Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

PINKSTEREN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

PINKSTEREN

18 minuten leestijd

“En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken.”—Handel. 2:4.

HET Pinksterfeest is het feest der ver-vulling. De dag van het Pinksterfeest is vervuld. Reeds onder den ouden dag vierde men het Pinksterfeest. Vijftig dagen na het Paaschfeest werd Israel samengeroepen om dat veelbeteekende feest te vieren. Het was de laatste der feesten, die God aan Zijn oude Bondsvolk had gegeven. Op het Paasch feest werd Israel steeds herinnerd aan het voorbijgaan van den slaanden Engel. Wanneer hij het bloed zag aan de zij posten of bovendorpel der huizen. Op dat Paaschfeest werd steeds een lam geslacht, dat zag op Christus, Die eenmaal Zichzelf zou opofferen tot voldoening aan Gods recht, maar ook tot verlossing Zijns volks. Dat Paaschfeest duurde altijd een geheele week. Na het dagelijks morgenoffer, werd er een feestoffer gebracht en werden ongezuurde koeken gegeten.

Op den tweeden feestdag geschiedde er iets bijzonders. Dan werd de eerste garve van den oogst tot den Heere in den tempel gebracht. Die garve werd niet op het altaar verbrand, maar voor het aangezicht des Heeren bewogen. Daar lag in opgesloten dat men den ganschen oogst aan den Heere overgaf. Voor dat offer gebracht was, mocht het volk noch brood, noch geroost koren, van den nieuwen oogst nuttigen, gelijk wij het Goddelijke bevel daarvan kunnen lezen in Lev. 23:14.

Seven weken, na den dag waarop de garve der eerstelingen tot den priester gebracht was, werd nu het Pinksterfeest gevierd. Op dat feest werd den Heere een nieuw spijsoffer gebracht, bestaande in twee brooden van twee tienden meelbloem, die gedeesemd of gezuurd gebakken werden. Die twee brooden werden beschouwd als de eerstelingen van den Heere.

Het Pinksterfeest was dan het feest der voltooing en afsluiting. Met groote opgewektheid werd dan ook dat feest gevierd en vooral na de ballingschap het drukst van al de feesten bezocht.

Op het Kerstfeest, herdenkt Gods kerk de geboorte van Christus, Immanuel: God met ons. Met Paaschfeest is het: God voor ons en nu met Pinksterfeest: God in ons.

Christus nam onze menschelijke natuur aan, en heeft in die menschelijke natuur geleefd, geleden, gestreden, gebeden, is gestorven, begraven, maar ook opgestaan en heeft overwonnen. De breuk die er lag tusschen God en den zondaar heeft Christus geheeld. De schuld heeft Hij betaald en den vloek weggenomen. Christus heeft door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid de verbroken gemeenschap hersteld. Hij is opgenomen in heerlijkheid aan de Rechterhand Zijns Vaders, om vandaar Zijn Geest te zenden, opdat Die Geest komen zou in de harten der uitverkorenen. En wat zou het leven, lijden, sterven en de opstanding van Christus ons baten, zoo God de Heilige Geest het alles niet vergezelde aan en in onze harten? Wij kunnen toch geen ding aannemen tenzij het ons van boven niet gegeven zij. Wij liggen toch krachtens Adams val in een staat des doods en van God gescheiden, missend Gods beeld en heerlijkheid; geen kracht en vermogen bezittend om ons iets toe te eigenen. Gods Geest maakt den dooden zondaar leven, overtuigt hem van zonde, gerechtigheid en oordeel, maar verheerlijkt ook Christus in hem, als de eenige grondslag en fundament der zaligheid. Alles wat door Christus verworven en aangebracht is, wordt door den Heiligen Geest toegepast, zoodat zij hem mogen omhelzen, die gegeven is tot een verbond des volks. Die Geest blijft ook tot in eeuwigheid bij de Zijnen. Het is een onbevattelijk Godswonder dat door ons verstand nooit begrepen kan worden. De dag van het Pinksterfeest is de roem der dagen, door Israels God geheiligd.

Gelijk Christus maar eenmaal geboren is in Bethlehem’s kribbe en uit den hemel nederdaalde, zoo kwam de Heilige Geest ook maar eenmaal neder op den dag van het Pinksterfeest.

Van den Heiligen Geest lezen wij reeds op de eerste bladzijde van den Bijbel: “De Geest Gods zweefde op de wateren.” Met den Vader en den Zoon is Hij waarachtig en eeuwig God. Hij draagt dezelfde Namen, bezit dezelfde eigenschappen, dezelfde werken worden aan Hem toegeschreven maar ook dezelfde eere ontvangt Hij.

Die uitstorting des Heiligen Geestes was aan de kerk onder de belofte reeds voorspeld. Denk maar aan Jesaja 44 en Joel 2. Mozes, de Middelaar des Ouden Verbonds had op dien dag van de uitstorting des Heiligen Geestes reeds betrekking naar Numeri 11:29.

Christus had dien Heiligen Geest Zijn discipelen en Zijn kerk beloofd, ook nog na Zijn opstanding uit de dooden. Met blijdschap kwamen de discipelen wedergekeerd van den Olijfberg. En ’t was toen zoo geheel anders, dan met den dood van Christus. Toen waren zij bedroefd, verslagen, twijfelmoedig, en was al hun verwachting afgesneden.

Maar nu zijn zij verblijd. Wat een dierbare toezeggingen heeft Hij hun nagelaten, maar ook wat een troostvolle beloften hun gegeven.

Onder het Oude Verbond waren de bediening en werkingen des Geestes er wel, doch ’t was alles onder de wet, en druppelsgewijs. Straks zou het zijn:

Een milden regen zondt G’ o Heer
Op Uw bezwijkend erfenis neer
Om sterkte aan haar te geven.

De discipelen waren in de opperzaal vergaderd, naar het bevel door Christus hun gegeven. Ze waren zamen met een schare van omtrent honderd twintig personen; daar was de openbaring van de ware Kerk. Ze waren een van hart en een van zin. ’t Was maar geen losse hoop volks. Neen, ze waren vereenigd in en door Christus, krachtens het welbehagen des Vaders. Zij hebben daar niet getwist wie de meeste zou zijn, maar in hun aller hart was het “Och of Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt dat de bergen van voor Uw aangezicht vervloten.”

Zij mochten geloovig pleiten op hetgeen hun door God Zelf beloofd was. Zij hadden hetzelfde verlangen, n.l. de vervulling van de Goddelijke beloften, de volle verheerlijking van Christus, de vervulling van hun hart. Zij hadden door genade al veel beleefd, genoten en ervaren, doch het gemis was grooter dan het bezit. God Zelf had hen aan ’t gemis ontdekt en dat gemis dreef hen tot de vervulling. Zulke gezelschappen zijn er in onze dagen weinig. Over het algemeen geen behoefte meer aan elkander, omdat men schier geen behoefte meer aan God heeft. Wat is het afzwerven van God groot en zichtbaar en daarbij, wat is de voldaanheid groot in hetgeen men doorleefde onder de ware kerk Gods. Er zijn meer bekeerden dan onbekeerde menschen.

Ik hoop dat ge vatten zult, wat ik daarmede bedoel. En als wij eerlijk zijn hebben wij niet ver te zoeken om dat te vinden. Waren wij maar meer onbekeerd, God zou wat aan ons kwijt kunnen en ons leven was meer tot eere Gods. Maar ook tot stichting en opbouwing van onzen naaste. Dat God Zijn Geest nog eens uitstorte!

Haastelijk geschiedde er uit den hemel een geluid als van een geweldig gedreven wind. God haaste Zich om Zijn belofte te vervullen. Wat is God toch een verrassend God voor degenen die geloovig naar Hem uitzien. Hij zal hun haastelijk recht doen, Christus kwam snellijk tot Zijn tempel, Mal. 3:1. De Bruid zegt in Hooglied 2:8: “Dat is de stem mijns liefsten. Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen en huppelende op de heuvelen.” Hier wordt het uitziende volk toegeroepen :

God zal eindelijk helpen, u die nu klaagt, Verbeidt den Heere, op Zijn toekomst hebt acht.

Het was een geluid uit den hemel. De hemel had den Middelaar ontvangen, Die met Zijn eigen bloed was ingegaan in het binnenste heiligdom. En nu op grond van die verzoening door voldoening werd vanuit den hemel de Heilige Geest gezonden. Alles wat noodig is tot Gods eer, en tot volmaking van onze zielen komt uit den hemel. Zijn komst kan alleen ons heil volmaken. Met niets minder dan met hetgeen uit den hemel komt kunnen wij gered en verlost worden. Alleen Gods werk heeft waarde en beteekenis voor de eeuwigheid.

Allen die zichzelf helpen en redden komen straks voor eeuwig om. Naar den hemel wordt Gods volk getrokken. Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal. Ps. 121:1.

Het was een geluid als van een geweldig gedreven wind. Dat teeken was in volle overeenstemming met het groote werk Gods. Het ziet op de absolute souvereiniteit en de onloochenbare kracht van het werk Gods. Niet eens, maar telkens wordt Gods Geest bij den wind vergeleken.

God is vrij in Zijn bediening en bedeeling. Hij roept naar Zijn eeuwig welbehagen op, wie Hem behaagd, maar Hij laat ook liggen degenen die zich moed, en vrijwillig van God hebben losgescheurd. Uit alle talen, volken en naties zal Hij de Zijnen roepen. Alle geslachten der aarde zullen in Christus gezegend worden. God haalt Zijn uitverkorenen uit het geslacht van Sem, Cham en Japhet. Hij ontfermt Zich wien Hij wil, en verhardt dien Hij niet wil. Gods volk wordt zalig alleen omdat God het wil. Geen roem blijft er over voor eenig schepsel, doch ’t is alles de vrije gunst die eeuwig Hem bewoog. O, dat onze ziel Hem prijze, Die niet alleen Zijn recht wilde verheerlijken, maar ook Zijn barmhartigheid wilde verhoogen.

En degenen die in dat eeuwig voornemen Gods opgesloten liggen, worden in den tijd des welbe-hagens geroepen met een heilige roeping. Niemand vraagt er van nature naar God. Wij zijn allen in onzer grondslag vijanden van God geworden, en hebben aan de kennis van Gods wegen geen lust. En nu wordt de een gehaald uit de slavernij der zonde, en ’n ander uit eigen gerechtigheid. Hoe vast geworteld wij ook waren in de zonde of in den eigenwilligen godsdienst, wanneer die wind des Geestes gaat waaien, dan worden wij neergeveld, en door God overwonnen. Zij allen komen op den grond als een arm verloren zondaar of zondares, die voor den Hoogen God in het stof gaan buigen, en hun Rechter om genade gaan smeeken.

Door dien gezegenden Geest, die van den Vader en den Zoon uitgaat, worden zij ontdaan van al het hunne om alleen in Christus hun zaligheid te vinden.

Niemand op de wereld heeft de kracht en het vermogen om iets los te laten wat hij kwijt moet, maar ook niemand, ook niet een van Gods knechten of kinderen kan iets van ons wegnemen wat schadelijk en onprofijtelijk is. Het hangt alles af van dien Geest des oordeels en der uitbranding, van dien Geest, die ons af doet zien van onszelven, en in ons ter neder werpt alle hoogten en sterkten die zich verheffen tegen de kennis Christi maar die ook dien rijkdom van Gods genade in Christus in ons verheft, zoo dat wij nergens anders in roemen dan alleen in het kruis van onzen Heere Jezus Christus.

Die Geest vervulde het geheele huis waar zij zaten. Het huis werd vervuld, en ook de harten van degenen, die daar tegenwoordig waren. Christus wordt in hen verheerlijkt als de Verodineerdedes Vaders, als de Borg des Verbonds. Hij is de vervulling dergenen, die alles, en dat in allen vervult. Eenerzij ds doet die Geest niet anders dan ontledigen maar ook anderzijds niet anders dan vervullen. Dat van God uitverkoren volk wordt ontdaan van zichzelf, en van allen ballast, opdat zij vervuld worden met de volheid Gods. Uit de springader Israels worden zij bediend en zij scheppen water met vreugde uit de fonteinen des heils. O ’t is een oceaan van genade, liefde, welbehagen, rust en vrede die uit Christus vloeit. Die volheid maakt de jonkvrouwen sprekende. Het wordt in hen een fontein springende tot in het eeuwige leven.

Bij aanvang worden zij hier reeds verzadigd met het goede van Gods Huis, en met het heilige van Zijn paleis. Eenmaal zal het een eeuwige vervulling zijn. Wie zou niet met heimwee vervuld uitzien naar die vervulling? Verdeelde tongen als van vuur werden gezien en het zat op een iegelijk van hen.

Door Gods Geest wordt dat uitverkoren volk gereinigd en geheiligd, maar ook verwarmd en verlicht. Christus is niet alleen door den Vader geschonken tot wijsheid, maar ook tot rechtvaar-digmaking, heiligmaking, volkomene verlossing.

Zij werden allen vervuld met dien Heiligen Geest. Niet een van degenen die daar vergaderd waren, bleef er buiten. Zij werden allen gaande gemaakt; de een meer en de ander minder.

Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot Wordt van dat heil die weidaan deelgenoot Hij zal ze grooter maken.

Zij krijgen allen deel aan Christus en aan de erve der heiligen in ’t licht. Gods Geest kwam in hunne harten om er eeuwig te blijven. Hij wijkt van Zijn Kerk nooit meer.

De discipelen werden bekwaamd tot de gewichtige taak waartoe zij waren geroepen. Zij zouden in alle talen de groote werken Gods gaan verkondigen. De zaligheid was niet langer meer bepaald tot de Joodsche kerk, maar ook de Heidenen zouden er in deelen.

Het geluid des evangelies zou gaan over de geheele wereld, en zou klinken in de harten van Filistijnen en Mooren. Het zal eenmaal een schare zijn uit alle talen, volken, en natien.

De Koningen der aarde zouden Hem heerlijkheid brengen in het Nieuwe Jeruzalem. En wanneer God Zijn Geest uitstort in Zijn volk, dan gaan zij ook in andere talen spreken. Zij gaan dadelijk recht voor God spreken. Zij gaan de roem van het eeuwig Welbehagen uitroepen, de heerlijkheid van Gods deugden, maar ook de rijkdom van Gods genade in Christus geopen-

baard. Ja, zij gaan vertellen wat God aan hun zielen gedaan heeft.

’t Is een taal die de wereld niet verstaat, en waar ’t nabijkomend Christendom niets van begrijpt. Maar ’t vindt weerklank der bergen bij al degenen die de tale Kanaans geleerd hebben. Wat is God groot en goed. Er komen oogenblikken dat hun hart er zoo vol van is, dat hun mond er van overloopt. Dan vallen zij weg en dan komt God op den voorgrond. Dan gaat dat volk in de eeuwigheid beginnen maar zij komen ook in de eeuwigheid terecht.

Dan bedoelen zij ook zichzelf niet maar dan wordt God verheerlijkt, Christus verhoogd en den Heiligen Geest geprezen. In de eeuwigheid is dat volmaakt, en daar ziet hun ziel dan ook bij oogenblikken met reikhalzend verlang3n naar uit.

Wij moeten weer eindigen. O dat die dierbare Geest, Gods Kerk, onze huizen, en onze harten mochten vervullen.

Jongens en meisjes brengt deze feestdag toch niet door in de wereld en in de zonden.

Voegt u bij de Godgezinden,
Ge mocht er Jezus nog eens vinden.

Die Geest missen wij van nature. En zelf kunnen wij dien Geest niet grijpen. Het mocht nog eens waar worden: “De wind blaast waarheen Hij wil, en gij hoort zijn geluid, en gij weet niet van waar hij komt en waar Hij heengaat, alzoo is ’t ook met een iegelijk die uit den Geest geboren wordt.” Die Geest des levens mocht in vele harten uitgestort worden tot levendmaking. De dooden mochten hooren de stem des Zone Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven.

Gods eer en deugden zouden ons boven alles wegen, en het hoogste doel van ons leven worden.

Gods Geest mocht verlevendigen wat hij levend maakte. Wat kan Gods volk inzinken. Om die verlevendiging door Gods Geest smeekte David zoo ernstig. Er mocht nog eens iets van aanschouwd, maar ook genoten worden door het ware Sion Gods. Christus mocht in hen een gestalte krijgen, en zij mochten in de liefde geworteld en gegrond worden.

De hoogten mochten eens worden weggenomen onder Gods kinderen en in onze harten. Ja, Gods Geest mocht in de ware vrijheid stellen. Verzekeren van ons aandeel aan God en Christus. Ja, niet alleen mocht er veel kennis gevonden worden van de werkingen en bedieningen des Geestes, maar bovenal de Heilige Geest als Persoon gekend worden als waarachtig en eeuwig God. Harten en monden vervuld worden met den lof des Heeren Heeren. O, dan zou er geen stilzwijgen zijn, maar een getuigenis uitgaan ook tegenover de wereld die in het booze ligt. Wat een beslag kwam er toen de discipelen gingen spreken met andere talen. Sommigen gingen wel spotten, maar anderen werden verslagen en gewond in hunne harten.

Werd het nog eens Pinksterfeest in onze harten. De vreeze Gods zou bloeien de gerechtigheid van Christus schitteren, en de heiligheid haar glans verspreiden. God gedenke Zijn volk over de lengten en breedten der aarde. Hij vervroolijke hunne harten door Zijn Geest en vertrooste hunne zielen uit de wonden van Christus.

Hij gorde Zijn knechten aan en doe hen spreken in betooning des Geestes en der kracht. God zalve hunne bediening tot uitbreiding en bevestiging van Zijn Koninkrijk. God verheerlijke Zijn Naame in alle talen, geslachten, en volkeren.

Hij ondersteune het eenzame en kranke, en de rouwdragenden mochten door heil verheven worden. Gods Geest vervulle onze harten.

Dis vervulling met dan Heiligen Geest is Gods eigen werk. Zoo was het op dien Pinksterdag te Jeruzalem, maar zoo is het ook nu nog. De tijden mogen veranderen maar God blijft dezelfde. In de weg der zaligheid, en de weg tot de zaligheid zal nooit anders worden. In onze dagen over het algemeen is het zoo, in prediking en geschriften als of men die uitstorting des Heiligen Geestes niet meer noodig heeft. In de grond van de zaak wordt de doodstaat van den mensch gelochend, en de noodzakelijke bediening en werking des Heiligen Geestes gelochend.

’t Is een tijd waarin men maar gelooft, en Jezus aanneemt, zonder dat er iets gehoord en waargenomen wordt van het onwederstandelijke werk des Heiligen Geestes.

Men is maar gelukkig in zichzelf, zonder dat men ooit ongelukkig is geweest, en vervuld zonder dat God hen ooit ontledigd heeft. ’t Zijn mensehen die rijk zijn, zonder ooit arm geweest te zijn: bekeerd zonder dat immers onbekeerd voor God werd. O’ wat een droeve misleiding-voor die ontzagelijke eeuwigheid. Zij rekenen vast op den hemel en hebben met de hel nooit geen kennis gemaakt. Wat zal het toch een ontnuchtering zijn wanneer de dag des doods aanbreekt, en met de dwaze maagden hun lamp voor eeuwig’ uitgaat.

Met een open consentie te sterven en God te moeten ontmoeten zal vreeselijk zijn. Altijd den Heiligen Geest tegen gestaan in hun leven, en geweigerd hun knieen voor God te buigen. Maar nog vreeselijker zal het zijn met een ingebeelden hemel verloren te gaan.

O’ geliefden, waardeert toch het voorrecht om onder de zuivere middelen des genade te leven. Onder zulk een bediening waar gij niet misleidt wordt, maar waar u den rechten weg der zaligheid word gepredikt. Telkens wordt u voorgehouden wat noodzakelijk gekend moet worden om wel getroost te kunnen leven en eenmaal zalig te sterven. Bij alle gebrek en tekort dat er is in de bediening, zijt gij toch overtuigd, dat gij niet geblinddoekt wordt voor de eeuwigheid. De souvereiniteit Gods in het verkiezen en in het verwerpen wordt u gepredikt, de doodstaat in Adam u voorgehouden. Maar ook de zaligheid en de behoudenis die er voor een arm verloren en schuldig zondaar is in Christus, en in Zijn aangebrachte gerechtigheid wordt U geleerd. Doch daarbij ook da noodzakelijkheid dat God den Heiligen Geest intrek neemt in Uw hart, om wat door Christus verworven werd, aan U persoonlijk toe te passen. Het ligt voor ons maar niet om het te grijpen. Een bovennatuurlijk werk van Gods genade moet er toch in onze zielen verheerlijkt worden. Een afsnijding van Adam en een inplanting in Christus. Wij moeten door Gods Geest wedergeboren worden en vereenigd met Christus.

Werd het nog eens Pinksterfeest in uwe harten, mijn onbekeerde medereizigers naar de eeuwigheid, waar ge nu Gods Geest nog mist. Het is nog niet hopeloos ouden van dagen, en jongen van jaren. De dag der genade is nog niet voorbij. Gij leeft nog voor den welaangenamen tijd en in dan dierbaren dag van zaligheid, ’t Is een donkere tijd en een bange toekomst. Maar God laat Zijn Woord nog brengen en zendt Zijn knechten nog uit. Verhardt uwe harten toch niet onder de ernstige en welmeende roepstemmen die van den hemel nog tot U worden gezonden. Dat ook in uw hart dat geluid uit den hemel nog eens werde gehoord en dat ge als een verloren zondaar en zondares aan de voeten van den Heere Jezus terecht mocht komen. Er is hulpe besteld bij een Held die machtig is om te verlossen. Christus is een volkomen zaligmaker voor al degenen die door Hem tot God gaan. Dat Gods lieve Geest nog velen mocht overtuigen en ontdekken, opdat de rijkdom van Gods genade nog eens klinken mocht in velen harten. De wereld is zoo arm en leeg, maar in God door Christus zulk een eeuwige vervulling. Dien Geest verheerlijkt Christus in de harten der uitverkorenen. Och, dat wij er nog eens iets van mochten waarnemen, God Drieeenig zou er in en door verheerlijkt worden, de kerk verblijdt, en uw ziel verheugd. Uw gesloten mond zou den lof des Heeren verkondigen, en Uw tong hem prijzen die U verwaardigde tot die groote genade gebracht te worden, om Hem eenmaal eeuwig te verheerlijken, dien God uit Wien, door Wien, en tot Wien alle dingen zijn. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1955

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PINKSTEREN

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1955

The Banner of Truth | 16 Pagina's

PDF Bekijken