Bekijk het origineel

Verbrijzeld

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verbrijzeld

4 minuten leestijd

“Doch het behaagde den Heere Hem te verbrijzelen” (Jesaja 53:10a).

De lijdensweken zijn voor velen in onze kringen een begrip geworden, lets dat nu eenmaal in het kerkelijke jaar een plaats heeft gekregen. Helaas is het voor velen niet meer dan een begrip. Wat wordt er nog verstaan van wat Christus’ lijden betekent, en hoe zwaar dat lijden voor de Borg en Zaligmaker van Zijn kerk wel geweest is? En met dat “verstaan” bedoelen we geestelijk verstaan. Immers, door de bediening van Gods Geest alleen kan men maar iets verstaan van het werk en lijden dat de Zone Gods deed om de straf van de uitverkorenen op Zich te nemen en de toorn Gods vanwege de zonde uit te delgen. Waarbij we opmerken dat daarvoor alleen plaats is als de Heere er plaats voor maakt.

En nu roept de profeet Jesaja, de evangelist van het Oude Verbond, ons toe dat het de Heere behaagd heeft om Hem, Sions betalende Borg, te verbrijzelen. Met andere woorden, het behaagde God Zijn Kind, Zijn Zoon, in Zijn menselijke natuur over te geven tot de dood des kruises.

Wellicht vraagt men zich af, was dat nu wel nodig? Ja, dat was absoluut nodig, zouden er nog mensen gered worden van de oneindige toorn Gods vanwege de zonde! God had er een behagen in dat de Zaligmaker Zich daartoe vrijwillig overgaf, opdat Zijn heilige raad tot redding van ellendigen zou worden volvoerd. Het was de enige weg om verloren Adams zonen en dochteren te verlossen van hun goddeloos bestaan en terug te brengen in het hart des Vaders. Hij, Koning Jezus, heeft die heilige toorn vrijwillig gedragen in ziel en lichaam.

Hij is VERBRIJZELD GEWORDEN! Zodat God bevredigd werd en de zondaar verlost van de eeuwige verbrijzeling. Zijn onzondig lichaam heeft deze verbrijzeling vrijwillig aanvaard. De Heere geve ons toch inzicht daarin, dat Hij de vervloekte, smartelijke, en smadelijke dood vrijwillig wilde ondergaan, opdat goddelozen (die dat leren kennen) nog gered mochten worden van de rechtvaardige toorn Gods. Zelf geen schuldenaar zijnde, wilde Hij zich overgeven opdat schuldigen gered mochten worden en tot God genomen mochten worden.

Maar wil dit nu waarde krijgen in ons leven, dan moeten wij leren als een verloren schepsel niet waardig te zijn dat God een weg ontsloot, naar Zijn souverein welbehagen, om nog mensen te trekken uit de duisternis en te brengen tot Zijn wonderbaar licht. Om, door Gods Geest gegeven, echte kennis van onze zonden en ons zondig bestaan te krijgen en te erkennen, “Ik ben zonder God in de wereld, en waardig om voor eeuwig buitengesloten te worden.” De zonden van bedrijf en nalatigheid. Ja, de bron van de zonden te leren inleven, zodat de ziel moet uitroepen, “Gans melaats! Van mijn kant is het eeuwig verloren!”

O, een waarlijk verbrijzeld en verslagen hart (Gods werk) wil de Heere niet verachten. Integendeel, daar wil Hij op neerzien en het werk en lijden van Zijn dierbare Zoon toepassen tot reiniging en heiliging. De Heere moge ook onder ons daar kennis van geven.

Het is zo donker geworden! Zodat er weinig behoefte is om waarlijk verbrijzeld te worden. Een walg te krijgen aan zichzelf, en de nood leren kennen om de ENIGE Zaligmaker nodig te krijgen. De Heere geve rechte verzuchting aan de Troon der Genade, opdat wij als doelmissers HEM nodig krijgen, Die zich doodliefde om hun de weg weer te leren kennen. Maar bovenal om HEM te leren kennen, Die dood is geweest en nu leeft tot in alle eeuwigheid. Lere Hij ons zo naar Goede Vrijdag en Pasen te leven. Het zou ons tot eeuwig nut zijn. Amen.


Zoekende naar Jezus

Immanuel, Gods Wonderzoon,
Van eeuwigheid geboren,

Die Erfheer zijt van ‘s Hemels kroon,
Van eeuwigheid verkoren,

En afgezonden in den tijd,

Om eindelooze zaligheid,
Tot heil van stervelingen,

Te weeg te brengen door Zijn dood,

O, wond’re liefde overgroot,
Voor arme doemelingen.

Och! reik eens toe Uw Regterhand,
Verbreek mijn ongelooven,

En red mijn ziel uit dezen stand,
Door Hemelgeest van boven,

En breng mijn ziele in ‘t verbond,

Dat in Uw Offerbloed gegrond,
Vast blijft in eeuwigheden.

Mijn ziel bewilligt in Gods Raad,

En in’t Verbond dat eeuwig Staat,
Dus krijg ik eeuw’ge vreden

— J. Groenewegen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

The Banner of Truth | 28 Pagina's

Verbrijzeld

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1996

The Banner of Truth | 28 Pagina's

PDF Bekijken