Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

TWEE BRIEVEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

TWEE BRIEVEN

7 minuten leestijd

Goes, 26 Maart,1949

Zeer geachte Neef en Broeder!

Door ‘s Heeren ontfermende goedheid mag ik u melden, dat wij samen nog in redelijken welstand mogen verkeeren. We hopen dat u deze letteren ook in welstand moogt ontvangen.

De Heere zorgt en heeft alle harten in Zijn hand. Ik mocht het deze dagen zoo kennelijk ondervinden dat de Heere een waarmaker is van Zijn Woord, dat Hij tot in den ouderdom en de grijzigheid Dezelfde zal zijn. Zie ik op mijn afmaken, dan moet schaamte mijn aangezicht bedekken, en zou de Heere Zich rechtvaardig kunnen onttrekken, en hadden wij niet met een onveranderlijk God te doen, het was nog eeuwig kwijt. Tot troost van de kerk kan nu ook de Apostel getuigen, dat Christus van zooveel beter verbond Borg en Hoofd is geworden. Het eerste verbond kon verbroken worden, het tweede verbond blijft eeuwig vast. Doch het is hier het land der ruste niet. Dat moet Ds. Fraanje ook ervaren. Het ziekenhuis is echter voor hem een wijnhuis; doch de vijand laat ook niet los en zal het ook nooit doen, zoolang er nog een uitverkorene hier zal gevonden worden.

Door ziekte van mijn medebroeder moest ik drie Zondagen nog driemaal voorgaan. De Heere liet Zich niet onbetuigd, en mocht het blijmoedig doen evenals 25 jaar terug.

Deze week was ik nog te Yerseke, om een zuster van Ds. Fraanje zijn vrouw te helpen begraven. Zij mocht niet zonder hope heengaan.

O mijn geliefde Neef, wat zal het eens zijn de zonde te boven te zijn; om zonder zonde en zonder vrees Hem te mogen aanschouwen, Die ons kocht met Zijn dierbaar bloed!

In de natuur hebben wij hier eenige dagen zomer, ook geen ijs of sneeuw gehad, zoodat het meer op Mei gelijkt.

En hiermede wil ik eindigen. Ds. Lamain moet ik ook nog schrjiven. Ontvangt onze hartelijke groete, ook Sion in banden.

Uw liefhebbende Oom en dochter.

—Joh. Van Zweden

Rijssen, 18 Januari, 1934.

Gel. Zielsbetrekkingen!

Uit de kerk komende, zetten wij ons neer om u te schrijven. Zeer onbekwaam, mocht Jehova ons bestieren tot Zijn eer en tot elkanders stichting en opbouwing in het dierbaren geloof des Zoons Gods.

Wat een tijd beleven we en waar staan we voor? O, gel., licht maakt openbaar. Wij kunnen dat lieve Licht geen oogenblik missen. De Heere geve ons dag en nacht te schreeuwen om Zijn Geest. O, Die onmisbaren God den Heiligen Geest! Wat is Hij verre, zeer verre van ons geweken ! Wij hebben den Heiligen Geest smarten aangedaan, daarom is Hij ons in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen ons gestreden en zouden wij dan niet verslagen worden voor het aangezicht onzer vijanden? O, lieve volk, o lieve knechtjes, onze zonden, wij hebben God op ‘t hoogst misdaan, wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan. Ach, die bitterheid der zonde; ach, die zielepijn! is er een smarte gelijk mijn smarte? Ach, rechtvaardige Heere, Uw oordeelen zijn waarachtig en getrouw. O, die deugd van Gods rechtvaarddigheid; hoort de roede en wie ze besteld heeft. Laat u tuchtigen, o Jeruzalem, opdat gij behouden wordt.

O, dierbare Heere Jezus. Uw duurgekochte bruid; kom lieve Goël! O, Bloedbruidegom; o Hoofd; O Man; o laat, o laat de kracht van Uw dierbare voorbede bij Uwen Vader nog eens verklaard en geopenbaard worden, in de harten van Uw afgeweken, afhoereerende bruid, opdat ze gezamenlijk met den verloren zoon, mag opstaan en tot hun Vader gaan en zeggen: “Vader, Ik heb gezondigd tegen den hemel en voor U, en ik ben niet meer waardig uw zoon, uw kind, genaamd te worden.” Opdat U, o lieve Vader, aan Uw eere moge komen. Heere, waar is uw eer? En opdat de kracht, de waardij en de onmisbaarheid en de noodzakelijkheid van dat dierbare Borgbloed en Zijn Persoon, Zijn gave en genade weer op Zijn plaats komen. Het lichaam moet door het Hoofd gezegend worden, en alles hangt van het Hoofd af. Ja dan zal er eerst plaats komen voor Dien Geest, Zijn Persoon, werk en inwoning. Ai, laat van mij Uw Geest niet scheiden, Die kan alleen op ‘t rechte spoor mij leiden.

Uw brief deed mij uitdrijven tot den genadetroon. Dat wij veel om ontdekkend genadelicht mogen vragen, om van alle schepsel af te zien. Bij nietige menschen is geen heil. Het Heil is des Heeren! Vraag naar den Heere en Zijne sterkte. De Heere Jezus gaf de gelijkenis daartoe strekkende, dat men altijd moet bidden en niet vertragen. Wie zijn de beste schooiers? Wie houden het sterkst aan? Wie bedelen tot schamens toe? Waar het nood is! De Heere binde ons de nood op.

Wij zijn bij vrouw S. geweest met broer Jan, Dieka E. en anderen. Veel opening was er, zoet ingeleid voor eigen ziel. Hoe de Apostel getuigd: “Ik sterf alle dagen.” Hij betuigde dat bij onzen roem in Christus Jezus. Gedurig onze harten mogen ontlasten. Ik kon God niets ongerijmds toeschrijven. En zoo bekommerd om vele zaken, heb ik een aanbiddelijke nacht gehad. O, ik wist niet wat mij overkwam. Eerst gemeenschap der heiligen, met de ontslapen ziel van oude Dieka. O, zoo zoet en zoo wonderlijk! O, die reine en verheerlijkte ziel! O, die zoete gemeenschap en die afdrukken der heerlijkheid op onze eigene ziel; kan er geen woorden voor vinden. Daarna moesten we terug naar de aarde. Nu toonde ons de Heere den weg dien wij te bewandelen hadden. Dit was een wonderlijke weg. Dit was de tweede maal in ons leven dat we den weg gezien hebben; wel met groot verschil, nu was de weg voor mij zeer opgekort. Eerst was het in onze jeugd, toen geen einde van den weg gezien, nu wel. O, wat was onze ziel goedsmoeds! We kwamen toch uit het gezelschap der gezaligden nu. O, dat kinderlijk vreezen! We zagen op den weg een donkere schaduw, maar de Heere vatte mij bij de hand, en gingen stilletjes voort. Dit heeft mij in afhankelijkheid van de leiding des Heeren om bewaring doen zuchten. Daar kwam satan op mij af, niet als een brieschende leeuw, maar vleiende gelijk bij de Zone Gods, Dien dierbaren Zoenborg Zijns volks. Als ge maar nedervalt en mij aanbidt, zegt de duivel in zulk een voege. O, zoo vleiend zocht hij mij te overwinnen, maar de Heere der heeren deed mij triumpheeren. Hij is geducht in macht. In Zijn kracht mocht ik zeggen: “Wel ondier, gaat weg!” En terstond verdween hij. En hoe was het eind van mijn weg? Hoe het er uitzag? O, geliefden, een wijd geopende poort; dit is, dit is de poort des Heeren, daar zal ‘t rechtvaardig volk door treen. O, ik zag in het volle licht! O, door ‘t licht dat van Zijn aangezicht straalt. Ik ontwaakte, zeer verwonderd, gesterkt. Het heeft ons veel te zeggen. Niet voor niemendal toonde mij de Heere dat. ‘t Zal te pas komen. Zondag aangenaam nog in de vrucht.

Ook bij B. geweest. De Heere leidde mij terug. O, welk een vrede heerschte in mijne ziel; o, dat diepe buigen!

Met de ouderlingen zoo aangenaam huisbezoek gehad.

We leggen onze pen op zij, we kunnen haast niet eindigen, de gemeenschap is zoo sterk.

U zeer liefhebbende zus in den Heere,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1949

The Banner of Truth | 16 Pagina's

TWEE BRIEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1949

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken