Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

OPRECHTHEID

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

OPRECHTHEID

7 minuten leestijd

Oprechtheid is een schoone en heerlijke deugd. Adam was er mede versierd in den staat der rechtheid. Was hij niet beelddrager Gods? Hoe kon hij dan iets hebben dat in strijd is met oprechtheid, dat in strijd is met Gods heiligheid en rechtvaardigheid! Die oprechtheid was uit God, door God en tot God. Paulus zegt terecht tot eere van den Souvereinen en goeden God: “Uit Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.”

Toen Adam tegen God zondigde en God verliet, werd hij beelddrager des duivels. Dat beeld openbaart zich in allerlei goddeloosheden, ook in geveinsdheid of huichelarij. Het beeld Gods is enkel heiligheid en gerechtigheid; het beeld des duivels enkel onreinheid en ongerechtigheid. Naarmate dat God den mensch zijn beteugelende genade onttrekt en hem aan zichzelf overlaat, openbaart een gevallen Adam het beeld des satans. Hoe openbaarde zich de godsdienstig geworden Simon de toovenaar en wat sprak Petrus tot hem? “Ik zie, dat gij zijt in eene gansch bittere gal en samenknooping der ongerechtigheid.”

Nu mag de natuurlijke mensch in de algemeene genade Gods, eenige uitwendige oprechtheid en eerlijkheid openbaren, maar zijn hart is ledig van de ware oprechtheid. Die oprechtheid zetelt in het hart des menschen, is vrucht van den H. Geest en souvereine genade verheerlijkt aan den zondaar, en dat naar Gods eeuwig welbehagen op grond van Christus zoenverdiensten. Krijgt den uitverkoren zondaar Gods beeld terug in de wedergeboorte, hij bezit de oprechtheid des harten en zal die min of meer openbaren naar buiten. Dat licht kan niet verborgen blijven. Zonder Gods Geest in het hart en de ware oprechtheid als vrucht daarvan, mag een mensch zich veinzen oprecht te zijn tegenover God en menschen, maar die schijnbare oprechtheid is veinzerij en vrucht van den geest des satans en den ouden mensch der zonde. We denken hier om den hoogepriester Kajafas toen hij zijn hoogepriester lijk kleed scheurde nadat Jezus de goede belijdenis had beleden, om Judas, Ananias, Saffira, en anderen.

Toen Nathaniel Gods Geest ontving en werd tot God bekeerd, getuigde Christus van hem: “Zie, waarlijk een Israeliet, in welke geen bedrog is.” In den nieuwen mensch des harten, in dat zuivere werk des H. Geestes, is geen bedrog. Dat is uit God en kan niet zondigen. Kan dan het kind des Heeren de oprechtheid des harten bezittend, niet meer zondigen door onoprechtheid, door oneerlijkheid, enz.? Helaas ja! Door satan en den ouden mensch der zonde beinvloed en overrompeld, kan er bij het in zichzelf zwakke, dwaze en zondige kind des Heeren, veinzerij of onoprechtheid zijn. We denken om David in het land der Filistijnen, om Petrus daarover door Paulus gestraft; ook om de zwakke en bevreesde Petrus, die Jezus driemaal verloochende in strijd met de oprechtheid door God in zijne ziel gebracht. Hoe spoedig openbaarde de oprechtheid der ziel zich, toen hij zich voor God moest aanklagen, zichzelf veroordeelen, en hij bitterlijk weende. Gaat het zoo niet met al, de door God oprecht gemaakte kinderen Gods? Moeten ze niet gedurig, door genade Gods zichzelf ziende in de hemelsche spiegel, de zonde van onoprechtheid of veinzerij veroordeelen en betreuren? Hoe onvolmaakt in de uitoefening der oprechtheid tegenover God en menschen. Hoe gering is ook dat stuk der heiligmaking. Ze schrikken wel van zich zelf als ze zich in het licht bezien en vergelijking maken tusschen zich in dezen en Christus het volmaakte voorbeeld. Die was en bleef ten allen tijde volmaakt oprecht, en kon vragen: “Wie van u overtuigt Mij van zonde?” O, gelukkige ziel geborgen in Christus door het geloof, bekleedt met Zijn volmaakte gerechtigheid; die zal troost en blijdschap genieten in alle droefheid en smart over de zonde en deszelfs onzalige gevolgen.

Oprechtheid wijst ons op zuiverheid en reinheid des harten, en dat in bedoelingen en handelingen. Welgemeend en zonder geveinsdheid noch argelistigheid te zijn in gedachten, woorden en werken. Niet dubbelhartig maar eenvoudig van hart en wandel te zijn. Dus geen tweeërlei gedaante te vertoonen, en niet tweemondig te zijn. David vertoont die in hun ware gedaante, zeggende in Psalm 5:10: “In hunnen mond is niets rechts; hun binnenste is enkel verderving; hunne keel is een open graf; met hunne tong vleien zij.” En moest die Godsman getuigen in Psalm 12: “Behoud, o HEERE! want de goedertierene ontbreekt; want de getrouwen zijn weinig geworden onder de menschen kinderen. Zij spreken valschheid, een ieder met zijnen naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.”

Welzalig dan zijn de eenvoudigen, die zal God bewaren, Psalm 116. En: “Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan,” Psalm 119:1.

Die oprchten hebben waarheid in hun binnenste, waarin God een behagen heeft, Psalm 51. De oprechten wandelen in de waarheid en hebben lust in alle waarheid, en zullen, door de genade Gods, de waarheid belijden al is het tot hun uitwendige schade en verwerping. Ze krijgen gelijkvormigheid aan Christus hun verheerlijkt Hoofd.

Oprechtheid en waarheid worden wel saamgevoegd in de H. Schrift. Zoo vermaant Paulus tot oprechtheid en waarheid in het vieren van het H. Avondmaal des Heeren, zeggende 1 Kor. 5:8: “Zoo laat ons dan feest houden, niet in den ouden zuur-deesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der waarheid.”

Is Oprechtheid een inwoner der ziel door den H. Geest der waarheid geschonken, die oprechtheid openbaart zich omtrent God en menschen.

De oprechte is van binnen en van buiten, in hart en wandel oprecht voor het aangezicht des Heeren. Zoo kon Petrus getuigen: “Heere, Gij weet alle dingen; Gij weet dat ik U liefheb.” In oprechtheid belijden ze hun zonden voor God tegen Wien ze zijn bedreven, gelijk David belijdt in Psalm 32. In oprechtheid kiezen ze den Heere en Zijnen dienst. In oprechtheid komen ze in bediening des Geestes en der genade, tot Christus. Ze verloochenen alles als grond buiten Hem, en laten zich door Hem zaligen in hun diepe ellende en verlorenheid ingezet. O, hoe blijde zijn zulke zielen met een geopenbaarde Jezus aan en in hunne schuldige ziel, maar nog blijder met een toegepaste en omhelsde Jezus.

God heeft ze oprecht gemaakt omtrent zichzelf als mensch, die een onsterfelijke ziel omdraagt en Gode verantwoordelijk is. Hoor eens zulk een oprechte uitroepen:

O mijn ziel, doorziet ge uw lot?

Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?

De oprechte wil zich liever duizend maal onderzoeken, dan eens bedrogen uitkomen. Hij is het bangste van zijn eigen hart, waarvan hij weet dat het arglistig, ja doodelijk is. Jer. 9.

De oprechte leert of wordt geleerd oprecht te zijn aangaande zijn medemensch. Hoeveel oprechte gebeden en smeekingen, vermaningen en onderwijzingen, waarschuwingen, die helaas! maar teveel worden veracht en verworpen. Wat was Paulus een oprecht en liefderijk herder en leeraar.

Deze oprechten zijn den Heere welbehagelijk. De wijze Salomo zegt ons: “De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.”

Hoe onvolmaakt en gebrekkig is echter elke oprecht gemaakte ziel, in het heilige stuk der oprechtheid, zooals reeds aangemerkt. Dan moeten ze nog al eens over zichzelf klagen, en wordt het hun bede als bij David: “Laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden; want ik verwacht U.”

Hoeveel valt van de “oprechthied” nog te zeggen, maar we willen maar een beknopte beschrijving geven. De Heere geve, dat velen oprecht worden gemaakt door Gods Geest, en dat des Heeren kinderen meer in alle oprechtheid en waarheid en trouw mogen wandelen voor het aangezicht van God en menschen. Hoe groot is de breuk! Mochten we ze kennen en kunnen beweenen. De Heere spreekt nog als tot Abraham: “Wandelt voor Mijn aangezicht en zijt oprecht.”

Heerlijke belofte voor dat oprecht gemaakte volk: “Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vroolijkheid voor de oprechten van harte,” Psalm 97:11. “Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn,” Psalm 37:37.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1952

The Banner of Truth | 16 Pagina's

OPRECHTHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1952

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken