Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ZEGENENDE ZEGENEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

ZEGENENDE ZEGENEN

13 minuten leestijd

“Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen. “

Hebreen 6:14 a.

Dat een almachtig en rechtvaardig God in onze dagen op bijzondere wijze toornt over de zonden der menschenkinderen, is in de gansche wereld min of meer zicht-en voelbaar. Hij is geen ledig aanschouwer van het kwade, hoewel Hij zeer lankmoedig is over Zijne zondige schepselen. Het zal in de gansche wereld meer em meer vervuld worden, die het einde met rasse schreden nadert, wat wij lezen in Jes. 26:21: “Want zie, de HEERE zal uit Zijne plaats uitgaan om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken, en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal de doodgeslagenen niet langer bedekt houden.” Volvoert de Heere dit, wie zal het kunnen verhinderen? Dan leert ons de H. Schrift en de ervaring, dat Hij zegeningen wegneemt of doet ophouden, en allerlei bitterheden en smarten doet ondervinden. Overal spreekt God: “Ik ben rechtvaardig.” Die door genade, de goddelijke gerechtigheid van ganscher hart onderworpen is, zal met David getuigen: “Heere, Gij zijt rechtvaardig, en elk een Uwer oordeelen is naar recht.” Die zijne ongerechtigheden kent door de overtuigingen des Geestes, zal Gods gerechtigheid liefhebben en verheffen. Die krijgt God meer lief dan zichzelf en zijn eigen zaligheid. Dat is God lief te hebben bovenal. Zulk een ziel gaat liever verloren, hoe vreeselijk ook, dan dat er een deugd in God gekrenkt wordt. Die heeft tot hoofddoel: God, mijn Schepper, mijn Weldoener, mijn Ontfermer, moet verheerlijkt worden. Verheerlijkt worden in Zijne eeuwige souvereiniteit, rechtvaardigheid, heiligheid, enz. Die krijgt gelijkvormigheid. aan Christus. Dan zijn de verheffingen Godes in de keel. Die oogenblikken zijn er bij al Gods kinderen. Die in het govoel van on- en helwaardigheid, zoo kunnen smeeken om de kruimkens van vrije genade. Psalm 51. Ze gevoelen genade diep verzondigd to hebben, en toch kunnen ze niet nalaten er om te bidden en te smeeken. Gedurig is het in zonde-ontdekking: “O God, zijt mij zondaar genadig.” Een genadig en barmhartig God geeft ze er vrijmoedigheid toe; Gods lieve Geest bewerkt ze er toe inwendig. Tot hen komt de algenoegzame en getrouwe Verbonds-God als tot Abraham, zeggende: “Zegenende zal Ik u zegenen.” Onder al de vreeselijke Godsgerichten zooals die thans op aarde zijn, waartoe ook behoort het vreeselijke oordeel der verharding, gaat een liederijk Verbonds-God door in Christus Jezus, deze belofte te vervullen in het midden van Zijn Sion. Daarin hooren we Hem spreken: “Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer.”

Als die geestelijke bondelingen, die met een alzegenend God in een verbond staan, een recht gezicht ontvangen hoe dat God uit den hemel zegende met natuurlijke en geestelijke zegeningen, en daar mede doorgaat min of meer onder alle ellende en verwoestingen die op aarde zijn, O, dan zinkt hunne ziel weg in verwondering en aanbidding. Dan zijn de zegeningen Gods groot en dierbaar. Dan is de ziel als een gewaterden hof. Dan is er een stemming der ziel om den God der oordeelen en der zegeningen te loven en te prijzen. Het was Davids getuigenis: “Ik zal van goedertierenheid en recht zingen.”

“Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen.”

Niet juist letterlijk haalt Paulus de woorden aan, zooals ze eenmaal door God tot Abraham zijn gesproken. Zakelijk is er geen verschil. Als wij te zamen vatten wat de Heere op onderscheiden tijden tot den vader der geloovigen gesproken heeft, komt nog meer den rijken inhoud van het “zegenende zal Ik u zegenen” in het licht. Inzonderheid moeten we echter denken om hetgeen we lezen in Gen. 22:16—18: “Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE: daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uwen zoon, uwen eenige; niet onthouden hebt, voorzeker zal Ik u grootelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten;en in uwen zade zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijner stem gehoorzaam geweest zijt.”

In Christus Jezus, het beloofde zaad, afgebeeld door den geofferden ram in de plaats van Isaak, zouden de beloofde zegeningen tot Abraham voorzeker komen, en niet alleen tot hem, maar ook tot al zijn geloovig zaad uit Joden en Heidenen. Duidelijk doelt Paulus daarop in Galaten 3, zeggende: “Zoo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. En de Schrift tevoren ziende dat God de Heidenen uit het geloof zoude rechtvaardigen, heeft tevoren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen alle volken gezegend worden. Zoo dan die uit het geloof zijn, worden gezegend met den geloovigen Abraham.”

Gelukkig geestelijk zaad Abrahams! Al hebben ze maar iets van dat zaligmakend geloof in het hart, de getrouwe Verbonds-God zal vervullen: “Zegenende zal Ik u zegenen.” Door het geloof is Hij hun toevlucht en gaan ze gedurig in hun afhankelijkheid, onwaardigheid en ledigheid tot Hem, zeggende met David: “En nu HEERE wat verwacht ik? mijne hoop is op U.”

“Zegenende zal Ik u zegenen,” drukt uit dat de algenoegzame Jehova Abraham zeker en overvloedig zal zegenen met tijdelijke en geestelijke goederen. Hem gedurig zal zegenen; nooit zal ophouden hem te zegenen. We denken ook weer om het “grootelijks zegenen en vermenigvuldigen,” Gen. 22:17.

Maar hoe kan God deze dierbare en rijke belofte aan Abraham vervullen en hoe zal Hij die vervullen aan al zijn geloovig zaad? Staan ze niet alien schuldig met den vader der geloovigen aan de oorspronkelijke paradijszonde? Hebben ze daardoor niet alle zegeningen diep en eeuwig verzondigd, en meer verzondigd door dadelijk bedrijf der zonden? Het is waar! Daar ze alien kennis krijgen aan de overtuigingen, ontdekkingen en onderwijzingen des H. Geestes, willen ze dat van harte belijden. Weenende wordt het aller getuigenis:

Ik heb gedaan, wat kwaad is in Uw oog;

Dies ben ik, HEERE, Uw gramschap dubbel waardig; ‘k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gansch rechtvaardig.

De Heere vervult het “zegende zal Ik u zegenen,” niet meer als in den staat der rechtheid. Toen deed Hij het in den weg des Werkverbonds. Toen de mensch twee boosheden had gedaan, was die weg afgesneden. In den weg van een verbroken werkverbond en geschonden wet, kan God niet meer zegenen; moet Hij straffen zooals bedreigd; ja met den drievoudingen dood. Toch zal Hij zegenende zegenen, maar dan in den weg des eeuwigen Genadever-bonds, naar het eeuiwig welbehagen. “Ja, Vader, also is geweest het welbehagen voor U.” In den weg van Christus dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, waardoor Hij een volheid van zegeningen heeft verworven. Hij is Die allesbetalende en allesverwervende Zoenborg. O volk dezer belofte, ziet uw allesverwervende Borg, Middelaar en Zaligmaker hangen aan het vloekheid des kruises; hoort Hem roepen in de helleangst Zijner ziel: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Hoort Hem klagen: “Mij dorst,” en vergeet niet en nooit in welk een weg Hij het “zegenende zal Ik u zegenen” voor u verworven en mogelijk gemaakt heeft. Ja, “vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.” Laten we dan weer met een verbroken en verwonderd hart uitroepen: “Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!”

De HEERE was niet alleen een belovend, maar ook een vervullend God voor Abraham De geschiedenis leert, dat hij rijkelijk gezegend werd met natuurlijke en geestelijke goederen. Vervulde dat Abraham niet met verwondering en dankbaarheid? Gewis! Hij kende zich als een onrein stof en asch, der verwerping waardig. Overal waar hij heentrok had hij zijn altaar bij zich. Dan offerde hij dank- en lofofferen den Heere welbehagelijk in Christus. Gezegend volk, hebt ge ook overal uw altaar bij u, om het wierook der gebeden niet alleen, maar ook dank- en lofofferen uwen Weldoener te offeren? O, mocht het zoo zijn! Het leve in uwe ziel:

‘k Zal Hem nooit vergeten,
Hem mijn Helper heeten,
Al mijn hoop en lust.

Hoe ook verzondigd, de Heere bleef de Getrouwe voor Abraham. God de Almachtige deed hem tot oem groot en machtig volk worden. Wonderlijk vervulde de Heere, “zegenende zal Ik u zegenen.” Toen Abraham aan het eind zijner pelgrimsreis gekomen was, nam de getrouwe Verbonds-God hem op in heerlijkheid. Dat hij daar is, heeft Zijn Redder en Verlosser toen hij op aarde was, meer dan eens doen hooren (Lukas 16:23 en 13: 28).

Zooals reeds aangemerkt, de belofte geldt ook al het geestelijke zaad Abrahams, en dat vooral in geestelijken zin. Dat is de gansche geestelijke familie van den hemelschen Vader. Christus is door Hem gegeven om dat huisgezin te regeeren en te verzorgen (Hebr. 3:6). Hij is in dat huis als Eene die dient. In die geestelijke familie ontdekken we onderscheidene standen in de genade (1 Joh. 2). Aan die alien wordt vervuld: “Zegenende zal Ik u zegenen.” En dat alles uit vrije en souvereine genade. Immers alien hoe schuldig, getuigen: “Mijn schuld is zwaar; ik heb Uw wet geschonden.”

Kinderkens in de genade, die nog slechts staat in de beginselen der genade en van het nieuwe leven, zegenende heeft de Heere u gezegend. Gij bezit al reeds wat de meeste menschen op aarde missen, en als ze niet door God bekeerd en geleerd worden, eeuwig zullen missen. Hij heeft u gezegend met natuurlijke en geestelijke zegeningen in Christus. Werd gij er niet eens ingeleid door Gods indacht-makenden Geest? O, smaakt en ziet dat de Heere goed is!

Verkeert gij in het gemis van meerdere natuurlijke en geestelijke zegeningen? Gij moogt de belofte aan Abraham gedaan en ook aan zijn zaad gegeven, uw pleitgrond maken. Hij die u heeft liefgehad heeft met een eeuwige en onver-anderlijke liefde, zegt nog steeds tot Zijn geliefde kinderen: “Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.” Hebt gij het geleerd in uw gemis en behoeften? Weet gij al wat het is, doe uwen mond wijd open?

Vertrouw op Hem, o volk in smart,
Stort voor Hem uit uw gansche hart:
God is een toevlucht t’ alien tijde.

En nu hooren we ook hier de stem van de goede Herder, zeggende tot Zijn menigmaal vreezende en benauwde duifje: “Mijne duive! zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene eener steile plaats, toon Mij uwe gedaante; doe Mij uwe stem hooren; want uwe stem is zoet, en uwe gedaante is liefelijk.” Hooglied 2:14.

Jongelingen in de genade! gij zijt wellicht reeds wat langer op het levenspad in natuurlijken en geestelijken zin. Hoe ziet gij bij oogenblikken niet uit om met Christus in een huwelijks-verbond te komen en te mogen “mijnen.” Dat, waar gij kennis hebt gekregen aan den eersten voorbijgang, gij ook deel moogt verkrijgen aan den tweeden voorbijgang van Ezechiel 16. Heeft de Heere niet vervuld “zegenende zal Ik u zegenen,” en zal Hij het niet verder doen? Zal die vervulling ooit een einde nemen? Immers neen! De goedertierenheden des Heeren zijn van eeuwigheid tot eeuwigheid voor degenen die Hem vreezen, Ps. 103. Zaligende zal Hij u zaligen. Christus kan en zal volkomelijk zalig maken degenen die door Hem tot God gaan;alzoo Hij altijd leeft om voor hen te bidden, Hebr. 7:25. Hoe menigmaal hebt gij het “zegenende zal Ik u zegenen” verzondigd, hoeveel ongeloof en twijfel dikwijls in het hart, bij tijden ondankbaarheid en murmureering, duizend zorgen, duizend dooden kwelden bij tijden uw angstvallig hart; maar de getrouwe Verbonds-God ging steeds door met deze troostrijke toezegging te vervullen.

Mannen en vaders in de genade! Overvloediglijk werd op uwe pelgrimsreis vervuld “zegenende zal Ik zegenen.” Hoe rijkelijk vloeiden de geestelijke zegeningen u toe uit de voile Fontein Christus Jezus. Moet ge niet eens in verbrokenheid des harten met David uitroepen: “Wat zal ik den HEERE vergelden voor alle Zijne weldaden. aan mij bewezen? Ik zal den beker der verlossingen opnemen en den Naam des HEEREN aanroepen.” Hoe wordt Zijn goedheid ooit volprezen! Hij verwaardige, dat het gansche leven Hem gewijd zij, Hem ter eere. Om in zelfverloochening Jezus: voetstappen te drukken. Dat hart en mond mogen samen-stemmen om den Heere te loven. Wat zijn de monden gesloten van het goede. Hoe weinig behoefte om saam te komen, over de zegeningen Gods te spreken, Hem te prijzen en Christus te verhoogen. Hoe anders was het vroeger wel. Schaamte moest ons aangezicht bedekken. Gods Geest leidde meer in den overvloed der zegeningen uit vrije genade geschonken, en heerlijke en onuitsprekelijke zegeningen beloofd in de beloften des verbonds. Dat het loflied van David meer worde gehoord: “Loof den HEERE, mijne ziel, en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere mijne ziel, en vergeet geene van Zijne weldaden.”

Niet alleen de geestelijke maar ook de natuurlijke zegeningen behooren tot het “zegenende zal Ik u zegenen.” Hoe groot en heerlijk worden beide zegeningen, zoo wij ze als helwaardigen uit Gods hand mogen ontvangen. Zalige verruiming des harten in al die verbeurde zegeningen. Dan: “Gij hebt veel goeds gedaan bij Uw knecht, o Heere, naar Uw Woord.”

Houdt de Heere vele zegeningen in om onzer zonden wil in deze veelbewogen dagen; blijft de baarmoeder der Kerk zoo gesloten en moeten ‘s Heeren kinderen menigmaal veel klagen over donkerheid en hardigheid; de getrouwe Verbonds-God zal echter blijven vervullen “zegenende zal Ik u zegenen.” In Zijne liefde, goedheid en ontferming, zal Hij niet ophouden hen te bedienen met natuurlijke en geestelijke zegeningen. Is hun beginsel gering, hun laatste zal zeer vermeerderd worden. Zegenende zal Hij Zijn volk zegenen tot in eeuwigheid. Zalige eeuwigheid voor alien die God vreezen en in Zijne wegen wandelen! Die gedurig bedelaars zijn aan den troon der genade. Nieten en nullen zal God vervullen, uit die volheid die in Christus is. Hunne gebeden en smeekingen zullen eens verhoord worden, zooals ze nooit durfden verwachten. Een eeuwigheid van vrede en blijdschap wacht Gods volk. Ze zullen eeuwig zingen van de goedertierenheden des Heeren. De kastijdende roede en de oven der beproeving behooren ook tot de zegeningen van de liefderijke Vaderhand. Wijze en wonderlijke Vaderlijke opvoedkunde!

Lezer! zijt ge nog van God vervreemd, nog vreemdeling van de geestelijke zegeningen Abrahams, hebt gij nog uw steenen hart? Weet, dat God uit steenen Abrahams kinderen kan verwekken, aan welke Hij ook tot in eeuwigheid vervullen zal: “Zegenende zal Ik u zegenen.” Zult gij in uw zonden blijven leven en daarin sterven, wee uwer! Dan houdt bij uw dood Gods zegenen op. Dan geen droppel water meer; niet een bemoedigend woord. De schrik des Heeren mocht u nog eens bewegen tot het geloof. Gods Geest make u een arme en behoeftige smeekeling aan Jezus voeten.

Ach! dat het heil uit Sion mocht nederdalen! Dat velen met gebed en smeeking mochten komen gevloden tot den God aller zegeningen in Christus. Dat we in blijdschap konden aanheffen:

Zij komen aan, door Goddelijk licht geleid,
Om’t nakroost, dat den HEER’ wordt toebereid,
Te melden’t heil van Zijn gerechtigheid
En groote daden. Ps. 22.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

The Banner of Truth | 20 Pagina's

ZEGENENDE ZEGENEN

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1971

The Banner of Truth | 20 Pagina's

PDF Bekijken