Bekijk het origineel

Gods Woord en het gezin

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gods Woord en het gezin

7 minuten leestijd

9.

Gezinsleven in een tijd van welvaart

Het zal geen tijd van welvaart geweest zijn, toen de apostel Paulus aan het eind van de eerste brief aan Timotheus schreef over vroomheid en rijkdom. Welvaart voor ieder bestond er in die tijd niet. Slechts een kleine groep rijken deelde in meer genieting v a n de schatten van deze aarde. Voor de rest was bijna ieder even arm, althans vergeleken bij wat wij thans ontvangen mogen. Toch is het een voorrecht, dat de apostel Paulus door de leiding van de Heilige Geest gesproken heeft over de gevaren van de rijkdom. En dat niet maar over de gevaren van de rijkdom op zichzelf, maar juist over het zonder waarachtige vroomheid jagen naar de rijkdom en bezitten van de rijkdom.

’t Is niet mis wat Paulus aan zijn geestelijke zoon schrijft: „doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in de strik en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang”. Er zullen echter niet veel dienstknechten geweest zijn, die dit zo konden schrijven als Paulus. Hij was zelf niet gewoon veel te genieten van de weelde dezer wereld. In een tijd als de onze zijn Paulus’ woorden wel bijzonder aktueel geworden. We beleven nu een welvaart voor bijna iedereen. Slechts enkelen zijn uitgesloten. Het moge waar zijn, dat zich storingen voordoen, die de welvaart bedreigen. Het levenspatroon is nog in het algemeen dat van een tijd van welvaart. En dan klinken deze woorden door toch zeker ook voor het gezinsleven: „dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang”. ’t Is daarom broodnodig in het rechte verband en in de rechte zin op deze woorden te letten. Vorige maal hebben we reeds de aandacht gevraagd voor één zaak, die zonder twijfel niet los te denken is van het verkeerd beleven van de overvloed aan aardse goederen. Meer willen genieten van dit leven vraagt nu eenmaal om minder kinderen. Wie zijn ogen open heeft voor de werkelijkheid, weet, dat dit niet het enige is, waarmee het gezinsleven in de welvaartstaat bedreigd wordt.

Het peil van de welvaart is vergeleken bij de vóór-oorlogse jaren behoorlijk toegenomen. We kunnen rustig spreken van een geheel gewijzigde instelling. De eerste vraag is nu niet meer, hoe de armoede bestreden moet worden, maar hoe zoveel mogelijk ieder in de welvaart moet delen. De ouderen hebben nog enige ervaring van andere omstandigheden, maar voor de jongere mensen is deze welvaart de enige ervaren werkelijkheid op stoffelijk gebied.

’t Is hiermee als met alles. De één prijst de welvaart, de ander klaagt erover. Zeker is het te prijzen, dat de gezinnen beter gevoed en gekleed zijn. De gaven Gods in het leven van elke dag mogen we niet voorbijzien. Alleen zij hierbij opgemerkt, dat er wel eens gemakkelijk over „zegen” gesproken wordt zonder dat beseft wordt: hoe beleef ik het ontvangen van deze gaven voor Gods aangezicht?

Ook moeten we hier wijzen op de goedkope klacht over de welvaart. Zelf in alles delen wat deze tijd biedt en jagen naar het zoveel mogelijk genieten ervan, maar ondertussen veel klaagzangen zingen! ’t Is te begrijpen dat anderen aan zo’n levenshouding aanstoot nemen.

Dit alles staat niet in de weg om eerlijk onder ogen te zien de ondermijnende invloed, die van een averechte beleving van de welvaart in de gezinnen is uitgegaan. ’t Zou wel heel dwaas zijn, als we dit niet deden om het optimistisch geredeneer over de welvaartszegen.

In ’t algemeen gesproken wordt in de beschouwingen over de gevaren van deze zaak té weinig - soms helemaal niet - rekening gehouden met de zonde. Misschien betergezegd: met de zondige aard van een mensenkind, ’t Lijkt weleens alsof zondag 3 van onze Heidelberger niet meer waar is, dat wij van nature alzo verdorven zijn, dat wij ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad zijn. De ware christen zal na ontvangen genade die zondige aard in zich om blijven dragen en juist door de strijd heen deze des te meer leren kennen. Juist daarom zijn we zo geneigd om verkeerd met de gaven Gods om te gaan. Is het vaak niet te zien in de gezinnen?

Het „hogere” levenspeil werkt zo vaak de ontevredenheid in de hand. Een klein kind dat erg veel speelgoed krijgt verveelt zich tussen de veelheid. Het waardeert niet meer op den duur wat het krijgt. Zo zitten kleinere en grotere kinderen ontevreden aan de tafel. De vraag, wat er op de boterham moet, is belangrijker dan de boterham zelf. Vader en moeder doen hard mee. Er is wel een einde aan de beneden-grens van de welvaart: met minder kunnen we niet toe, maar er komt nooit een einde aan de boven-grens. We willen altijd méér hebben. De rechte waardering voor de gaven Gods ontbreekt. Hiermee hangt samen verkwisting van kostelijk voedsel. Maandagmorgen: het brood in de verpakking meegeven met de vuilnisman. Geen oud brood inde welvaartstijd.

De welvaart biedt ook mogelijkheden, die er anders niet geweest zouden zijn. Het gezin heeft meer geld over ter vrije besteding. We bedoelen hier het geld ná de kosten voor voeding en kleding met andere noodzakelijke uitgaven. Dit betekent dus: meer mogelijkheden voor andere dingen. Nooit zou de televisie zo’n sprong gemaakt hebben, als dit niet waar geweest was. Verre buitenlandse reizen worden gemaakt, als de volwassenleeftijd nog niet eens in zicht is. Zoon of dochter gaan alleen. ’t Geld is er immers voor. Meerdere ouders hebben in deze dingen toegegeven, terwijl zij er later over moeten treuren. Verstrooiing van het gezin. Erger: de mogelijkheden tot de zonde, geholpen door de verkeerde besteding van de gaven.

Tenslotte er komt een soort religie van de welvaartstijd, waarvoor we moeten vrezen, en dat ook binnen de huizen van onze gezinnen. Ik bedoel: het gaat alles om het stoffelijke, en de eeuwige dingen komen op de achtergrond. Steeds meer middelen tot vermaak. Steeds meer gesprekken over het materiële. Zo gaat er een vervlakkende werking uit van deze tijd in de gezinnen. Geen tijd om met de kinderen te spreken over het hoogstnodige.

Dopers!? Zo luidt ^het oordeel van velen in onze dagen over dit bezwaar. Het zou waar zijn, als wij beweerden dat in de stoffelijke gaven de zonde lag. Echter wij zijn het zelf, die van God aftrekken en de zonde doen, maar in de weelde en welvaart gemakkelijk aanleiding vinden.

Trouwens: dan is Calvijn dopers, die het gebruik van de aardse goederen boven de noodzakelijke dingen geenszins verwerpt, maar toch erop wijst, dat de aardse goederen dienstbaar moeten zijn aan de pelgrimage naar de hemel. En wil men dan zelfs Dr. A. Kuyper sr. dopers noemen, die terecht schrijft: „..... als de weelde het hart heeft ingenomen, versterft in ons de smaak en de zin voor geestelijke genieting”?

En nu niet om Calvijn en Kuyper, maar om het Woord van God: onderkent de gevaren voor uw gezin. Zoekt het gewin der godzaligheid ook in deze dingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1967

Bewaar het pand | 4 Pagina's

Gods Woord en het gezin

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1967

Bewaar het pand | 4 Pagina's

PDF Bekijken