Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De geloofs begeerten van de bruidskerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De geloofs begeerten van de bruidskerk

6 minuten leestijd

“Ontwaak, noordenwind, en kom, gij zuidenwind; doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien. O dat mijn Liefste totZijn hofkwame en ate Zijn edele vruchten” (Hooglied 4:16).

Het bijbelboek “Hooglied” is het lied der liederen. Dat wil zeggen: een bijzonder en uitnemend lied. In dit lied zingt Salomo, de Vredevorst, van de verborgen gemeenschap tussen de Bruidegom en de Bruid. Hoe wonderlijk is het verlangen van Christus naar Zijn Bruid, maar wonderlijk is ook het verlangen van de Bruid naar Christus. In de tekstwoorden spreekt de Bruid over haar verlangen. Zij bidt om de vruchtbaarmakende kracht van de Heilige Geest. Immers, zij is steil en diep afhankelijk van de leiding en de roerseien van de Heilige Geest.

Het beeld van de wind, als type van de Heilige Geest, vinden wij op vele plaatsen in Gods Woord. Jezus zelf heeft in het nachtgesprek met Nicodemus gesproken over het noodzakelijke werk van de Heilige Geest en daarbij het beeld van de wind gebruikt. “De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is” (Johannes 3:8).

De Bruid spreekt van de noordenwind en van de zuidenwind. Vanzelf heeft dat een rijke betekenis. In het leven van de Bruid zijn ze onmisbaar. Het werk van beide moet worden gekend. De noordenwind is in zijn arbeid onderscheiden van de zuidenwind.

De noordenwind is koud, doordringend, scherp. Zij doodt het ongedierte in het geboomte. Zij dringt door merg en been heen. De noordenwind wijst op de ontdekkende arbeid van de Heilige Geest. Zij overtuigt immers van zonde, gerechtigheid, en van oordeel. Zij ontdekt de schuilhoeken van ons leven. Zij geeft het ongedierte geen rust, maar drijft deze uit.

Om de arbeid van de Heilige Geest bidt de Bruid. Zij vraagt: “Ontwaak, noordenwind.” Zij wil ontdekt worden, zij begeert verlost te worden van het ongedierte, zij gunt in haar leven de zonde geen plaats meer. De noordenwind is nodig, niet om enkele zonden aan te wijzen, maar om alle zonden aan te wijzen. Van gebod tot gebod wordt de zonde ontdekt en aangetoond. Zie, dit doet de ware Bruid getuigen: “Ik ben door Uwe wet te sehenden, krom van lenden.” En: “‘k Beken aan U, o Heere, oprecht mijn zonden, ‘k verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden.”

Door de noordenwind van de ontdekking maakt de Heilige Geest plaats voor de bediening van Christus. Dit doet de Bruid dan ook vragen: “Kom, gij zuidenwind.” De zuidenwind is warm, zij koestert de aarde, zij is vruchtbaar makend. Zij doet de knoppen ontkiemen en de bloesem vruchtzetten. Zij is levens wekkend en geeft levens wasdom.

Zo kent de Bruid het werk van de zuidenwind in haar hart. Het koesterde de ziel, door de rijkdom van Christus te verklaren, Hem in de beloften van het evangelie aan te wijzen. Hoe wonderlijk is toch dat werk van de zuidenwind in het hart. Het maakt dat de ziel opwast in de genade en kennis van Christus. Zij geeft te ervaren dat alles wat aan Hem is, gans begeerlijk is.

Omdat de Bruid kennis heeft van het zoete werk van de zuidenwind, vraagt zij: “Kom.” Ze verlangt naar de nadere openbaring van haar Bruidegom. Zij vraagt of haar hof er door vruchtbaar mag worden gemaakt. Zij noemt haar leven een hof. Dat is een besloten plaats. Een hof heeft een eigenaar en een onderhouder. Een hof kan nooit het eigendom zijn van zichzelf; een hof kan zichzelf niet onderhouden. Zo weet zij dat zij het eigendom van een Ander is en dat die Ander haar hof zal onderhouden.

De hof van haar leven is niet zonder geur, want zij spreekt van specerijen. Zij begeert dat die specerijen mogen gaan geuren, dat is tot rijpheid kornen. Alleen dan zijn ze geschikt voor het gebruik. Alleen dan beantwoordt het aan het doel.

Zo is de hof waar Gods Geest woont ook te kennen. De specerijengeur is dan ook te ruiken. Zullen wij eens enkele specerijen aan u tonen? Komt dan de hof van de Bruid maar binnen.

U vindt daar de geur van: De liefde, van de blijdschap, van vrede, van lankmoedigheid en goedertierenheid. Zie daarginds komt de geur van het geloof u tegen en op een andere plaats geurt de zachtmoedigheid en verdraagzaamheid u tegen. Ja, het is een wonderlijke hof. Zij is door God Zelf verkoren en bewerkt. Want van zichzelf is er geen vruchtbaarheid te vinden, noch geur aan te treffen. De Bruid spreekt immers van Zijn edele vruchten.

Zij spreekt ook van Zijn hof. Niet van mijn hof. Zij mag van Hem zijn. Is dat geen genadewonder? De grote Bruidegom heeft haar willen hebben. Ja, haar verkoren, toen zij in haar walgelijke onvruchtbaarheid lag voor God. Hij heeft de hof begeerd om er te wonen en Zichzelf in te verheerlijken.

Als Hij de hof verkoor, deze bewerkte en vruchtbaar maakte, is het vanzelf dat de vruchten ook Hem toekomen. De Bruid is er voor de Bruidegom en zij verlangt naar Hem. Daarom bidt zij: “Dat Hij ate van Zijn edele vruchten.” Zij gunt Hem alles, omdat alles van Hem en door Hem is.

Zo heeft de kerk van alle tijden en eeuwen uitgezien naar de arbeid van de Heilige Geest. Wij ook? Heer, ai, maak mij Uwe wegen, Door Uw Woord en Geest bekend; Leer mij, hoe die zijn gelegen, En waarheen G’ Uw treden wendt. Leid mij in Uw waarheid, leer IJv’rig mij Uw wet betrachten; Want Gij zijt mijn heil, o Heer. ‘k Blijf U al de dag verwachten.

— Psalm 25:2 —


Rev. P. Blok serves the congregation of Kootwijkerbroek, the Netherlands.

Prayer

I ought not to omit any of the parts of prayer — confession, adoration, thanksgiving, petition, and intercession.

There is a fearful tendency to omit confession, proceeding from low views of God and His law, slight views of my heart and the sins of my past life. This must be resisted.

There is a constant tendency to omit adoration, when I forget to whom I am speaking - when I rush heedlessly into the presence of Jehovah, without remembering His awful name and character - when I have little eyesight for His glory, and little admiration of His wonders. “Where are the wise?”

I have the native tendency of the heart to omit giving thanks. And yet it is specially commanded (Philippians 4:6).

Often when the heart is selfish, dead to the salvation of others, I omit intercession. And yet it especially is the spirit of the great Advocate, who has the name of Israel always on His heart.

Perhaps every prayer need not have all these; but surely a day should not pass without some space being devoted to each.

— Rev. Robert M’Cheyne

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1994

The Banner of Truth | 28 Pagina's

De geloofs begeerten van de bruidskerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1994

The Banner of Truth | 28 Pagina's

PDF Bekijken