Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het weggelegde goed

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het weggelegde goed

11 minuten leestijd

“O, hoegroot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen” (Psalm 103:11).

Rev. J. J. van Eckeveld, Zeist, the Netherlands

Wanneer David deze psalm dicht, bevindt hij zich in zware beproeving. Hij smeekt om hulp. Het is hem bang. Zijn oog is doorknaagd van verdriet en zijn leven is verteerd van droefheid. Zijn wederpartijders smaden hem en er is vrees van rondom. Maar in al zijn benauwdheid en droefenis is er in zijn ziel een groot vertrouwen op de God des Verbonds, Die de Getrouwe is. Dat is het vertrouwen des geloofs, dat juist het heerlijkst uitblinkt in diepten van strijd en aanvechting. Waar vindt men dat vertrouwen des geloofs het meest geoefend? In de diepte!

Zo is het hier ook bij David. Dat vertrouwen geeft hem vrijmoedigheid om te roepen: “Maar ik vertrouw op U, o Heere; ik zeg; Gij zijt mijn God.” Zalig, die zich zo met David, in alle strijd, aanvechtingen, duisternissen, mag verlaten op die God, Die nooit laat varen de werken Zijner handen.

Datzelfde vertrouwen mocht David oefenen op de puinhopen van Ziklag, als we het lezen: “Doch David sterkte zich in de Heere, Zijn God.” Dat geeft kracht, moed en hoop op God. Dan zegt u het in kruis, in diepten en in strijd:

Doch gij, mijn ziel, het ga zo ’t wil,
Stel u gerust, zwijg Gode Stil;
Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken

— Psalm 62:4

U voelt, dat dit geen vrucht van eigen akker is. Het is alleen genade. Het is alleen vrucht van het werk van Davids grote Zoon, van het borgwerk van Christus. Hij heeft Zieh op een volmaakte wijze op Zijn heilige Vader verlaten, toen Hij hing in de diepten van Godverlatenheid. Toen de Vader Zijn aangezicht voor Hem verborg, klemde Hij Zieh des te meer aan die God vast! Want we horen Hem uitroepen, ‘Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?” Als Hij hangt in de diepten van de duisternis, dan zegt Hij nog, Mijn God! Dat is een volmaakt vertrouwen. En dat vertrouwen heeft Hij borgtochtelijk en plaatsbekledend beoefend, om het vertrouwen, het ongeloof, dat er zo menigmaal bij Gods hinderen is, te verzoenen. En het is de grote Zoon van David, Die we ook in deze psalm aantreffen.

De psalmen zijn vol met heenwijzingen naar Christus. Zo is het ook met deze psalm. Christus heeft aan het kruis een woord uit deze psalm op Zijn lippen genomen, n.l. het eerste gedeelte van vers 6: “In Uwe handen beveel Ik Mijn Geest.”

En als David, en als Gods kind dat vertrouwen des geloofs mag oefenen, dat zich onvoorwaardelijk verlaten op de God des heils, dan is dat alleen vrucht van het borgwerk van Davids grote Zoon, dan is het alleen overwinnende en inwinnende genade. Want als vlees en bloed aan het woord komen, dan is dat vertrouwen er niet, dan is er opstand, vijandschap, wantrouwen.

Zo mag David in één van de moelijkste omstandigheden van zijn leven (waarschijnlijk is deze psalm gedieht toen hij vluchten moest voor Absalom, zijn zoon) zich verlaten op de God des Verbonds. En dat geeft hem zoveel moed en kracht, dat hij in de diepte en vanuit de diepte de Heere looft voor Zijn grote goedertierenheid. En zo roept hij uit, “O, hoe groot is het goed, dat Gij weggelegt hebt, voor degenen die U vrezen.” Het geloof dat hier bij David in oefening zijn mag, ziet over alle omstandigheden heen op dit grote goed dat de Heere heeft weggelegd voor allen die Hem vrezen.

Wat voor goed is dat? “Uw goed” zegt David. We kunnen het ook zó vertalen, ”Het van U kornende goed”. Dus dit goed is niet het goed van de wereld, maar dit goed komt van God. Het goed van de wereld kan wel veel schijnen en het kan wel in de ogen schitteren, maar er blijft uiteindelijk niets van over: Het is klatergoud. Zult u did bedenken?

Misschien jaagt u wel naar het goed van de wereld en dat doen we van nature allemaal; we jagen naar goud en zilver, naar een goede positie, naar een naam, naar wat roem en eer. Maar bedenk wel, het goed van de wereld kan een ziel nooit vervullen. Wat baat het u, als gij de hele wereld gewint, maar u lijdt schade aan u arme ziel? Bij de dood zal het aardse goed ons ontvallen.

Maar het goed waar David van spreekt, gaat mee door dood en graf heen. Dat is eeuwigheidsgoed; het komt van God; het komt uit de eeuwigheid en het komt terug in de eeuwigheid. Dit goed gaat nooit verloren, maar ligt veilig in Gods handen. Het is het goed dat nimmermeer vergaat. Welk goed is het? Het is de eeuwige zaligheid. Het is die zaligheid, die God al van eeuwigheid heeft uitgedacht, die Christus verworven heeft in Zijn lijden en sterven en die door de Heilige Geest wordt toegepast aan zondaarsharten.

Hebt u dat goed al leren zoeken? Of zoekt u nog steeds het goed van de wereld? Met het goed van de wereld komt u om! Dat zocht de rijke dwaas. Hij wilden zijn schuren vullen met het goed van beneden. Maar de Heere sprak; gij dwaas, deze nacht zal Ik u ziel van u afeisen. Toen werd het sterven. Toen kon hij niets meenemen. Toen was het voor eeuwig te laat.

Dan roept Gods Woord u toe: “Zoekt de dingen die boven zijn, en niet die op de aarde zijn”. David spreekt dus niet over het goed van de wereld, maar over bet goed, dat komt van God. Hij spreekt hier over de zaligheid.

En wat is de zaligheid? Dat is verlost te worden van het grootste kwaad, n.l. de zonde, en de scheiding van Gods Geest en gemeenschap, en gebracht te worden tot het hoogste goed, n.l. de eeuwige zaligheid.

David komt woorden te kort om uit te spreken hoe groot dat goed is. Daarom roept hij uit, “O, hoe groot is Uw goed.” Mensenwoorden zijn te arm om de uitnemende waarde van dat goed uit te drukken. Wat een uitnemend goed! Het houdt in wedergeboorte en bekering; geloof en vertrouwen; rechtvaardigmaking en heiligmaking. Vrede met God op gronden van recht. Een volkomen verlossing. Kortom, dit goed bevat alles, alles wat nodig is tot zaligheid; wat nodig is om welgetroost te leven en straks zalig te sterven.

Wie deel mag hebben aan dit goed, heeft alles! Hij heeft een drieënig God tot zijn deel; hij heeft het eeuwige leven tot zijn deel. Ja, hij heeft alles wat nodig is voor tijd en eeuwigheid.

Is het en wonder dat David hier woorden te kort komt? Hij mag over alle omstandigheden heenzien op dit goed en daarom roept hij het uit: “zijt sterk, en Hij zal ulieder hart opsterken, gij allen, die op de Heere hoopt’!

Om dit goed te verweven, heeft Christus Zieh al in de eeuwigheid overgegeven om de wil en het welbehagen van Zijn Vader te doen. Om dit goed te verwerven heeft Christus in de tijd de lijdensbeker tot de laatste druppel leeggedronken, heeft Hij de deugden Gods plaatsbekledend verheerlijkt, heeft Hij Zijn bloed gestort op Golgotha. Maar om dit goed te verwerven is Hij ook opgestaan, heengegaan tot de Vader en is nu verhoogd aan de rechterhand der majesteit Gods. En als de verhoogde Christus is Hij nu ook de grote Toepasser van dat goed. Want let wel, Hij is niet alleen de Verwerver, maar ook de Toepasser van de zaligheid.

Van nature bezitten we dit goed niet. Dan staan we buiten God zonder hoop op deze wereld. Dan zijn we dood in zonden en misdaden en staan we voor eigen rekening. Dit goed moet daarom ook toegepast worden, Als Christus niet ook de Toepasser der zaligheid was, dan was het nog eeuwig verloren. Maar nu past Hijzelf de zaligheid toe door Zijn Heilige Geest. Hij maakt de zondaar daartoe van dood levend. Hij gaat ons ervan overtuigen, dat we dit goed missen. Kent u dat? Als de Heilige Geest u gaat overtuigen, dan wordt het de nood van onze ziel: Ik mis dat goed. Ik leef zonder God en zonder hoop op deze wereld. Ik kan niet sterven, want ik moet God ontmoeten!

De Geest van Christus leert ons zoeken naar dat goed, leert ons vanuit de diepte van onze verlorenheid roepen en bedelen tot God. “Geef dat ook mijn oog het goede aanschouw, hetwelk Gij uit onbezweken trouw, Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen”.

Het is de Heilige Geest, Die plaats maakt in ons hart voor dit goed, in een weg van ontdekking en ontgronding. Dan houdt u geen grond meer over om op te staan. Dan blijft er een naakte, arme zondaar over, die niet bestaan kan in het recht van God, maar die ook zonder God niet leven kan.

Van nature heeft dit goed geen waarde, maar voor een ontledigde zondaar krijgt het zo’n hoge waarde. Wat een wonder als een oog dan ontsloten wordt voor de mogelijkheid van zalig worden, voor de mogelijkheid dit goed tot u deel te krijgen.

En het wonder wordt nog groter, als Hij, die dit goed verwierf, Zieh aan u ziel gaat openbaren en verklaren vanuit Zijn Evangelie in Zijn gewilligheid om dit goed u toe te passen, in Zijn algenoegzaamheid, in Zijn noodzakelijkheid. Wat wordt Christus en wat worden Zijn goederen dan gans begeerlijk! Wat komt er dan een uitzien om bekleed te worden met Zijn gerechtigheid, om vergeving te ontvangen in Zijn bloed, om in Hem dat goed tot u deel te ontvangen. En nu is het weer de Heilige Geest, Die het geloof schenkt, dat Zieh met Christus verenigt, dat zich op Christus verlaat, dat Hem en al Zijn goederen omhelzen mag met bewustheid der ziel. Wat een wonder wordt het als u in een bevestigd geloof Christus en het goede goed, dat Hij verwierf, mag omhelzen door het toepassende en verzegelende werk van Zijn Geest.

Dan roept u het uit. “Nu heb ik voor all mijn zonden, een Middelaar gevonden.” Waar u verloren moest gaan onder het recht van God, daar te mogen ontvangen vrede met God in de verheerlijking van Zijn recht, alleen in de Verdienste van Christus.

Gods kinderen mochten er meer naar staan hun roeping en verkiezing vast te maken in Hem. Is er dan een groter goed denkbaar?

Hoe groot is het goed, dat de Heere heeft weggelegd voor allen die Hem vrezen. Dat goed is dus het deel van allen die God vrezen met een kinderlijke vreze. Al is er verschil in de oefening des geloofs, al heeft de een meer van dat goed mogen zien dan de ander, toch is dit het deel van allen die de Heere bij aan-of voortgang leerden vrezen. Zo neemt David hier heel Gods kerk mee, de kleinen met de groten.

Dit goed is voor Gods kinderen weggelegd! Zien zij dat altijd? De dagen der duisternis zijn vele. David zelf zag het ook niet altijd. Toen hij uitriep, dat hij nog een der dagen zou omkomen in de handen van Saul, zag hij dit goed niet. Daar is zoveel ongeloof, zoveel twijfel. De Satan zit niet Stil; van binnen zijn de spotters, die zeggen, “Gij hebt geen heil bij God, U zult nog omkomen” Maar dit goed wordt bij God weggelegd, het wordt bij Hem zo veilig bewaard in Zijn voorraadschuren. Daar kan de duivel nooit bij. En straks zal het eeuwig het deel zijn, en dan volmaakt en volkomen, voor allen die de Heere vrezen.

Hoe groot is dan dit goed; rechtvaardigmaking, heiligmaken, verzoening, vrede, ja, een volkomen verlossing. Wat is het hoogste goed? Eeuwig te wandelen in Gods gemeenschap.

Is dat goed ook uw deel? Het is het deel van degenen die Hem vrezen. Maar Gods voorraadschuren zijn boordevol. En dat grote goed wordt u nog voogesteld en van Godswege aangeboden. Dit goed is nog te krijgen, want het is nog de tijd der genade. En Hij, Die dit goed verworven heeft, roept het u nog toe: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden.

Zult u dan alleen zoeken naar het goed van deze aarde? Wee u, als u op zo’n grote zaligheid geen acht geslagen zult hebben!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 August 2014

The Banner of Truth | 24 Pagina's

Het weggelegde goed

Bekijk de hele uitgave van Friday 1 August 2014

The Banner of Truth | 24 Pagina's

PDF Bekijken