Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE OPENBARING DES HEEREN AAN THOMAS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE OPENBARING DES HEEREN AAN THOMAS

13 minuten leestijd

De Paaschdagen, waarop wij de opstanding des Heeren uit den dood herdenken mochten, liggen weder achter ons. Van die opstanding leert ons de Apostel in Romeinen 8, dat zij meer is dan het lijden en sterven van Christus. Ware toch de Heere in het graf gebleven, hoe zou een zondaar hebben kunnen opgewekt worden uit den geestelijken dood, waarin wij allen van nature liggen? Ja, ook de tijdelijke noch de eeuwige dood ware verbroken.

Maar Christus kon van den dood niet gehouden worden. Het recht Zijns Vaders eischte Zijn opwekking. Nu dat recht volkomen was voldaan, moest de vrijspraak volgen van Hem, Die Zijn ziele in den dood had uitgestort. Die vrijspraak des Vaders werd gegeven in de opwekking uit den dood. Daarenboven had Christus macht, om Zijn leven niet alleen af te leggen, maar hetzelve ook weder aan te nemen. Noch satan met al zijn hellemachten; noch steen en zegel; uoch de krijgsknechten, die de wacht bij het graf hielden, konden den Gekruisten en Gestorven Zaligmaker in het graf houden. De Leeuw uit Juda’s stam verrees in eeuwige overwinning op den morgen van den derden dag. En de dood heeft over Hem geen macht meer. Ook heeft de Heilige Geest in de opstanding van Christus gewrocht, Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zone Gods naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden, namelijk Jezus Christus onzen Heere.

Zoo verrees dan de Heere uit het graf en verwierf Hij het eeuwig leven voor de Zijnen. Hij is opgewekt tot hun rechtvaardigmaking en Hij leeft opdat zij eeuwig leven zullen in Hem. In de opstanding des Heeren is Zijn uitverkoren Kerk rechtvaardig voor God gesteld in haar gezegend Hoofd. In Hem is zij opgewekt uit den dood en leeft zij in alle eeuwigheid. Door de kracht dier opstanding worden de gekochten met Christus’ bloed in den tijd des welbehagens opgewekt uit den doodstaat en zullen zij den tijdelijken dood overwinnen, ja de opstanding des Heeren is een onderpand hunner zalige opstanding.

Die blijmare dier opstanding is van den hemel uitgeroepen. Een engel des Heeren, die den steen van het graf had afgewenteld, heeft het den vrouwen bekend gemaakt, dat haar Heere en Verlosser niet meer in het graf was, maar was opgestaan van den dood. Ja, wat meer is, de Heere Jezus heeft Zichzelf geopenbaard aan de Zijnen en hun harten met blijdschap vervuld. Hij maakte hun de kracht Zijner eeuwige verlossing deelachtig, gelijk Hij gesproken heeft: „Ik leef en gij zult leven”. Hij redde hen uit de strikken van het ongeloof, opdat zij zich in Hem verheugen zouden met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Deze vrucht van de openbaring van den verrezen Zaligmaker zien wij bij de vrouwen en bij de jongeren telkenmale als zij den Heere hebben mogen aanschouwen. In het bijzonder vinden wij die vrucht ook bij Thomas, als deze discipel uitroept: „Mijn Heere en mijn God”.

Bij de openbaring des Heeren aan Thomas wensch ik uwe aandacht nu nader te bepalen, gelijk deze beschreven is in Joh. 20 : 24–28:

En Thomas, een van de twaalve, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.

De andere discipelen dan zeiden tot hem: „Wij hebben den Heere gezien’: Doch hij zeide tot hen: „Indien ik in Zijne handen niet zie het teeken der nagelen en mijn vinger steek in het teeken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins gelooven.”

En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen en Thomas met hen: en Jezus kwam als de deuren geslaten waren en stond in het midden en zeide: „Vrede zij ulieden”.

Daarna zeide Hij tot Thomas: „Breng nw vinger hier en zie Mijn handen en breng nw hand en steek ze in Mijn zijde en wees niet ongeloovig, maar geloovig”.

En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: „Mijn Heere en mijn God”

In deze woorden beschrijft ons de Heilige Geest door Johannes

de openbaring des Heeren aan Thomas en worden wij gewezen

I. op den discipel aan wien;

II. op den tijd, wanneer en

III. op de kracht waarmede deze openbaring geschiedde.

I.

De discipel aan wien deze openbaring ten deel viel was Thomas, een van de twaalve, gezegd Didymus. Met dezen Griekschen naam was de discipel meest buiten Israel bekend. Thomas beteekent: tweeling. Wie zijn tweelingbroeder was, is ons niet beschreven. Men heeft er Mattheus wel voor gehouden, omdat bij het noemen der discipelen Thomas steeds naast Mattheus wordt genoemod. Hoe dit zij, wij zouden gelukkig zijn indien wij een geestelijk tweelingbroeder van dezen Thomas door genade worden mochten, in het bijzonder zoo ook wij mochten komen tot het groote voorrecht, om door het geloof Christus te mogen omhelzen als: „Mijn Heere en mijn God”.

Thomas verkeerde veedal in de banden van het ongeloof. Zijn leven was gedurig in vele bezwaren en doorbrekend licht werd bij hem niet gevonden, al gaf hij blijk er van dat de oprechte liefde van Christus in zijn hart woonde. In dezen jonger des Heeren wordt zoo duidelijk dat, hoewel het geloof door de liefde is werkende, even wel niet steeds het geloof krachtig doorbreekt bij de genietingen der liefde. Gods volk kan soms van de liefde Christi veel smaken en toch weinig wasdom verkrijgen in het geloof. Dat was bij al de discipelen wel zoo. Drie jaren lang hadden zij met den Heere gewandeld en de liefde van en tot Hem was zoo sterk in hun harten, dat zij, toen allen Hem verlieten, zeiden: „Heere tot wien zullen wij heengaan Gij hebt de woorden des eeuwigen levens”. Maar toen Christus Zich in de hand Zijner vijanden overgaf, om gekruisigd te worden, werden zij allen aan Hem geergerd. Indien zij een weinig geloof hadden mogen oefenen, zouden zij in Zijn offerande den grond hunner zaligheid gevonden hebben. Maar het was verborgen voor hun oogen Ook de vrouwen zijn een bewijs er van, dat de oefening van het geloof bij die der liefde achterblijven kan. De liefde drong hen, om haar Heere te eeren; en zij bereidden specerijen, om Hem te balsemen en zij zochten den Levende bij de dooden. Het geloof had niet die kracht in haar, dat zij Zijn opstanding verwachtten.

Zoo nu is het dikwijls bij Gods volk, in het bijzonder in hun eersten tijd Als de liefde dan mindert, blijft er geen grondslag over en van daar de vreeze, die hen vervult, dat zij nog geheel vervallen zullen en de tegenwoordige wereld weder liefkrijgen.

Thomas had een zeer bedrukt leven. Voor de eerste maal lezen wij van hem in Joh. 11. De Heere gaat naar Bethanie, want Lazarus is gestorven. Doch daar onder den rook van Jeruzalem is het niet veilig Nog onlangs hadden de Joden daar gezocht den Heere te steenigen. De discipelen wilden dan ook hun Meester van Zijn voornemen om naar Bethanie te gaan afbrengen. Maar Christus antwoordde, dat er twaalf uren waren in den dag. „Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet”. De twaalf uren van den dag, die Christus op aarde toeven zal, zal Hij het werk Zijns Vaders doen Hij zal dan ook gaan, opdat Hij Zijn Goddelijke kracht in de opwekking van Lazarus verheerlijken zal. De discipelen behoeven dus niet te vreezen, want de Heere wandelt in het licht en zal Zich niet stooten, gelijk hij die in den nacht wandelt.

Maar voor Thomas is het volstrekt niet licht. Hij blijf het maar donker inzien. De vijanden zullen komen en zijn Heere dooden. Doch als het dan zoo wezen moet: Laat ons ook gaan, (zoo zegt hij) opdat wij met Hem sterven” De liefde maakt Thomas getrouw tot in den dood, doch het licht des geloofs ontbreekt hem over het Woord, dat de Heere gesproken heeft.

Zoo is het ook in Johannes 14, waar ten tweeden male over Thomas gesproken wordt.

Johannes 14 is ‘t krachtig troostkapittel voor de discipelen en voor al Gods volk. Ontroerende gebeurtenissen staan voor de deur. De vijand zal zijn hand slaan aan den Herder Israels en de schapen zullen verstrooid worden Maar de Heere trekt Zijn bedroefde en bestreden jongeren uit den diepsten druk op tot de eeuwige overwinning. Hij zegt: Uw hart worde niet outroerd. Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zooz ou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden”. O, dat toch Gods volk het oog naar boven richte. De Heere zal hen opnemen in heerlijkheid. Hun woning is bereid Naar de Schriften is Christus ingegaan in het Heiligdom, dat niet met handen gemaakt is. Hij kon dan ook zeggen tot Zijn discipelen: „En waar Ik heenga weet gij, en den weg weet gij”.

Maar Thomas kan niet instemmen met wat de Heere gesproken heeft. Dat heengaan van Christus is voor hem een duistere zaak en hij antwoordt: „Heere, wij weten niet, waar Gij henengaat en hoe kunnen wij den weg weten?” ‘t Ligt niet vlak bij Thomas Hij wil eigenlijk van een heengaan van Christus niet weten; hij heeft er gansch geen licht over, wat dat beteekent En als hij niet weet waar Christus heengaat, hoe kan hij dan den weg weten om Hem te volgen? Alweer dezelfde donkerheid bij Thomas; hetzelfde gemis van de ware oefening des geloofs. Hij kon zich op des Heeren Woord niet verlaten Hij zou het eerst eens beter moeten kunnen beoordeelen, wat de Heere gesproken heeft en als met zijn handen moeten tasten, eer hij zich overgeven zal.

En in onzen tekst ontmoeten wij Thomas voor de derde maal in dezelfde gestalte. Weer is het zoo, dat hij de zaken eerst zelf zal moeten zien en beoordeelen eer hij zal gelooven De vrouwen en de discipelen en de Emmausgangers hebben eenparig getuigd van de opstanding des Heeren. Zij allen hebben den Heere gezien en zijn uit de strikken van het ongeloof verlost. Hoe blijmoedig hebben zij getuigenis gegeven van wat hun wedervaren is Ook zij hadden maar niet voetstoots kunnen gelooven Toen de v.rouwen hun de boodschap brachten van des Heeren opstanding, hadden zij er ook geen vertrouwen in. Het waren maar vrouwen, die het zeiden. Eerst toen de Heere Zich openbaarde aan Petrus en aan de Emmausgangers in de breking des broods en aan allen saam, die nog steeds achter gesloten deuren zaten, eerst toen hebben zij door het geloof Hem erkend als de opstanding en het leven. Toen konden zij niet meer zwijgen. Zou Gods volk zwijgen als de banden van het ongeloof gebroken worden? De steenen zouden spreken indien dezen zwegen. Met geestelijke blijdschap vervuld, en in de kracht des geloofs hebben zij gesproken. Die vurige kolen hadden Thomas moeten doen gloeien Maar deze blijft even koel.

Thomas wil hen niet gelooven. Zal hij gelooven dat Christus leeft, dan zal hij zichzelf er van moeten overtuigen. Hij zal de teekenen van des Heeren kruisiging moeten zien en tasten en zoo niet, dan zal hij niet gelooven. De overige discipelen kunnen praten zooveel zij willen, Thomas geeft zich niet gevangen; hij zal het zeker moeten weten.

Nu blijkt dit wel in de eerste plaats, dat het geloof een gave Gods is; dat is het in zijn wezen doch ook in zijn oefeningen. Gods volk kan maar niet gelooven als het wil. Daarin is het wel onderscheiden van het naam- en praat-Christendom; dat heeft het geloof voor het grijpen. Doch hun geloof is het ware niet. Van de bevinding der heiligen zijn zij vreemdelingen en de tobbers en zuchters, als Thomas was, kunnen zij niet verstaan. Van dat volk met zijn och en ach houden zij zich liefst verre. Zij spreken van verlossing en zaligheid, maar zij weten van geen banden, noch van hun rampzaligen staat. O, arme menschen! Zij misleiden zichzelf en anderen. Met een ingebeelden hemel gaan zij ten verderve en de door hen zoo hoog geroemden Zaligmaker zal eens hun toevoegen: „Ik heb u nooit gekend”.

Gods volk is afhankelijk van de bediening des Heiligen Geestes. Deze is de Geest des geloofs. Hij plant het zaligmakend geloof in hun hart, als Hij hen wederbaart en ook Hij verwekt de oefeningen des geloofs. De verstgevorderde zoowel als de eerstbeginnende in de genade is van dien Geest afhankelijk, om in waarheid te gelooven.

Maar, en hierop dienen wij ook wel te letten, Thomas gaat niet vrijuit. Voor het ongeloof is geen dekmantel. Niet een zonde is te vergoelijken voor God; ook het ongeloof niet. Nooit komt Gods volk znder schuld uit zijn ongeloovige toestanden uit. Er is een overgeven aan het ongeloof in hen, en daardoor zinken zij met Thomas steeds dieper in den put van twijfel en duisternis. Het onheilig dwingen te moeten zien en tasten, stelt den Heiligen Geest paal en perk. Het zal eerst hier en daar moeten komen; dit en dat zal moeten geschieden eer zij gelooven. En zie, dan trekt de Heere Zich steeds meer terug en wordt de ziel aan al de slingeringen der twijfelzucht overgegeven. Ook is er geen levende begeerte naar Christus werkzaam. Let daar maar eens op. Er is geen hongeren en dorsten naar Hem. Van het werk der genade dat verheerlijkt is, gaat evenmin geur en smaak uit. En wat Gods volk ook moge aanwenden, om deze ziele te troosten, het stuit alles af op de doodigheid, die haar bezet heeft. Met Jeremia moeten die Thomassen wel klagen: ,,Ik heb het goede vergeten”. Dat is het gevolg van hun wangestalte. En daarin zouden zij gewis omkomen, had Christus niet voor hen gebeden, dat hun geloof niet zou ophouden. Hij is het dan ook die hen uitredden zal, opdat zij niet bezwijken. Maar het moet hun allen, die in deze strikken verkeeren, wel tot schuld worden, dat zij zoozeer den Geest Gods bedroeven en tegenstaan. Zij brengen zichzelf in het duister en keeren zich van Hem af, Die hen alleen verlossen kan en werpen Zijn Woord verre van hen. Het is toch niet voor mij, zeggen zij dan, alsof de genade Gods te klein ware. Zou dat volk niet te bestraffen zijn, dat alzoo handelt? Betaamde het hun niet met smeekingen en geween voor den Heere hun hart uit te storten en Hem te zoeken in Wiens licht zij het licht aanschouwen zullen?

Doch daar kunnen zij niet komen, tenzij de Heere hun strikken breekt, zooals Hij bij Thomas deed, toen deze zich onder de discipelen begeven had.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961

The Banner of Truth | 12 Pagina's

DE OPENBARING DES HEEREN AAN THOMAS

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961

The Banner of Truth | 12 Pagina's

PDF Bekijken