Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HERINNERINGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HERINNERINGEN

7 minuten leestijd

Ede, 29 Augustus 1922.

Er staat in Ps. 107 zeer nadrukkelijk: “Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op groote wateren, die zien de werken des Heeren, en Zijne wonderwerken in de diepte. Als Hij spreekt, doet Hij een stormwind opstaan die hare golven omhoog verheft, zij rijzen op naar de Hemel, zij dalen neder in de afgronden. Hare ziel versmelt van angst. Zij dansen en waggelen als een dronken man en al haar wijsheid wordt verslonden.

Doch, roepende tot de Heere in de benauwdheid die ze hadden, verloste Hij ze uit hare angsten.”

Er wordt in deze Psalm gesproken over de zee, een schip en menschen, die er op varen.

Het is duidelijk dat met het schip Gods Kerk bedoeld wordt. Immers wordt menigmaal de Kerk bij een schip vergeleken.

En de zee waarin het schip vaart, met haar golven en baren, is de groote wereld met hare Keizers, Koningen, overheden, machten en alle volkeren die er zijn.

Hoe menigmaal is door alle eeuwen heen de Kerk niet verdrukt door de wereld der volkeren of de volken der wereld, met al haar tyrannen, die zochten de leden der Kerk van Christus uit teroeien.

In het bijzonder zouden wij hierdoor kunnen verstaan, de Apostelen, Leeraars of Predikers die, van God geroepen en gezonden, de wereld met hun scheepje bevaren en overal het Evangelie verkondigen. Want, zeer opmerkelijk lezen wij in vers 23: “Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op groote wateren enz.” We mogen dus met recht de Apostelen en Leeraars in Gods Kerk beschouwen als handelaars, werkzaam in Gods Kerk, die menigmaal in gevaar zijn en geslingerd worden door golven van verdrukking en allerlei zwarigheden, die zij (met al Gods volk) op aarde ontmoeten.

Soms echter kan het gebeuren dat een kind van God met een golf van genieting in zijn scheepje, zoo hoog opgeworpen wordt, dat hij een oogenblik als boven het stof verkeert.

In zoo’n oogenblik zou hij haast vergeten, dat hij nog met zijn scheepje op de zee is en dat er weer eens storm en onweer komen zal.

O, als ze een oogenblik verwaardigd worden, door het geloof een blik te slaan in de eeuwige Liefde Gods, dan zinken ze weg in verwondering en aanbidding. Ja, dan waggelen ze als een dronken man, want al hun wijsheid wordt daar verslonden. Maar het kan ook gebeuren, dat ze door wind en golven zoo diep in een afgrond zinken dat ze denken nooit meer boven te komen. Want als ze dalen tot in de afgronden, daarin is opgesloten dat ze kennis maken met de gedrochten die zich in de zee en op de bodem der zee bevinden — waardoor hare ziel versmelt van angst.

Ze rijzen dus in hun scheepje niet alleen naar boven en verkrijgen Godskennis, doch ze dalen ook af naar de diepte en leeren er zelfkennis. Daar worden ze de gedrochten des harten gewaar, de goddeloosheid van eigen aard en natuur wordt hun ontdekt. O, dan wordt al hun wijsheid verslonden! Daar leeren ze de ongedoode zonden kennen, die ze tot hun smart en last blijven omdragen, zoolang ze met hun scheepje deze zee bevaren. Maar . . . dan staat er ook: “Doch roepende tot de Heere in de benauwdheid die ze hadden, verloste Hij ze uit hare angsten.” Let wel, ze werden niet verlost uit hunne weelde, maar uit hunne angsten.

Let nu eens op het verband tusschen deze Psalm en het Nieuwe Testament. Opmerkelijk lezen wij in Matth. 14, dat de Heere Jezus de schare spijzigde met vijf brooden en twee visschen. En nadat Hij dit had gedaan ging Jezus alleen op de berg om te bidden.

De discipelen gingen niet met Hem mee, want er staat nadrukkilejki: “Hij ging alleen.” Jezus bad daar in de nacht alleen tot Zijn Vader, daar waren geen discipelen bij noodig. Waar bleven ze dan?

Bij de groote schare, die Jezus zoo juist had verlaten? Neen — ook daar hoorden ze niet bij!

Op de berg waren ze dus niet, want daar hoorden ze niet — Jezus was alleen Voorbidder voor de Zijnen, zonder hulp van discipelen.

En bij de groote schare waren ze ook niet, waar waren ze dan toch gebleven? O, ze waren naar hun oude ambacht teruggekeerd, ze voeren in een scheepje op het water, want: ze waren visschers!

Het was dus geen vreemd werk voor hen.

Men zou zeggen: Dat is toch zeker nogal gemakkelijk voor hen geweest, want dat hadden ze hun leven lang reeds gedaan!

Maar, wat lezen we?

Dat ze zich zeer pijnigden, want de wind was hun tegen!

En ze waren midden op de zee en dat in de nacht!

‘t Zou wel gegaan zijn als ze onder de wal hadden kunnen varen, of geheel stil hadden kunnen blijven liggen. Maar: ze moesten naar de andere zijde.

Dus moesten ze dwars door alles heen, door wind en baren en allerlei gevaren. En wat was voor hen nog het allerergste? Ze hadden de Heere Jezus niet aan boord.

Toen hebben ze nog drie nachtwaken gebrobeerd het scheepje zonder Jezus aan wal te krijgen en pijnigden zich om het zonder de Meester in de haven te brengen!

Men zou zeggen: Wat zullen die mannen blij geweest zijn toen Jezus kwam!

Maar wat lezen we?

“En in de vierde nachtwake kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. En de discipelen ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: ‘Het is een spooksel’! En zij schreeuwden van vrees.”

Ze kenden Hem dus niet, eer dat ze Zijn stem gehoord hadden en Hij Zelf tot hen zeide: “Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet!”

Zoo gaat het ook vaak in een mensch zijn leven. ‘t Is soms niet te zeggen hoe een ziel die van God aangeslagen is, alle mogelijke moeite doet en zich op alle manieren pijnigt om zijn scheepje zonder de Middelaar in behouden haven te brengen.

Drie nachtwaken, dus het grootste gedeelte van de nacht, hadden ze ‘t volgehouden!

Maar . . . toen kwam Hij zelf en zagen ze hun dwaasheid. En “na dezen zullen ze het verstaan” en ook verblijd zijn dat ‘t hen nooit gelukt is het zonder Hem te kunnen doen.

Dan zijn ze verblijd, dat Hij de storm gestild heeft en Hij hun in de haven hunner begeerte geleid heeft!

Ps. 107.

Barneveld, Augustus 1922.

Gods kinderen zijn van eeuwigheid voorwerpen van de verkiezende liefde. In de tijd worden zij onderwerpen van de opzoekende liefde. Gezocht en gevonden zijnde worden zij onderwerpen van de trekkende liefde, om zoo door de trekkende liefde onderwerpen gemaakt te worden der verlossende Liefde.

Daarna, worden en blijven ze, zoolang ze op de wereld zijn onderwerpen van Gods bedienende Liefde. Om dan, als ze eenmaal dit leven hebben verlaten, nooit meer onderwerpen — doch eeuwig — voorwerpen van de verheerlijkende liefde te wezen.

Daar zal de Middelaar geen werk meer aan hen hebben en zij behoeven niet meer te zondigen.

Barneveld, 1 September 1922.

Wat is er vreeselijker dan de Zonde? — Ze bracht Gods Zoon aan ‘t kruis en ze brengt de zondaar in de hel!

De zonde en het zondigen geeft nooit voldoening. En in de zonde is geen “genoeg.”

. . . Alleen in God is genoeg!

Volkomen genoeg en Gods volk zal alleen in God voldoening vinden.

“Hij is onze vrede.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1954

The Banner of Truth | 16 Pagina's

HERINNERINGEN

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1954

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken