht mocht eens een van Gods volk zeggen: Genoten en zoo weer weg gesloten. Dit kwam ik ook hiermede te ondervinden, daar de satan mij kwelde en wijsmaakte dat ik mijzelven zou kunnen bedriegen. Vooral als ik mijn knieen boog stopte ik zelfs mij de ooren vanwege de godslasterlijke gedachten die hij mij influisterde, zoodat ik met recht kan zeggen: “Zijne listen zijn mij niet onbekend.”

Eenigen tijd nadat ik genezen was, werd ik voor de tweede maal op het ziekbed neergelegd, met hetzelfde been gepaard gaande met hartkrampen. Door al deze lichamelijke eilenden en zielskwellingen kwam ik daarbij nog in zoo’n verlaten toestand, als had de Heere nooit iets aan mij gedaan. Wat een smartelijke toestand is dat! Ik kon toch in de eeuwigheid zijn zonder een Borg voor mijne schuld. Wat ik in dezen tijd heb doorgemaakt is met geen pen te beschrijven. De woorden van den dichter waren de mijne: “De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.” Nu gevoelde ik zoo goed dat ik geen bestaan had voor een rechtvaardig God; de Heere kon met mij geen gemeenschap hebben. Toen was het zoo in deze oogenblikken met kracht in mijne ziel: “Komt, en laat ons samen richten.” Toen werd mij bij vernieuwing mijn zonden en schuld voor oogen gesteld, en het was een schuld die reikte van de aarde tot den hemel; en nu eischte de wet wat ik niet volbrengen kon. Het zwaard van Gods gerechtigheid was boven mijn hoofd, en kon niet anders dan mij nederstorten tot in het diepste der hel. Door dit alles kwam ik in een wanhopige toestand. De Heere kon niet anders met mij handelen, en moest ik zeggen: Uw doen is rein en Uw vonnis gansch rechtvaardig! Nu gevoelde ik als het ware dat ik kwam weg te zinken en moest het ook goed keuren, dat ik voor eeuwig van voor Gods aangezicht zou worden verstooten. Toen ik nu zoo in de uiterste benauwdheid en handenwringend wachte tot de voltrekking van het vonnis, kwamen deze woorden met kracht in mijne ziel: “Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, want Ik heb verzoening voor hem gevonden!” En o, wat een wonder van genade! want nu gevoelde ik mij als met machtige armen opheffen uit deze diepte, en het was mij alsof it uit den dood in het leven gezet was. Wederom waren het met kracht deze woorden: “Ik ben het die uwe overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet meer.” Wat ik hierin nu doorleefde, is onder geen woorden te brengen. Ik kan niet anders zeggen dan, ik was krank van liefde. De krachten van mijn lichaam waren bijna geheel weg. Ook heb ik bijna in het geheel niet gegeten of gedronken. Ik had er ook geen behoefte aan. Het was met mij: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijne rechterhand omhelze mij; en meer zoete inspraken. In deze zielverkwikkende en verbindende tijden heb ik nog acht weken mogen deelen. Alle bestrijders en bespotters waren gevlucht, en mocht ik veel onderzoeken in Gods Woord. Het was mijn spijze dag en nacht. En o, wat een vrede heb ik mogen genieten! Alles sprak tot mij van vrede; vrede was het van binnen, en vrede was het van buiten. In dezen tijd mocht ik veel genieten uit het Hooglied van Salomo. Ook had ik een sterk verlangen om het Heilig Avondmaal te mogen gebruiken, maar het scheen voor mij onmogelijk daar ik ziek te bed lag. De Heere kwam echter deze begeerte zoo te verlevendigen en te versterken, met deze woorden: “Vrees niet, want Ik ben met u; wees niet verbaasd, want Ik ben uw God.”

In deze week kwam er een ouderling op bezoek, en zeide, dat het wel bezwaarlijk zou kunnen zijn, daar ik toch in zulk een lichamelijke toestand geen deel kon nemen aan het Heilig Avondmaal. Maar ik gevoelde zoo de kracht des geloofs, dat ik antwoordde: Ik zal Zondag mede aanzitten aan den Disch. Toen heb ik op den Sabbat bijzondere kracht ontvangen en ik ben opgestaan. Toen ben ik tweemaal ter kerk en des avonds nog op het gezelschap. Op dien dag heb ik veel mogen genieten van de goedertierenheid Gods.

Zoo heb ik dan hiermede in zeer korte trekken aangestipt de weg, die de Heere met mij heeft believen te houden. Zoo ik alles zou moeten beschrijven, een boekdeel zou er mede gevuld zijn. Dit moet ik echter zeggen, dat licht en donker elkander afwisselen, en dat mijn weg veel door de diepte is gegaan. Maar als de Heere weer eens tot de ziele spreekt, is er zooveel zoetigheid en vrede in mijn hart, en kan ik wel zeggen: Het is maar een verdrukking van tien dagen. Eenmaal toch zal de Heere alle tranen van de oogen afwisschen, en zal het eeuwig zijn: Gij Heere hebt ons Gode gekocht met Uw dierbaar bloed, daarom zijt Gij waardig te ontvangen alle lof, eer en aanbidding, van nu aan en tot in alle eeuwigheid.

Maar nu heb ik mijnerzijds een en ander u meegedeeld, maar hoe staat het nu met u?

Gaat het alles goed bij jullie, ook met de kinderen? Hier in Nederland staat het er zeer siecht voor. Doordat er geen regen is gevallen, is de oogst grootendeels mislukt. Het gras wil niet groeien, zoodat de boeren geen eten hebben voor de koeien, en er dus ook weinig melk en boter is. Wij maken het naar het lichaam tamelijk goed, hoewel mijn hart zeer zwak is.

De vorige week heeft Ds. Fraanje te Alblasserdam het H. Avondmaal bediend, en ben ik ook den geheelen dag naar Oud. B. geweest. Ik heb gelezen dat Ds. L. in het ziekenhuis is opgenomen. Hoe gaat het met hem? Doe hem ook van mij de hartelijke groete, evenals u en aan alle kinderen Gods.

Ik ga nu maar eindigen, hopende van u spoedig iets te hooren. Alle nogmaals de hartelijke groeten van mij en mijn zoon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1948

The Banner of Truth | 16 Pagina's

EEN BRIEF

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1948

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken