Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

SCHIJN EN WEZEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

SCHIJN EN WEZEN

8 minuten leestijd

Lukas 18 vers 10: “Twee menschen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Fari-zeër en de ander een tollenaar.”

WIJ maken in het begin van het nieuwe jaar kennis met twee mensehen, die beiden zijn schepselen Gods, gelijk wij allen. Die beiden naar Gods beeld zijn geschapen, en ook beiden in Adam verdoemelijk voor God liggen. En beiden waren ze geschapen voor de eeuwigheid. En toch was er een tegenstelling, Een tegenstelling als tusschen hemel en hel. God trekt de scheidslijn, naar Zijn eeuwig besluit, tot verheerlijking van Zijn deugden. Eeuwig wonder een tegenstelling, ook in het begin van het jaar 1953. Op welke grond? Dat wij zoo bidden en werken? Neen, alleen op grond van de eeuwige souvereine genade Gods.

Wij leven in dagen, dat de Heere staat op de dorpel, om ons te verlaten. Maar alles leeft nog, de Farizeër is nog niet gestorven, en wonder te midden van het oordeel wij mogen wel eens geloven dat gelukkig de tollenaar ook nog leeft.

Twee menschen gaan op naar den tempel, om te bidden. De een is een Farizeër, en de ander een tollenaar. De Farizeër is een mensch die er zijn kan. Ziet, daar gaat hij, en met eerbied wordt hij door het volk begroet en nagestaard. Een deftig gewaad golft om zijn leden, en zijn gebedsriemen, die hij draagt, zijn breed. In volle bewustheid van zijn vroomheid gaat hij de tempel binnen. Hij kent de wet des Heeren, en hij leeft naar Gods wet. Ja, het blijkt straks uit zijn gebed, dat hij zelfs nog meer doet dan dat hij verplicht is. Hij komt daar als het ware zich aan God te laten zien. Hij is een rijke. Och arme, hij gaat naar het huis van Hem, die alleen armen met goederen wil vervullen, maar rijken ledig zal wegzenden. Hij is het voorbeeld van U uitwendig vroom mensch, die het jaar is binnen gegaan als een voorstander van de oude waarheid, maar die nog nooit een verloren zondaar voor God is geworden. Maar een mensch, die nog nooit een verloren zondaar voor God geworden is, en nooit een gebed in waarheid gedaan heeft. Nu bemerkt gij toch wel, dat deze mensch nog leeft. Wij leven in dagen dat de Farizeër een goede tijd heeft, vroom in eigen oog. Hebben hun mond vol over de waarheid, zoo aangenaam, zoo gevoelig, en vol van gemoedelijkheid. En toch arm dwaas schepsel, die nog nooit een oog gehad heeft voor de breuk die wij geslagen hebben in het paradijs, gij raast met al uw gosdienst. Gij weet niet wie God is, en wat gij zelf zijt. Ik wil u eerlijk behandelen lezer met uitwendige godsdienst, wie met de gestalte van de Farizeër gaat bidden, moge het eens begrijpen, dat zijn gebed een gruwel voor God is. O, wat kan schijn vérgaan. Zelfs door Godsknechten de handen opgelegt, en nooit waarlijk een kruiper voor God geworden. Wat een verschil, schijn en wezen.

De ander was een tollenaar. Een tollenaar was een verachte. Hij heeft zich in dienst gesteld van de vijand, Tollenaars en zondaars behooren bij elkander.

De Farizeër ergert zich als hij de tollenaar ziet komen. Men moest zulke goddeloozen eigenlijk uit de tempel kunnen sturen. Als het wel was moet er boven de ingang van de tempel staan geschreven: “Verboden voor tollenaren.” Dit is de gedachte van de Farizeër, maar ook de gedachte van den tollenaar. Want voor deze man is het een eeuwig wonder, dat hij nog in de tempel mag opgaan. O, hij weet het hij is doemwaardig. Het is voor hem zoo een groot wonder, dat de deuren van het Godshuis nog openstaan, voor zulk een mensch als hij is.

Mag ik een vraag doen? Zijn er nog van zulke zuchters? Zijn er nog van zulke tobbers onder onze lezers, die daar bevindelijk kennis aan hebben?

Een tollenaar is toch het beeld van de ontdekte zondaar, die met zijn zonde en schuld beladen voor den Heere staat. Wie door den Heilige Geest aan zijn zonde ontdekt wordt, ziet dat hij een verachte is. Ziet, dat hij in vijandsdienst is, de duivel toegevallen. Hij heeft kennis aan zijn ellende. Vergeet toch niet, dat dit noodzakelijk is, kennis van onze ellende. Nooit anders gedaan, dan de wil van de vorst der duisternis. Hij staat van verre. Zie daar een eigenschap van het waarachtige genade leven. Tegenwoordig rennen ze vooraan, zonder ellende kennis, zonder Christuskennis naar het Avondmaal. Maar de tollenaar stond er buiten. Och mochten wij er nog eens buiten gezet worden, er was nog mogelijkheid voor ons. Want wonder van genade, zulke zielen die daar voor het recht Gods moeten in vallen, en er buiten gezet worden, tot de zulke komt de Heere Jezus over op grond van gerechtigheid, bij deze wil Hij wonen.

Twee menschen gaan op naar den tempel om te bidden. Deze twee menschen gaan ook op in de zelfde persoon. Verstaat gij iets van dat Gods geheim? In het kind Gods is iets van de tollenaar en van de Farizeër. Hij werd door genade een tweemensch. Het vrome vleesch vertoont iets van de eigenschap van den man, die zich zelf vertrouwt, dat hij rechtvaardig is en een ander niets acht.

O, dat vrome vleesch wil de grond zoeken van zaligheid in allerlei, waarin het niet gelegen is. Och mocht de Heere ons ontdekking geven in deze zaak. Dit is geen gemoedelijkheid, maar zakelijkheid. Gronden in zijn bidden, och wat kunnen wij soms mooi en lang bidden, er wordt zelfs over gesproken, en dan onze tranen niet te vergeten. Hij wil vroom, hij wil een Gode aangenaam mensch wezen, hij wil bekeerd zijn, en hij heeft de naam van bekeerde man of vrouw. Maar hoor eens, de tollenaar wil onbekeerd zijn. Och mochten wij in dit jaar eens volk van God, er levendig naar staan, dat wij van bekeerd onbekeerd mochten worden.

Zij gaan op om te bidden. De Farizeër begint God te danken, niet voor wat de Heere is, maar voor wat hij zelf is. Hij is blij, dat hij beter is dan andere menschen. Gods volk leert het wel anders. En toch weten wij het nog niet genoeg volk van God. De ontdekking is noodzakelijk. Anders gaat de Farizeër praten, en wij zijn het nieuwe jaar binnen gereden op het paard van onze bekeering, of rechtvaardigmaking. Och, dat gij er eens af mocht vallen.

God is de eerste in het leven van Gods volk, als dat niet waar was, dan hadden wij in de doodstaat blijven liggen. Als wij op onze plaats zijn, moeten wij vol van bewondering belijden: “Heere, waarom op mij gemunt?” Maar dat is een groot wonder, als de ziel eens waarlijk op zijn plaats is.

De Farizeër zegt wat hij niet is en wel doet, hij vast tweemaal per week, en geeft tienden van alles wat hij bezit.

De tollenaar, de ware bidder zegt, wat hij wel is, en niet doet. Wie door genade naar binnen mag kijken, moet het belijden dat hij een zondaar is. De tollenaar gevoelt zich een zondaar bij uit-nemenendheid. En dat slaat alle pleiten op eigen verdiensten weg. Mocht dat de zegen zijn, volk van God in het nieuwe jaar. Hier kan alleen gepleit worden op de verdiensten van Christus. Wonder dan is een zucht in waarheid genoeg. Bij de Farizeër een woorden spel, bij den tollenaar: “O God, wees mij zondaar genadig.” De ontdekte ziel krijgt het woord. O, Ai, en och te verstaan. Enkel in Christus heeft de tollenaar verhooring ontvangen. Met het gebed van de Farizeër gaan wij naar den hel. Met de tollenaar, denken wij naar de hel te gaan, en gaan naar de hemel.

Onbekeerden, jong en oud, bidden wij als een Farizeër of als een tollenaar? Het is nog het heden der genade, och dat gij een tollenaar mocht worden, het is nog de tijd van het heden. Men kon de Heere Jezus zien in gezelschap van tollenaren. En nog wil Hij allen, die waarlijk tollenaar worden, genadig zijn. Als wij met eigen verdiensten vooraan staan, O dat gij huichelaars ontdekt mocht worden. Een schijngebed kan God niet behagen. Maar zuchtende ziel, met een tollenaarsbede is er hoop. De tollenaar werd veracht. Wordt in deze tijd, dat arme volk, dat maar niets anders kan in zich zelf dan zuchten om een zucht ook niet veracht? O volk, in al uw druk, dat gij maar veel mocht ervaren: “Geen meerder goed, Heere, Gij mij geven meugt, dan dat Gij mij vernedert en maakt kleine.”

De bede van de oude rijm verstond de tollenaar.
Arme Farizeër. Rijke tollenaar. Schijn en wezen.
Zalig wie als goddelooze voor God verschijnt. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

The Banner of Truth | 16 Pagina's

SCHIJN EN WEZEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1953

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken