Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE WARE VREEMDELINGSCHAP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE WARE VREEMDELINGSCHAP

8 minuten leestijd

Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vree mdelingschappen. Ps 119:54

Ja, het leven van de dichter is om als vreemdeling te verkeren op de aarde. Hij voelt zich op aarde niet thuis. Daarin is de dichter geen eenling, maar heeft dit gemeen met al Gods volk, als het in het leven uit God staat. Waardoor? Door het missen van hun verloren vaderland, en omdat zij hun nieuw tehuis nog niet bereikt hebben. Gij weet, hoe Israel eenmaal zeventig jaren in ballingschap verkeerde. Velen der Israelieten voelden zich spoedig thuis in dat vreemde land, maar er was ook een klein deel dat het in Babel moeilijk had, dat er onmogelijk kon wennen. Maar zij gevoelden, dat hun ballingschap een dragen was van Gods toorn. Daarom konden zij niet thuis raken in Babel. Daarom konden zij niet zingen, maar hingen hun harp aan de wilgen; ja mond en hart sprak een heimwee uit in het woord: “Eer vergete mijn rechterhand zichzelve, dan dat ik u vergete, o Jeruzalem.” Zij waren in Babel in een plaats der vreemdelingschappen. Die tweerlei mensen vinden wij nu nog. Het overgrootste deel der mensheid is thuis op de aarde, en mist het verloren paradijs niet. O, arm bestaan, deze mensen zullen in de hemel vreemdelingen zijn. Ja, met al hun gods dienst en ijver voor de godsdienst, vijanden van het ware leven Gods.

Maar er is ook al de eeuwen door een overblijfsel naar de verkiezing onder het mensen geslacht, dat door Gods genade een heimwee heeft gekregen naar dat vaderland ,dat zij in Adam hebben verloren. Zij zijn het gewaar geworden, zij zijn God kwijt. Ballingen zijn zij hier treurende over hun zonden en schuld. O zeker, vanwege de verdorvenheid des harten en de vleselijke neigingen, zijn zij soms evenals de wereldlingen verkleefd aan het stof en staan zij de pinnen van hun levenstent vast in de aarde, maar toch, wedergeboren tot een nieuw leven zijn zij een tweemens geworden. Wanneer rijke vreemdelingen in vreemde landen reizen hebben zij hun bezittingen niet bij hen. Hun rentmeester zendt hen telkens geld toe, naardat zij nodig hebben. Zijn ook Gods kinderen niet zulke vreemdelingen? Wat is het een wonder, als ze dat eens mogen geloven. Wat wordt Gods volk gewaar in de oefeninfg van het leven, dat de Heere plaats moet maken voor Zijn eigen werk. Wat is de bede van het oprechte volk? Zij zouden zo gaarne met Paulus willen zeggen: “Het leven is mij Christus.” Daarnaar dorst hun ziel. Ze zijn God kwijt en moeten weer in de rechte verhouding met God komen.

En dat gaat in een weg verloren gaan, in de weg afsnijding. O, vreze bekruipt some de ziel, zal ik ooit Sion bereiken? Toch mag Gods kerk wel eens zielsverheuging hebben. Hoort naar de dichter: “Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest.” Cm recht te begrijpen, wat de dichter hier met die “inzettingen” Gods bedoelt, moeten wij bedenken, dat de psalmist indeze psalm bezingt den lof, de kracht en de nuttigheid van Gods getuigenis. Die openbaring Gods nu, noemt de psalmdichter met verschillende uitdrukkingen: Woord, Wet, Getuigenissen, bevelen, inzettingen, rechten, geboden, toezeggingingen enz. Uwe inzettingen, betekent eigenlijk, letterlijk, datgene, wat de Heere heeft “vastgesteld”. Nu begrijpt ge met mij, welk een rijkdom de dichter hier samenvat in dat woord: “Uwe inzettingen.” Het omvat alles wat de Heere gesproken en gedaan tot straf en heil van zondaren. Natuurlijk valt onder “Uwe inzettingen” in de eerste plaats Gods heilige wet, dat niet aanlokkelijk is voor het vlees. O vrienden, er gaat in deze dagen een geest ook door onze gemeenten die niet meer willen horen van de orde des heils. Eerst de wet, en dan het Evangelie. Wij kunnen daar met droefheid aan denken. Och blijf toch bij de aloude waarheid. Heb toch achting voor de kerkeraad, en allen die over u gesteld zijn. Het is toch de ervaring van Gods oprechte volk, dat zij zondaar voor God moeten worden. O, die inzettingen Gods, de wet wordt ons voorgesteld als een ploegschaar om ons te laten zien wat wij zijn in onze diepe val.

Om de mens schuldig te stellen aan Gods gerechtigheid. Zo zijn de inzettingen Gods, als wet de ploegschaar die de harde aardkorst van het hart moet openrijten en stuk breken, die begeerig moet maken naar genade, gelijk opgeploegde voren dorsten naar het water des hemels. Is dat reeds bevindelijk waar geworden in uw leven? Wij weten het zo goed, dit sort inzettingen Gods trekt de natuurlijke mens niet aan. Hij zal alles er voor doen om dat maar niet op de kansel te krijgen, en stad en land aflopen, omdat toch te weren. En toch, wie buiten de inzettingen Gods om wil zalig worden, bedriegt zich zelf voor de grote eeuwigheid. Maar die waarlijk daar verbroken ligt onder de ploegschaar van Gods heilige wet, komt de Heere met Zijn Geest en Woord heen te leiden naar Christus. Maar nooit buiten het recht om, maar in de weg vangerrechtigheid. Groot de weldaad een geopenbaarde Christus te mogen kennen. Maar dan ook meer ontledigen en arm maken om ook Christus als de gegevene des Vaders te mogen kennen. Rechtvaardiging door het geloof in den Heere Jezus wordt hun een inzetting Gods. Is er nog een volk die daar weldaad uitziet?

“Wacht op den Heer, godvruchte schaar houd moed;

Hij is getrouw, de bron van alle goed.”

Ja, tenvolle beamen zij het woord: “Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest.”

Dat is geen geringe zaak. De wereld kan wel zingen, en ook het juichende christendom van onze dagen, omdat zij blind zijn voor het eeuwige verderf. Als zij het zagen en hoorden, hun gezang zou verstommen en overgaan in kermen en wenen. Want houdt u er van overtuigd, wanneer eenmaal de ontzettende oordeelsdag komt, geen onbekeerde zal zingen, maar ontzetting of wan-hoopsgil zal hun vroeger zingen vervangen. De pelgrim Gods kan niet altijd zingen. O, het is een eeuwig wonder als ze eens mogen zingen. Maar toch tijd en wijle legt God een glans van blijdschap op hun aangezicht en doet Hij een gezang hun hart ontwellen. Waardoor? Enkel souvereine vrije genade. Een van God ontdekte ziel, die haar doemschuld en verlorenheid inziet, is het bang hier o pde aarde. Maar als Gods Geest dan deze inzetting des Heeren in de ziel fluistert: Jezus Ghristus is gekomen om te zoeken en zalig te maken juist wat verloren is, o dan kan die inzettinfg Gods heilig muziek in de oren zijn. En dat overkomt niet alleen de bevestigde kerk, maar ook de waarlijk bekommerde ziel. Maar nu is daar een pelgrim in het donker; hij is ingemuurd en kan niet uitkomen; de ziel wordt geschud en de duivel maakt hem wijs: het is een verloren zaak met U.

Wanneer de Heere zulk een dan bepaalt bij Zijn eeuwige trouw; dat Hij niet varen laat Zijner handen werk, bij al zijn ontrouw en dat al Zijn arm volk voor eeuwig in Zijn handpalmen is gegraveerd; gelooft gij niet met mij, dat die inzetting Gods het licht in de duisternis doet opgaan? En laat de duivel een uitverkorene maar aanvechten, daar zingt door Gods genade in het hart: “Geenu verdoemenis voor diegenen, die in Christus Jezus zijn.” O die inzettingen Gods doet hen dan juichen. En nu zegt de dichter Uw inzittingen zijn mij gezangen geweest. De psalmist zegt niet dat hij gezongen heeft, maar de inzettingen Gods die hebben eigenlijk voor zijn oren gezongen. Dit is het vrije Gods werk in de oefening van het leven. Wat heb ik nu aan dat geschrijf zegt gij mogelijk. O onbekeerden, het is een hard woord voor U, maar toch zo ernstig. Dat ge dan nog in deze uwen dag voor het Woord Gods mocht buigen, en leerdet vragen naar de inzettingen Gods. Dan zal de mens geen actie tegen de waarheid opzetten, maar dan zal het een eeuwig wonder worden om bij het volk van God te mogen behoren. Het zal toch zo heel erg zijn met een ingebeelden hemel naar de hel te gaan.

Ontzettend zal het wezen voor een kerklid, een godsdienstig kerkelijk mens met veel goede werken voor zijn kerk en naaste en dan verwezen te worden naar de eeuwige rampzaligheid. Onderzoeken wij ons zelven toch nauw, zeer nauw en laten de inzettimgen Gods onze toesteen zijn. Kinderen Gods, pelgrim naar Sion. Gij gevoelt u hier op aarde in een plaats der vreemdelingschappen, nietwaar? Mocht gij maar veel afzien van u zelf, maar op de inzettingen Gods. Het gaat door laster en verachting heen. Maar heft uwe hoofden op, o pelgrims, want de tijd van de ontbinding is nabij. Reeds licht het Vaderhuis u tegen. Voor U zal het een eeuwig wonder zijn ooit te komen. Maar de Heere blijft de getrouwe voor Zijn volk. Straks is het eind van de omzwering. Daar legt gij uw zwaren pelgromstaf neer. Daar zijt gij eeuwig thuis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1961

The Banner of Truth | 12 Pagina's

DE WARE VREEMDELINGSCHAP

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 1961

The Banner of Truth | 12 Pagina's

PDF Bekijken